Goedkope teksten in dure tijdschriften

In een luchtig tijdschrift las ik een zin die me een dag lang niet meer losliet. Ik las: ‘Geen enkel ander kledingstuk wordt zo dicht bij het lichaam gedragen als een sportbeha.’..

Ook de rest van de rubriek ging over sportaccessoires. Er waren schoenen te koop die de bilspier activeren en er werd een apparaat aangeprezen dat beschikte over dynamische inertie tegen zwabberarmen. En dan was er dus die sportbeha, die zo ongewoon dicht bij het lichaam werd gedragen.

Ik beschouw mijzelf als een lankmoedig mens. Iedereen moet zelf weten wat hij draagt en doet en denkt – zolang de onderliggende argumentatie klopt. Maar ik kan, en het verwondert mezelf ook, werkelijk razend worden als mensen dingen beweren die overduidelijk onwaar zijn. Dat verklaart ook de machteloze woede die in me opvlamde bij het lezen van die zin over die sportbeha. ‘Geen enkel ander kledingstuk’ Waarom schrijft iemand zoiets leugenachtigs op? Er zijn talloze kledingstukken die we minstens zo dicht op ons lichaam dragen als een sportbeha!

Het is natuurlijk gewoon een kwestie van geld, zoals meestal. Zo’n tijdschrift staat vol met flauwekul, omdat er niet lang over de tekst wordt nagedacht. Niemand die nog eens extra aandacht besteedt aan een statement over een sportbeha zodra dat eenmaal is opgeschreven, en dat maakt zo’n tijdschrift in meerdere opzichten goedkoop. Pas als je langer schaaft, wordt het geschreven woord duurder en exclusiever.

Al jaren verwonder ik me over goedkope teksten in dure tijdschriften, dat wil zeggen, in tijdschriften vol dure huizen, dure horloges, dure kleren en dure vrouwen. Juist de bladen die ook in crisistijd nog volop draaien op advertenties – ‘Betreed de wereld van natuursteen’, ‘Uw huid herinnert zich haar jeugd’ – moeten het doen met haveloze, sjofele verhalen. Terwijl de tijdschriften met de duurst geklede en best verzorgde teksten geen advertenties van makelaars en reisagentschappen meer weten binnen te slepen.

Die scheiding tussen geld en taal is tekenend voor de gevaarlijke misvattingen omtrent praten en schrijven. Luister naar de actualiteit en je ziet ogenblikkelijk dat verhalen een cruciale rol spelen in het bestaan: van een politicus op campagne die ‘abstracte zinnen bijschaaft tot iets echt Hollands’ tot de roep om een nieuw gezag ‘dat zijn bruikbaarheid kan uitleggen’. Je kunt maar weinig produceren, ontwikkelen, verzinnen of in gang zetten zonder dat je daarbij een verhaal moet vertellen. En toch wordt aan het verhaal nooit geld uitgegeven.

De geringe economische waarde van het woord hangt samen met de geringe waardering voor het ongrijpbare in het algemeen. De componist Merlijn Twaalfhoven schreef onlangs bezorgd in NRC Handelsblad dat de gevoelens zijn verbannen naar concertzaal en museum. Voordat die gebouwen er überhaupt waren, maakte kunst deel uit van het alledaagse bestaan, in de vorm van rituelen waaraan iedereen iets kon beleven. ‘Maar inmiddels hebben we niet meer zo’n behoefte aan rituelen. We gebruiken onze hersenen om de wereld om ons heen te verklaren, en we laten het aan professionals over om gevoelens uit te drukken. Dit noemen we kunst.’

Het woord, de emotie, de schoonheid: ze zijn in ballingschap gegaan, ver van de werkelijke wereld waar de volwassen mensen wonen. Ze hebben onderdak gevonden bij de kunst, en kunst is nu eenmaal iets waarmee volwassen mensen zich alleen bezig houden in hun vrije tijd. Het ligt, zegt Schoonhoven, aan onze hersenen, en daarmee sluit hij aan bij de filosoof Willem Dijkhuis, van wie ik nog altijd een oud citaat bewaar in mijn knipselmap.

Het wantrouwen ten opzichte van kunst, schreef Dijkhuis, is ontstaan door de opmars van de wetenschap. Vanaf de 17de eeuw begonnen wetenschappers hun taal te versoberen, wat uiteindelijk leidde tot de verdorring en het ‘ingewijden-gemompel’ dat we kennen. Was een tekst mooi, las je hem met plezier, dan was er vanaf dat moment sprake van kunst. En dat etiket ‘kunst’ was geen aanbeveling, want de tekst had daarmee afgedaan als ‘onderwerp voor het vormen van mijn denken over empirische wetenschap en wijsbegeerte’.

Schoonhoven en Dijkhuis beschrijven eensgezind de twee nadelen die kleven aan de verbanning van schoonheid naar de kunst. Aan de ene kant ontstaat er kaalslag in de wetenschap en in het dagelijks leven; aan de andere kant komt er onverschilligheid op ten opzichte van literatuur en kunst. Je hoeft kunst niet serieus te nemen, want die behoort tot de wereld van de vrije tijd. En zo, doordat we steeds gewichtiger worden in onze dagelijkse bezigheden, zijn we niet meer in staat de belangrijke dingen serieus te nemen.

Bij het lezen van mijn glossy tijdschrift, deze week, bedacht ik wat je nog kunt toevoegen aan deze analyse. Verhalen behoren beslist ook tot de belangrijke dingen die ons leven beïnvloeden, maar waarvoor nauwelijks serieuze aandacht bestaat. Toch komt de grootste bedreiging hier volgens mij niet zozeer van de wetenschap, maar van de markt. Aan de glossy’s kun je zien dat aan tekst geen economische waarde wordt toegekend; daardoor worden de verhalen waarmee we ons leven inrichten steeds goedkoper.

De cabaretier gieren iedere keer de zenuwen door de keel als hij moet optreden, schrijft de glossy. ‘Dat lijkt alleen maar erger te worden, want je begint altijd bij nul’, is zijn kritische noot.’ En daar staat dan je advertentie van je dure restaurant met Michelinster pal naast. Ik zou geen hap meer door mijn keel krijgen, is mijn kritische noot.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden