Goeroe Obrist laat zaal naar adem happen

Door

AMSTERDAM - Als je een lezing geeft, spreek dan vrijuit. En als je het niet meer weet: laat onze film zien. Zo luidde ooit het advies van het kunstenaarsduo Fischli & Weiss aan de jonge Hans Ulrich Obrist. Sindsdien heeft de bekendste tentoonstellingsmaker van de wereld altijd een film achter de hand voor als hij even zonder spraakwater zit.


Of het waar is weet niemand, maar het is een luchtige afsluiting van een lezing in het Stedelijk Museum Amsterdam (in samenwerking met De Appel) die afgelopen zaterdagmiddag de mudvolle zaal happend naar lucht achterlaat. Een klein uur heeft Obrist dan gesproken op topsnelheid en met duizelingwekkend hoge naams- en informatiedichtheid. Drie seconden per afbeelding is vaak genoeg.


Hans Ulrich Obrist, HUO, is een fenomeen (zie inzet) en dat is te merken. De zaal zit vol met oude garde vormgevers, kunsthistorici en kopstukken uit de musea. Maar vooral zit er een generatie kunstenaars, dertigers/veertigers, voor wie de tentoonstellingen of boeken van Obrist belangrijk zijn geweest. En heel veel (aspirant-)makers van tentoonstellingen. Vooral voor die laatste groep is Obrist een goeroe.


De lezing gaat over 'Het tijdelijke instituut':wat doet een kunstinstelling als het geen vast gebouw heeft of iets buiten de muren van zijn instelling wil doen? Toepasselijk nu het Stedelijk Museum na zijn jarenlange sluiting alvast in de gerenoveerde oudbouw is begonnen met het maken van exposities.


Obrist gaat teleurstellend weinig in op de Amsterdamse situatie. In plaats daarvan geeft hij een overzicht van zijn praktijk in vogelvlucht, waarbij het woord 'tijdelijk' wel centraal staat. Eigenlijk is hij zijn leven lang al op zoek naar een gebouw dat er nooit kwam: het FunPalace van de in 2003 overleden visionaire architect Cedric Price. Dit gebouw zou een open structuur met wisselende 'cabines' hebben waar het publiek steeds zou kunnen kiezen; één grote tentoonstellingsmachine.


Obrist vertelt hoe hij het tien jaar lang zocht in 'plaats': kunst zou steeds opduiken 'waar je haar het minst verwacht' zoals schrijver Robert Musil zei. Op een station, langs de snelweg of als puzzel op je tray in het vliegtuig - zoals Obrist met de kunstenaar Alighieri Boetti regelde voor Austria Airlines. Zelf zat hij in die jaren bijna permanent in het vliegtuig om dat soort projecten van Shanghai tot Zurich te organiseren. De opkomende biënnale-cultuur maakte veel mogelijk - mede dankzij HUO zelf.


Maar, citeert hij Mario Merz: 'Als je terrein wint, verlies je concentratie'. Na de eeuwwisseling was niet meer 'plaats' het toverwoord maar 'tijd'. Zelf was hij het reizen ook zat. In samenwerking met kunstenaars begon hij lange marathoninterviews en -presentaties te houden. Conventionele locaties zoals het museum en de schouwburg gebruikte hij voor 'voorstellingen' die een etmaal door konden gaan.


Tegenwoordig werkt Obrist vast bij de Serpentine Gallery in Londen. Eén van zijn succesvolste ideeën daar was een jaarlijks wisselend openbaar paviljoen dat de Serpentine Gallery nu elke zomer neerzet - een idee dat eens goed door het Stedelijk bekeken zou moeten worden.


Hoe gaat zo'n vaste baan de rusteloze curator af, wil een toehoorder weten. Gewoon: van maandag tot donderdag op kantoor werken, zegt Obrist. En dan van vrijdag tot en met zondag onderzoek doen en reizen.


Dan bezoekt hij in een kwartier de twee tentoonstellingen in het Stedelijk Museum en verdwijnt in een taxi. Een bezoeker staat nog in de zaal uit te puffen en zegt: 'Ik heb spijt dat ik geen pen bij me had.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden