Gokken in de broeikas

Het broeikas-effect getuigt van de bereidheid van de mens het leven op de planeet te verzieken, terwille van economische groei....

door Willem de Bruin

WIE VAN gokken houdt, komt met het broeikasprobleem volop aan zijn trekken. Wagen we het er erop en zien we af van maatregelen in de hoop dat over een paar decennia blijkt dat we ons terecht niets van doemdenkers hebben aangetrokken? Of nemen we liever het zekere voor het onzekere uit vrees dat de onheilsprofeten gelijk krijgen en het dan te laat is om het tij nog te keren?

De inzet is niet gering. Kloppen de voorspellingen dan kunnen de levensomstandigheden op aarde drastisch veranderen, zo niet voor ons dan wel voor toekomstige generaties. Omgekeerd, wanneer we de dreiging willen afwenden, zijn maatregelen nodig die net zo goed diep ingrijpen in onze manier van leven.

Het is dit dilemma dat in Bonn boven de conferentietafel zal hangen, wanneer andermaal een poging wordt gedaan nog iets te redden van het veelbesproken Kyoto-protocol (zie kader). Eerder liep zo'n conferentie in Den Haag eind vorig jaar op een jammerlijke mislukking uit.

Met de dreigende klimaatverandering is, na de globalisering van de economie, ook de globalisering van het milieuprobleem een feit. De schaalvergroting van de economie heeft in het verleden steeds zijn pendant gehad in een schaalvergroting van de vervuiling. Tot nu toe hadden de meeste grensoverschrijdende milieuproblemen (Rijnvervuiling, zure regen, ontbossing) een geografisch begrensd karakter. Het gat in de ozonlaag was een van de eerste aanwijzingen dat de bereidheid van de mens terwille van de economische groei desnoods het leven op de hele planeet te verzieken, niet mocht worden onderschat.

Bij alle onduidelijkheid over snelheid en mate waarin het klimaat verandert, staat een ding vast: ontsnappen aan die verandering is niet mogelijk. Maar dat creëert nog geen mondiaal gevoel van urgentie. Want de gevolgen, hoe ongewis ook, zullen niet voor iedereen gelijk zijn. Er zullen winnaars en verliezers zijn en vaststaat in elk geval dat de ontwikkelingslanden de grootste verliezers zijn.

Door de botsing tussen president Bush en zijn Europese bondgenoten over 'Kyoto' is de indruk gevestigd dat het in Bonn vooral gaat om meningsverschillen tussen Europa en de Verenigde Staten. De Europese Unie laat zich graag aanleunen dat zíj tenminste bereid is haar verantwoordelijkheid te nemen, terwijl de VS slechts oog hebben voor het eigenbelang. Maar dit versluiert een gecompliceerde werkelijkheid die zich het best laat ontrafelen aan de hand van de belangrijkste vragen van het debat.

De alles dominerende vraag is natuurlijk: is er eigenlijk wel een probleem? Die vraag staat in Bonn weliswaar niet officieel op de agenda, maar is door president Bush opnieuw met kracht naar voren gebracht. Dit is een discussie zonder eind. Hoewel de wetenschappers, verenigd in het International Panel on Climate Change (IPCC), ook in hun laatste rapport nog een kleine slag om de arm houden, kan hun conclusie nauwelijks anders worden opgevat dan dat de waargenomen veranderingen in het klimaat mede een gevolg zijn van menselijk handelen.

De sceptici koesteren nog de hoop dat zolang er geen 'overtuigend' bewijs is geleverd, pijnlijke keuzes kunnen worden vermeden. Uiteraard weet deze groep, die de IPCC-conclusies graag afdoen als politiek geïnspireerd natte-vingerwerk, dat zij dat overtuigende bewijs voorlopig niet krijgen. Niet alleen de complexiteit van de fysische processen, maar ook de periode waarover de berekeningen zich uitstrekken en de grenzen die computermodellen stellen aan het doen van betrouwbare voorspellingen, maken het onmogelijk zekerheid te geven.

Dat de kritiek van de broeikas-sceptici vaak even politiek geïnspireerd is, blijkt uit het feit dat de roep om bewijzen vooral komt van politici die zelf kritiekloos de dogma's van de vrije markt aanvaarden. Het broeikasprobleem legt immers, meer dan welk milieuvraagstuk ook, het 'tekort' van het marktmechanisme bloot.

De wetenschappelijke discussie moet vooral worden gevoerd, maar wie de politieke onderhandelingen daaraan ondergeschikt maakt, haalt de rol van wetenschapper en politicus door elkaar. Wetenschappelijke conclusies kunnen nooit de plaats innemen van een politieke afweging, waarbij het gaat om de morele vraag welk risico nog kan worden aanvaard en welke offers men bereid is te brengen om dat risico te voorkomen.

Het broeikasprobleem is in moreel opzicht een les in het omgaan met onzekerheden. Het stelt de vraag naar de bereidheid politieke risico's te nemen omwille van de belangen van toekomstige generaties die part noch deel hebben aan onze problemen. Voor politici die zich net hebben bevrijd van hun ideologische ballast is dat geen aantrekkelijke opgave - in de concurrentieslag om de gunst van de middenklasse juist worden verleid te suggereren dat alles blijft zoals het is. De moderne burger is een gespleten persoonlijkheid die én goedkope benzine wil én bescherming tegen het broeikaseffect. De marktgerichte politicus is er veel aan gelegen hem in de waan te laten dat beide zaken zich moeiteloos laten verenigen.

Maar is met het Kyoto-protocol niet juist gekozen voor het voorzorgsbeginsel, het idee dat twijfels geen excuus mogen zijn voor uitstel van maatregelen omdat het straks te laat kan zijn? En zijn het niet de Europese landen die het protocol verdedigen tegen de pogingen van de VS het akkoord nog voor het begin van de conferentie te torpederen?

Misschien moeten we de vraag anders formuleren: hoe erg zou het eigenlijk zijn als na Den Haag ook de conferentie in Bonn mislukt? Voor het klimaat maakt het weinig uit of 'Kyoto' wordt uitgevoerd. De doelstelling van een verlaging van de CO 2

-uitstoot tot 5 procent beneden het niveau van 1990, is ten enenmale onvoldoende om een temperatuurstijging te voorkomen. Hoewel niet vaststaat wat een veilig 'plafond' is, komen schattingen al gauw uit op een noodzakelijke vermindering van de CO 2

-uitstoot met 60 tot 90 procent, afhankelijk van het ijkjaar. Dat zijn percentages die ver afstaan van wat politiek mogelijk blijkt. In het gunstigste geval zullen de Kyoto-doelstellingen de opwarming van de aarde afremmen en ons wellicht wat meer tijd verschaffen de dijken te verhogen.

Als de doelstelling zo bescheiden is, rijst de vraag waarom er dan zo zwaar aan wordt getild. Hier wreekt zich dat die 5 procent een vertekend beeld geeft. Omdat als ijkjaar 1990 is gekozen, en de wereldeconomie juist de laatste jaren onstuimig is gegroeid, en daarmee ook de CO 2

-uitstoot, is een steeds grotere reductie nodig om beneden het niveau van 1990 uit te komen. Dit betekent dat de VS de uitstoot nu met naar schatting 30 procent omlaag moeten brengen, wil Washington voldoen aan zijn ogenschijnlijk bescheiden taakstelling van 7 procent lager dan het niveau van 1990. Met alle kritiek die men kan hebben op de energieconsumptie van de gemiddelde Amerikaan, is dat een doelstelling die ook voor een president Gore een onhaalbare zaak zou zijn geweest.

Voor de meeste Europese landen geldt ruwweg hetzelfde. De statistieken leren dat in Europa waarschijnlijk alleen Rusland, Duitsland en Groot-Brittannië aan hun verplichtingen zullen kunnen voldoen. Het eerstgenoemde land dankzij de ineenstorting van de economie, het tweede dankzij de hereniging met Oost-Duitsland en de sluiting van de vervuilende industrie aldaar en Engeland door de omschakeling van kolen op olie en gas uit de Noordzee. Geen inspirerende voorbeelden dus. Nederland, dat met minister Pronk de conferentie opnieuw zal voorzitten, kan tot dusverre slechts bogen op een stijging van de CO 2-uitstoot.

Dit creëert de paradoxale situatie dat de doelstellingen van het Kyoto-protocol bij lange na niet volstaan om de opwarming van de aarde tegen te gaan, en tegelijkertijd politiek en economisch zo goed als onhaalbaar zijn.

Maar werd Kyoto destijds niet verwelkomd als een 'mijlpaal in het klimaatbeleid'? Een terugblik leert dat de Kyoto-doelstelling meer het resultaat was van de wens het ergens over eens te worden, dan de uitkomst van een beredeneerde strategie. De fout was eigenlijk al gemaakt op de wereldmilieutop in Rio de Janeiro in 1992, toen in zeer algemene termen werd afgesproken de uitstoot van broeikasgassen te beperken tot een niveau waarbij het klimaat niet zou worden ontregeld. Een idealistische, maar weinig realistische doelstelling gelet op de consequenties die dat vooral voor de industrielanden zou hebben. De aanhoudend alarmerende berichten over het broeikaseffect schroefden in de daarop volgende jaren de verwachtingen allengs hoger op en dwongen de politici te laten zien dat ze bereid waren hun verantwoordelijkheid te nemen, zonder zich nochtans vast te leggen op concrete maatregelen.

In Kyoto verbleekte het ideaal snel, toen het in cijfers moest worden gevat. Vermoeidheid onder de conferentie-deelnemers, gevoegd bij de gedachte 'dat zien we dan wel weer, we hebben nu tenminste iets', dekte tegenstellingen toe die eind vorig jaar in Den Haag in alle hevigheid aan de oppervlakte kwamen. Toen immers moest worden besloten wat men concreet dacht te gaan doen om de afgesproken reducties te halen. Wie eerst suggereert een akkoord voor de poorten van de hel te hebben weggesleept, kan moeilijk, nog voordat een begin is gemaakt met de uitvoering, toegeven dat de afspraken eigenlijk onrealistisch zijn.

Is er een alternatief? Moeten we niet blij zijn dat tenminste een begin is gemaakt? Misschien is het goed hier de kritiek aan te halen die de Amerikaanse milieudeskundige Richard Benedick destijds leverde op de onderhandelingen in Kyoto. Benedick, nu verbonden aan het Wereldnatuurfonds, was in de jaren tachtig staatssecretaris voor Milieu onder president Reagan. Hij geldt als een van architecten van het Montreal Protocol uit 1987. In dit milieuverdrag werd afgesproken een einde te maken aan de productie en toepassing van stoffen (vooral drijfgassen voor spuitbussen) die verantwoordelijk werden geacht voor de aantasting van de ozonlaag.

Volgens Benedick werd in Kyoto 'veel te veel tijd verknoeid met discussies over doelen en tijdschema's voor de vermindering van broeikasgassen die geen enkele wetenschappelijke basis hebben.' Waarom zou bijvoorbeeld, zo vroeg hij zich af, een reductie met 20 procent in 2005 beter zijn, dan 15 procent in 2010? 'Dit zijn politieke slogans, geen rationele doelen.' Zij misleiden het publiek en geven de industrie slechts een argument in handen om de boel te saboteren door te wijzen op hun praktische onuitvoerbaarheid, aldus Benedick.

Een ander gevaar is volgens hem dat de doelstellingen met zoveel moeite totstand zijn gekomen dat het vrijwel onmogelijk wordt ze ooit nog aan te scherpen. Ze gaan dus fungeren als plafond, ook wanneer het in de toekomst technisch mogelijk zou worden tot grotere reducties te komen.

Niemand weet op dit moment wat wetenschappelijk gezien de maximale uitstoot zou mogen zijn, noch binnen welk tijdsbestek dat doel zou moeten worden bereikt. In plaats van ons te fixeren op emissiedoelstellingen, zouden we, zo suggereerde Benedick, ons veel beter kunnen richten op schonere productiemethoden. Bijvoorbeeld door af te spreken dat er na een bepaalde datum geen enkele elektriciteitscentrale meer mag worden gebouwd die nog fossiele brandstoffen gebruikt of dat in elk geval alle rookgassen van CO 2 moeten worden gezuiverd.

Het is een praktische benadering met afspraken die technisch en economisch uitvoerbaar zijn en bovendien betrekkelijk eenvoudig te controleren. Het verhindert bovendien dat, zoals nu dreigt, de rijke landen hun verplichtingen afkopen door te betalen voor milieumaatregelen in ontwikkelingslanden en emissierechten kopen van landen die 'vervuilingsruimte' over hebben.

In beide opties blijft een nadeel dat de illusie wordt gewekt dat de mondiale milieuproblemen uiteindelijk tot een technische kwestie zijn terug te brengen, die los staan van onze levensstijl en het niveau van onze consumptie. Heel veel 'schone' auto's zullen samen nog altijd heel veel 'schone' uitlaatgassen produceren.

De vraag die dan overblijft is of de regeringen van de industrielanden het morele leiderschap kunnen opbrengen om keuzes te maken die verder reiken. Of dat we moeten vaststellen dat het klimaatprobleem in zijn omvang en gevolgen het sturend vermogen van het huidige politieke systeem overstijgt. En dat we misschien te veel vragen van politici die, gevangen in de ratrace van economische globalisering, opiniepeilingen en focusgroepen, niet anders kunnen dan de waan van de dag volgen.

Terecht wordt aan deze kant van de oceaan kritiek geuit op het feit dat in de VS de eeuwigdurende beschikbaarheid van goedkope brandstof als een grondrecht wordt beschouwd. Maar toen vorig jaar in Europa de olieprijs even omhoog ging, haastten de Europese regeringsleiders, sociaal-democraten voorop, zich met een zak geld naar de protesterende weggebruikers. En wie de Haagse klucht rond het rekeningrijden heeft gevolgd, beseft dat wanneer zo'n bescheiden ingreep al niet lukt, we ons wat betreft het klimaatprobleem maar beter niet te veel illusies kunnen maken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden