Goeie shit

Wereldberoemd werd hij met het inblikken van zijn eigen poep. Maar de jong gestorven kunstenaar Piero Manzoni deed veel meer. V ging in Frankfurt kijken naar zijn overige werk. Terecht dat hij alleen om zijn poep wordt herinnerd?

Beeldende kunst


Het zal je maar gebeuren. Je scoort tijdens je leven één gigantische hit en vanaf dat moment is je naam tot in de eeuwigheid verbonden met poep. Dat overkwam de Italiaanse kunstenaar van aristocratische afkomst Piero Manzoni.


Manzoni (1933-1963) produceerde in mei 1961 negentig conservenblikken. Hij drukte negentig etiketten, nummerde en signeerde ze. En hij vulde de blikken met, inderdaad, zijn eigen poep, om precies te zijn 30 gram per blik. In vier talen staat het erop: Merda d'Artista, Merde d'Artiste, Artist's Shit, Künstlerscheisse.


Poep en kunst, je moet tegenwoordig van goeden huize komen om met dit illustere duo nog roem te oogsten. Werkelijk alles wat met uitwerpselen en lichaamssappen te maken heeft, is de afgelopen decennia wel eens in een schilderij, video of happening terechtgekomen. Soms beeldschoon en doelbewust provocerend, zoals de olifantenpoep in de zwarte Holy Virgin (1996) van Young British Artist Chris Ofili. Vaker woest en smerig, als in het orgietheater van de Weense Actionisten.


Wat maakt de gesigneerde poepblikken van Manzoni anders en volgens velen even revolutionair als de gesigneerde pisbak van dada-kunstenaar Marcel Duchamp? En welke dienst heeft Manzoni de kunst bewezen door stront te verkopen als kunst?


In het private Städel Museum in Frankfurt is onder de titel Als Körper Kunst wurden een zeldzame overzichtstentoonstelling gewijd aan de autodidactische kunstenaar. Die toont dat Manzoni sinds zijn vroegtijdige dood door hartfalen - hij werd nog geen 30 - onterecht in de schaduw is geraakt van zijn Merda d'Artista. Manzoni was namelijk geen one trick pony. Zijn poepblik is onlosmakelijk verbonden met een speels oeuvre, waarin de kunst op allerlei manieren wordt beproefd en uitgedaagd.


In Frankfurt is meteen te zien wat Manzoni's poep in elk geval onderscheidt van bijvoorbeeld de ronduit onsmakelijke videowerken van de Amerikaanse Master of Dirty Paul McCarthy. Tien van de negentig blikken staan daar op een rij, en wat blijkt? Geen spoor van poep te zien of te ruiken. De blikken zijn opmerkelijk onooglijk en roestig, op het steriele af. Ze zijn dan ook eerder van belang als concept, als ludiek experiment, dan als sensationele, rauwe aanval op de destijds opkomende consumptiemaatschappij.


In Frankfurt blijkt ook hoe consequent Manzoni als kunstenaar heeft geopereerd. Eigenlijk bestaat zijn hele oeuvre uit twee groepen werken. In de eerste groep, de Achromes, tart hij de hooggeëerde schilderkunst, verkent hij de grenzen, spot hij met de basics. Niet voor niets heten zijn witte wandwerken geen monochromen, maar achromen. Ze zijn ontdaan van verf, kleur en doek en daarmee van de basiskenmerken van het traditionele schilderij.


Manzoni bouwde zijn werken op met pleister en Chinese klei. Ze zien eruit als ingelijste stukken muur, waarin sensuele kreukels en plooien of subtiele messneden zijn aangebracht. Later gebruikt hij stukken kunststof tapijt en andere materialen uit de alledaagse werkelijkheid.


Dat deze werken onmiddellijk associaties oproepen met de witte reliëfs van Nederlandse tijdgenoten als Jan Schoonhoven en Henk Peeters is niet toevallig. Manzoni bivakkeerde regelmatig in Nederland, onder meer bij galeriehouder en fan van de Nulbeweging Hans Sonnenberg. Manzoni maakte zelf deel uit van de Internationale Zero, opgericht in Duitsland, met handlangers in Frankrijk, Zwitserland en Italië. Deze kunstenaarsgroep wilde eind jaren vijftig de ballast van het verleden afwerpen, schoon schip maken, opnieuw beginnen. Niet langer streefden ze ernaar om in hun schilderkunst een mystieke, goddelijke wereld te verbeelden, als Mark Rothko en Barnett Newman.


Zij wilden de neutrale, alledaagse realiteit, waarbij het spel van licht en schaduw voor voortdurende verandering zorgt. Dat hun zoektocht symbolisch over de kunst heen reikte en maatschappelijk was verankerd, spreekt voor zich. Daar, in de werkelijkheid, waren de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog nog niet uitgewoed. Ook met die emoties moest worden afgerekend, om het evenwicht te herstellen, en nieuwe mogelijkheden een kans te geven.


Inmiddels is een groot deel van de Nulkunst achterhaald, verroest, vergaan. Schoonhoven ervaarde zijn spel met papiermaché en licht uiteindelijk als een keurslijf. 'Zwarte bouten monteren op een vlak van rood was zo'n leegte. Ik heb daarna jaren niet kunnen schilderen', zei Nulkunstenaar Armando in een interview met deze krant. De zoektocht naar een neutrale realiteit leidde meer naar dood spoor dan naar een nieuw begin.


Ook Manzoni dankt zijn roem niet aan zijn Achromes. Dat zijn nu vooral fraaie, historische relikwieën. Het geheim en zijn kracht schuilen in zijn tweede groep werken. Daarin gaat hij een essentiële stap verder. Niet langer morrelt hij aan de grenzen van de schilderkunst. Onder invloed van zijn grote inspirator Yves Klein verlaat hij de museumwand. Zoals Klein in performance-achtige optredens naaktmodellen door blauwe verf laat rollen, zo zoekt Manzoni directe toenadering tot zijn publiek. Daarbij richt hij zijn pijlen meer dan Klein op de fundamenten van de kunst. En van de kunstenaar. Want die bepaalt wat kunst is. Althans, dat is de veronderstelling waarmee Manzoni aan de slag gaat.


Hij timmert taps toelopende kistjes, plakt er voetafdrukken op, nodigt het publiek uit om plaats te nemen op de door hem als magisch betitelde sokkels en voilá, het wonder geschiedt. Wie op de sokkel staat is niet alleen mens, maar ook levend beeldhouwwerk.


Hij signeert met guitige blik naaktmodellen, vrienden en bekenden, geeft ze een certificaat van authenticiteit, met hetzelfde effect. Zelfs de wereld heeft Manzoni tot kunstwerk verklaard, door voor haar een sokkel te maken, de socle du monde. Het idee is nog altijd even geestig en eenvoudig als briljant, omdat het werkt. Wie het hoofd kantelt, om de op hun kop op de roestige kubus bevestigde letters te lezen, ziet de wereld inderdaad op een voetstuk staan.


En verder peutert Manzoni aan de wortels van de kunst. Na de sokkel en de handtekening arriveert hij bij de kunstenaar. Want als de kunstenaar bepaalt wat kunst is, wat bepaalt dan de kunstenaar? Het antwoord: het leven zelf, in de vorm van zijn adem, zijn bloed, zijn voedsel en uiteindelijk ook zijn excrementen.


En dus vult Manzoni ballonnen met zijn adem - de halfvergane en verdroogde exemplaren liggen in Frankfurt - en verkoopt ze als kunst. Als Jezus Christus deelt hij hardgekookte eieren waarin zijn vingerafdruk staat geprent. Hij vult blikjes met poep en is van plan van zijn bloed een beeldhouwwerk te maken. Dat laatste is er niet meer van gekomen.


En het publiek hapt toe. Het laat zich signeren, koopt een bewijs van authenticiteit, betaalt, zoals Manzoni heeft bedacht, de dagprijs van goud voor een blikje poep. En zo krijgt hij de dubieuze eer om de heilige kunstenaar van zijn voetstuk te halen en hem te ontmaskeren als mens van vlees en bloed. En tegelijkertijd aan te tonen dat die kunstenaar inderdaad de alchemist is die poep kan veranderen in goud, en alles wat hij aanraakt kan veranderen in kunst.


Dat alles anders moest aan het eind van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig, dat de kunst opnieuw zijn plek moest vinden in een woelige maatschappij, is natuurlijk niet alleen Manzoni's verdienste. Rond hem en zijn korte kunstenaarsbestaan floreerden de bewegingen en pamfletten. Nul was nog niet gelanceerd of Fluxus, de Internationale Situationisten en zelfs het Destructivisme zagen het licht. Allemaal streefden ze min of meer naar hetzelfde, zoals in elke willekeurige verzameling van manifesten valt te lezen. Ze wilden de kunst van zijn glamour en verheven status ontdoen, democratiseren, de kloof tussen kunst en leven dichten.


Wat dat betreft is het jammer dat Manzoni in het Städel als een geïsoleerde held wordt getoond. Dat hij daar de eer krijgt het startschot te hebben gegeven van een hele reeks stromingen na hem, van conceptuele kunst tot performancekunst, is dan ook te veel van het goede. Eerder is hij een overgangsfiguur, die soms net een stapje verder ging dan tijdgenoten, en daarmee talrijke sporen in de kunstgeschiedenis heeft achtergelaten.


Zonder zijn magische sokkels geen Gilbert & George, die zichzelf op de trappen van het Stedelijk Museum Amsterdam uitriepen tot levend kunstwerk. Zonder zijn plan een kunstwerk te maken van zijn eigen bloed, geen Marc Quinn die een zelfportret boetseerde, met vier liter van zijn eigen, bevroren bloed. Sowieso hebben de Young British Artists, onder wie Damien Hirst, goed naar Manzoni gekeken. Hirsts kleurige strandbal, die danst op een eindeloze stroom lucht, is zelfs rechtstreeks gejat van een kinetisch werk van Manzoni.


Dat desondanks het poepblik is uitverkoren om als zijn belangrijkste verdienste de geschiedenis in te gaan, is begrijpelijk. Hij ging tenslotte verder dan Duchamp, die de pisbak het museum in haalde, terwijl Manzoni zijn blik als kunst de wereld instuurde. Zoals het ook begrijpelijk is dat zo'n onooglijk blik op veilingen nog altijd ruim 60 duizend euro oplevert, zelfs terwijl nog altijd niet duidelijk is of er ook echt inzit wat erop staat. Zo krachtig en begrijpelijk is het beeld, nog altijd zo provocerend, dat het zich in elk hoofd kan nestelen.


Toch is het zeer de vraag of Manzoni de kunst op dit moment van de geschiedenis een dienst heeft bewezen. Destijds was het een noodzaak te zagen aan de fundamenten van de gevestigde orde. Inmiddels is het geloof in kunst en in een kunstenaar zo diep gedaald, dat we geen sterke beelden nodig hebben om de waarde van kunst te ondermijnen, maar juist om die waarde weer opnieuw te bewijzen.


De opgave voor de hedendaagse kunstenaar is precies omgekeerd: niet laten zien dat kunst net zo gewoon is als stront, maar laten zien dat kunst net zo bijzonder is als goud.


Of je in poep gelooft?


Poep, of geen poep. Die kwestie houdt de gemoederen al jaren bezig. Heeft Manzoni zijn blikken Merda d'artista in 1961 inderdaad gevuld met zijn eigen feces? Kan niet, zegt de Belgische kunstenaar Wim Delvoye. Want dan zou het blik vanwege vrijkomende gassen allang zijn geëxplodeerd. Echt wel, zegt familie van Manzoni. 'Wij hebben hem het toilet uit zien komen.' Om aan alle rumoer een einde te maken, heeft de Franse kunstenaar Bernard Bazile in 1989 een van de negentig blikken geopend. In Frankfurt te zien: in stof verpakte, drolachtige vormen neergevleid in een bedje watten. Als dit poep is, dan versteend. Mysterie opgelost: het is een illusie. Of toch niet? 'Er kan shit in zitten', zegt curator Martin Engler, die op Manzoni is gepromoveerd. 'Althans, ik geloof erin.'


Als Körper Kunst wurden, Städel Museum Frankfurt, t/m 22/9, staedelmuseum.de

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden