Goochelen met 2000 HET FIN DE SIECLE EN DE GROTESKE GETALLENSYMBOLIEK

STEL JE KENT bij een eenvoudig coderingsspelletje aan de letter A nu eens niet de getalswaarde 1 toe, maar 100....

Maar stel. Als we het eenvoudig houden, dan wordt B 101, C 102, zodat H 107 is en I 108. Het wijst de weg vanzelf. Indien nu bij de letters van de Duitse eigennaam 'Hitler' de tegenwaarde in getallen wordt gezocht, vind je 107, 108, 119, 111, 104 en 117. En als je vervolgens die getallen bij elkaar optelt, krijg je pardoes 666 - en volgens de apostel Johannes, in zijn boek Openbaringen, is 666 het getal van het beest: 'Het rees op uit de aarde. Het had twee hoorns als een lam, maar het sprak als een draak.'

In de letters van Hitlers naam bleek al een gecodeerde boodschap verborgen te zitten over wat ons te wachten zou staan wanneer iemand met die naam zou opstaan. Het is een onthutsend, bijna dreigend signaal dat de getallengoochelaar ontdekte die de waarde van de A op 100 stelde. In Het einde der tijden, een bloemlezing van apocalyptische teksten die theaterwetenschapper M.F. Elling samenstelde, staat een prent van Otto Pankok waarop de vervulling van Johannes' profetie in de gestalte van de Führer uit de doeken wordt gedaan. Wat nou wir haben es nicht gewusst: we hadden het met een beetje rekenen zelfs vooraf kunnen weten.

Een mens moet, zo blijkt keer op keer, vrij sterk in zijn schoenen staan om bij het zien van zo'n verbluffende toevalligheid niet voor de mystieke verleiding te bezwijken. Want of je nu van scrabble houdt of juist een afkeer hebt van spelletjes, er is een zeldzaam voorkomend soort kalmte voor nodig om in het oog te blijven houden dat er geen enkele reden is om A door 100 te vervangen - 57 had ook gekund, of 3,14 -, ja, dat het op zichzelf al tamelijk eigenaardig is om letters zomaar door getallen te vervangen, al kenden de schriftgeleerden van het oude Israël dan ook systematisch getalswaarden toe aan letters en al noteerden de Romeinen hun getallen met behulp van letters.

Er is al evenveel nuchterheid voor nodig te blijven bedenken dat je, zelfs als je eenmaal besloten hebt je aan zulke hersenspinsels over te geven, uit 666 talrijke lettersamenstellingen kunt maken en dat daaruit vrij veel gangbare achternamen te fabrieken zullen zijn. Dat je, mocht je ertoe besluiten de E, H, I, L, R en T te nemen, nog geen 'Hitler' hebt, laat staan 'Adolf Hitler', is al helemaal niet besteed aan wie beduusd opkijkt van het wonderlijke sommetje.

Over het nut van begrippen als 'het getal van het beest' hebben we het dan nog niet gehad, noch ook over het ontbreken van 'hoorns als van een ram' in de sluike kuif van betrokkene (die drakenstem verdient nadere studie).

Maar waar het allemaal om draait, waar het mis gaat, is de ontmoedigende invloed die dergelijke gekkigheid op de werkelijkheid uitoefent. Getallenmystiek en astrologie: als het erom gaat in de natuur geheime boodschappen te ontcijferen die behartenswaardige mededelingen behelzen omtrent ons lot, zijn maar weinig mensen in staat het hoofd koel te houden. Zoals er geen enkele natuurlijke reden is om denkbeeldige lijnen te trekken van de ene ster naar de andere en daar vervolgens een tekening van een dier of een gebruiksvoorwerp in te zien, zo is er ook geen reden om letters en getallen door elkaar te husselen en er vervolgens mee te gaan optellen of aftrekken.

Dat zo'n op een puntendiagram van sterren getekende weegschaal of schorpioen vervolgens vanuit zijn weegschaalschap of schorpioenschap lui die geboren werden met de zon in dat teken van de dierenriem zou opzadelen met de eigenschappen van weegschalen of schorpioenen is welbeschouwd te dwaas om er woorden aan vuil te maken. Iets dergelijks geldt voor letterwaarden en getallensymboliek.

Het zijn allemaal spelletjes of zinnebeelden. Met 'standen van zaken' hebben ze niets te maken; wie dat uit het oog verliest, is nog niet jarig. In de bloemlezing die Elling maakte, zijn hemeltekenen en de mystieke, zij het ook cryptische boodschappen die in getallen verborgen gaan, de constanten. Eeuwenlang hebben ze het ondergangsdenken weten te inspireren en gezien het gegoochel met '2000' is het eind daarvan nog niet in zicht. Zonder vallende sterren en kometen zou de ondergang van de wereld een stuk lastiger aan te kondigen zijn, en zonder rare cijferreeksen zouden achteraf geen dwingende rechtvaardigingen van rampen en catastrofen te geven zijn.

En dat gaat allemaal terug op een misverstand, op wazig gemijmer van doorgaans neoplatoonse aard of pythagoreïsche herkomst. Daarin overheerst de vergissing dat iets bestaat doordat wij het erover hebben, en dat de orde die wij door middel van taal en wiskunde aanbrengen in onze waarnemingen verwijst naar een vergelijkbare orde in de werkelijkheid. Naamgeven wordt dan benoemen en in een moeite door is dat ontsluieren, het ontsluieren van de ware werkelijkheid achter de waarneembare. De herinnering aan die ideële wereld speelt daarin een doorslaggevende rol: ergens in ons brein sluimert kennis van de echte wereld, kennis die niet door waarneming is verworven, maar die anders is, arcaan, en die stellig ook waarachtiger is dan die troebele kennis die we uit onze waarneming halen.

Wie een keer zo ver heen is, is gewoonlijk meestal zonder nadere inspanning bereid die kennis ook als waarachtiger te beschouwen dan de empirisch verworven kennis, als waardevoller - tja, en dan valt al gauw het woord wijsheid, en voor wie zijn traditie kent, wordt dat 'gnosis'. Alleen wie een goed geheugen heeft of stijfkoppig is, weet tegen die tijd nog dat het allemaal begonnen is met eenvoudige verzinsels - als scrabble, als sterrenbeelden, als getallen.

Zo komt wie de jaren telt altijd wel eens op ronde getallen uit - op 1000, op 2000, op 3000. Maar dat 1000 niet wezenlijk verschilt van 173 en dat de zonneomwenteling van de aarde tijdens het jaar 1997 geen principieel andere is dan die van het jaar 2000, lokale kosmische omstandigheden daargelaten, wil er bij wie de platoonse drogreden heeft begaan, meestal al niet meer in.

In Fins de Siècle - How Centuries End wordt uit de doeken gedaan hoe mensen vanaf het eind van de veertiende eeuw in ieder laatste decennium van de elkaar opvolgende eeuwen hebben gereageerd op de komst van een jaar dat werd aangeduid met een enigszins rond getal. Dat is een verhaal dat zijn apotheose in het heden krijgt, nu door de regelmaat van de rekenkunde en een stevige hang naar bijgeloof het einde van een eeuw tegelijkertijd ook het einde van een millennium is. Doordat we het zo treffen, kunnen middeleeuwse millenaristische fantasieën en negentiende-eeuws fin-de-siècle-denken samen een sfeertje veroorzaken waarin de verwarring over getallensymboliek groteske vormen aanneemt.

0 ILLENARISME is middeleeuws en gebaseerd op de mededelingen van nieuwtestamentische figuren dat er een 'duizendjarig rijk' zit aan te komen. Het heeft zich niet beperkt tot de aanloopjaren voor het jaar 1000 zelf; het slaat in de troebelen van na de reformatie ook in de gewone jaren van de zestiende eeuw wild om zich heen. Het begrip fin de siècle, met alles wat erbij gefantaseerd kan worden aan vermoeidheid, melancholie, inertie, Lebensangst en symboolgeilheid, is een negentiende-eeuwse uitvinding.

Maar is het zo? De auteurs van de stukken in Fins de Siècle lijken allemaal toch enigszins aangetast door het symboolvirus. Hun studie is blijkbaar begonnen als een vergelijkend onderzoek, ingegeven door zakelijke, zij het ook licht modieuze motieven: zou het, gegeven de gevoeligheid voor getallenmystiek die mensen ook nu weer aan de dag leggen, kunnen zijn, dat beslissingen en handelingen, dat mentaliteiten er aan het einde van een eeuw opvallend anders uitzien en zouden ze overeenkomsten kunnen vertonen? De geschiedenis wordt immers bijna nooit veroorzaakt door objectieve krachten, maar vooral door humeuren en gissingen.

Dat is een begrijpelijk, maar ook een glibberig uitgangspunt; het zou helpen als tegelijkertijd in iedere eeuw ook het vijfde decennium werd onderzocht - en net zoals voor bijna ieder eeuweinde in Fins de Siècle wordt vastgesteld dat het er beduidend anders uitzag dan de rest van die eeuw, zo zou dat vermoedelijk voor de jaren veertig van iedere eeuw gelden. (Kenden de veertiende, de zeventiende, de achttiende en de twintigste eeuw niet allemaal lelijke oorlogen in getalsmatig ruwweg vergelijkbare perioden?)

Het is alleen niet gedaan, en haast vanzelf krijgen die slotdecennia van iedere eeuw daardoor alleen al iets speciaals. Daar zit iets misleidends in, te meer doordat in toenemende mate aan het einde van al die eeuwen het symboolvirus is gaan woekeren - zodat het niet alleen de historiograaf is die zich laat meesleuren, zijn onderwerp dicteert het ook in enigerlei mate. Je moet dan over vrij veel zelfkritiek beschikken, wil je de laatste jaren van de achttiende eeuw, het eerste decennium na de Franse Revolutie, door de in die periode gedebiteerde kalenderwijsheden over een 'nieuw tijdperk', inderdaad niet als iets opvallends gaan beschouwen.

Van opmerkelijke gebeurtenissen en markante symboolgevoelige getuigenissen naar reële invloeden van de jaartelling op het gedrag is het dan nog maar een kleine stap. Aan het eind van de negentiende eeuw klinkt die stap bovendien al als een denderende mars. Bijna lijkt het alsof de symboolverslaafden gelijk hebben: het woord verwezenlijkt het ding, iets benoemen veroorzaakt een stand van zaken. Zodra je het over het fin de siècle hebt, is het er ook. Dat de verhouding tussen taal en werkelijkheid filosofisch een stuk ingewikkelder beschreven wordt, verdwijnt dan gemakkelijk uit het bewustzijn van de historicus.

Maar het hoogtepunt is toch de twintigste eeuw, die al in 1957 begon met serieus bedoelde futurologische studies en voorspellingen over de zich ontvouwende toekomst. 2000 is een symbool waarvan ons de kracht al sedert Alvin Toffler, het rapport aan de Club van Rome en Denis Gabor, eind jaren zestig, wordt ingepeperd. Het voordeel van vooral Asa Brigss' bijdragen aan Fins de Siècle is, dat hij zo descriptief blijft. Hij is een sociaal-historicus, maar hij lijkt hier wel aan het werk te zijn als een entomoloog: geen insect ontsnapt aan zijn aandacht, hij houdt van details en van het inventariseren daarvan.

Daardoor wordt zijn beschrijving van de jaren negentig van onze eeuw, geheel naar de geest van de twintigste eeuw een beetje prematuur vervaardigd, een collage van absurditeiten en dwaasheden. Slechts in de bijzinnen en in de ironische twists van zijn formuleringen schuilt Briggs' commentaar. Terwijl 'de eeuw van de chip' eraan komt - ook al zo'n dwaze beladen voorspelling - lijken we afscheid te nemen - het idee alleen al - van een millennium door nog een keer alle onzin die dat millennium heeft opgeleverd en opgedolven, de revue te laten passeren.

De wereldberoemde literatuurgeleerde Harold Bloom is hoogleraar aan liefst twee Amerikaanse universiteiten. Hij is bovendien de auteur of samensteller van een duizelingwekkende reeks boeken. Daar zijn mooie onder - Ruin the Sacred Truths -, handige - de reeks Modern Critical Views - en misplaatste. Zo stelde hij een paar jaar geleden The Western Canon samen, een lijst van de allernoodzakelijkste wereldliteratuur, die ernstig leed onder de bijziendheid en de modegevoeligheid van een laat-twintigste-eeuwse New Yorkse intellectueel. Maar hoe men zijn individuele boeken ook beoordeelt, het zijn telkens prikkelende betogen van een zelfstandig nadenkende en belezen geleerde met een onmiskenbare liefde voor de literatuur. Dat fantastische auteurs als William Blake en delirische boeken als de kabbala daarin een voorname plaats innemen, maakt iemand nog niet tot een warhoofd.

Maar met Voortekenen van een nieuw millennium, zijn nieuwste boek, passeren we een grens. Dat is een grens die Bloom in zijn eerdere werk weliswaar al dikwijls verkende, maar niet eerder overschreed hij hem zo luchthartig. De verrassing is dat hij zich in Voortekenen van een nieuw millennium bezighoudt met de Kennis van engelen, dromen en wederopstanding en die kennis niet ziet als kennis van metaforen, constructies of verzinsels, maar als kennis van reële zaken.

0 ET IS MET engelen en wat dies meer zij als met getallensymboliek: er valt nog wel wat over te zeggen, maar dan moeten de gesprekspartners wel in de gaten houden waar ze het over hebben. Er moet, anders gezegd, eerst besloten worden of zij zich inzake hun onderwerpen als realisten of als nominalisten gedragen: is een engel een ding of is een engel een woord. Welbeschouwd kun je evengoed praten over wat mensen hebben waargenomen als over wat mensen denken waargenomen te hebben, over dromen net zo goed als over belevenissen, zolang je maar weet wat je bedoelt.

Bloom gelooft in engelen. Dat is, voor wie zijn statuur en zijn oeuvre kent, bijna niet te geloven - en het plaatst boeken als The Western Canon ineens in een geheel nieuw licht. Hij 'betreurt de westerse kloof tussen zintuiglijke waarneming, met haar empirische data, en de intuïties of categorieën van het intellect' en, nu komt het, denkt serieus dat zich daar tussenin nog een geheel onontgonnen terrein bevindt. 'De poëtische verbeelding van na de Verlichting opereert in dat vacuüm, maar de meesten van ons zien de producten van die verbeelding alleen maar als verzinsels of mythen.'

De toon onthult op welk misverstand Voortekenen van een nieuw millennium, zo geleerd als het is inzake de geschiedenis van de arcane wetenschappen, gebaseerd is: dédain jegens de empirische data, huiver voor de categorieën van het intellect. Bloom denkt dat wij van na de Verlichting, doordat wij mythen en verzinsels louter op hun schoonheid of hun zinnebeeldige welbespraaktheid beoordelen, en ze onderscheiden van de uitkomsten van onderzoek en analyse, iets verloren hebben. Het is ronduit huiveringwekkend om te lezen hoe slecht de literator Bloom wenst te begrijpen wat een metafoor is, hoe ruimhartig men dat begrip ook zou willen toepassen.

Voortekenen van een nieuw millennium wordt daardoor van de studie over die voortekenen in historisch perspectief die het beoogt te zijn, een voorteken van dat millennium, in zoverre het een demonstratie is van rabiate en verwarde symboolverslaving.

Wie de A vervangt door 1000, wat in een stuk over het millenarisme helemaal zo vreemd nog niet is, de B door 1001 en zo verder, en dan de letters van 'Harold' optelt, komt op 6052. Doen we hetzelfde met 'Bloom' dan krijgen we 5052. Trekken we de achternaam van de voornaam af, dan houden we 1000 over. Zie je wel, we hadden het kunnen weten: iemand met zo'n naam moet wel gevoelig zijn voor het millenarisme.

Michaël Zeeman

M.F. Elling: Het einde der tijden.

Meulenhoff/Kritak; 440 pagina's; ¿ 49,90.

ISBN 90 290 5438 7.

Asa Briggs & Daniel Snowman (editors): Fins de Siècle - How Centuries End 1400 - 2000.

Yale University Press; 248 pagina's; ¿ 65,55.

ISBN 0 300 06687 2.

Harold Bloom: Voortekenen van een nieuw millennium - Kennis van engelen, dromen en wederopstanding.

Vertaald uit het Engels door Wieke Wagenaar.

Ten Have; 256 pagina's; ¿ 39,90.

ISBN 90 259 4706 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.