Goede zorg kweekt zwakke harten

Naarmate de medische sector beter op hartproblemen let, wordt de groep groter die ooit aan hartfalen zal lijden. De huisarts moet beter gaan opletten....

CARDIOLOGISCH Nederland zit met een lelijke paradox. Naarmate de behandeling van acute hartaandoeningen zoals het hartinfarct verbetert, en risicofactoren voor hartvaatziekten, zoals een hoge bloeddruk, met medicijnen beter in de hand gehouden kunnen worden, stijgt het aantal patiënten dat lijdt of overlijdt aan een zwak hart: hartfalen. Tussen 1980 en 1993 steeg het aantal patiënten dat in een ziekenhuis werd opgenomen wegens hartfalen van ruim 14 duizend naar 26 duizend per jaar.

Het lijkt alsof er een verschuiving gaande is van de acute hartdood op jongere leeftijd naar een uitgesteld overlijden aan het hart op oudere leeftijd. Al lopen patiënten met hartfalen eveneens een hoog risico op plotse hartdood.

Dat laatste blijkt onder meer uit het proefschrift waarop de epidemioloog dr. Ben Cost afgelopen woensdag aan de Erasmus Universiteit Rotterdam promoveerde.

Hartfalen is een aandoening die gekenmerkt wordt door een verminderde 'slagkracht' van de linkerhartkamer en/of een verminderde souplesse van de linkerboezem van het hart. Het hart pompt minder bloed rond dan normaal of wenselijk is, en de patiënt krijgt last van vochtophoping in het lichaam ('vocht in de benen' of 'vocht achter de longen'). Hij of zij krijgt het vaak snel benauwd, zeker als er lichamelijke inspanning moet worden geleverd.

De hartaandoening is bepaald niet zeldzaam; zeker met de toenemende vergrijzing lijden er steeds meer patiënten aan. Maar merkwaardig genoeg zijn er maar weinig concrete cijfers over het vóórkomen van hartfalen beschikbaar. Een recent onderzoek onder ruim 5500 inwoners van de Rotterdamse wijk Ommoord van 55 jaar en ouder komt op een totaal van 3,9 procent.

Cost gebruikte dezelfde onderzoekspopulatie om meer inzicht te krijgen in hoe vaak de aandoening optreedt. In de onderzoeksperiode april 1995 - april 1996 werd bij gemiddeld 13,2 per duizend personen hartfalen gediagnostiseerd.

Er was daarbij sprake een scherpe toename met de leeftijd: van 2,1 per duizend in de leeftijdscategorie van 55 tot 64 jaar, via 9,4 per duizend bij mensen boven de 65 naar 43,6 per duizend onder de 85-plussers.

Cost keek ook naar de overlevingskansen van de patiënten met hartfalen in de Rotterdamse onderzoekspopulatie. Hij bevestigt het sombere beeld van de prognose van hartfalen: één jaar na het stellen van de diagnose is nog 90 procent van de patiënten in leven, na twee jaar is dat gedaald tot 80 procent en na vijf jaar tot 60 procent.

Hartfalen is, al met al, een ernstige, levensbedreigende aandoening waar steeds meer mensen aan zullen gaan lijden. Een vroege diagnose en het instellen van de juiste behandeling met diverse soorten medicijnen zou deze trend wellicht kunnen keren. Maar, zo constateert Cost in zijn proefschrift, daaraan schort in Nederland nog het een en ander.

Zo wordt de diagnose hartfalen nog meestal door de huisarts gesteld, op basis van vrij summier onderzoek - het verhaal van de patiënt (de anamnese) en de aanwezigheid van enkele kenmerkende symptomen, zoals benauwdheid of vocht in de benen.

Cost constateert dat in Rotterdam in de periode 1991-1997 minder dan de helft (47 procent) van de patiënten bij wie de huisarts hartfalen vaststelde of vermoedde, naar de cardioloog werd doorgestuurd voor nader onderzoek. Ook stelt hij vast dat maar de helft van de patiënten met zogeheten ACE-remmers werden behandeld, naast 'plaspillen' en digoxine de beste medicijnen, die ook in de richtlijn over hoe te handelen bij hartfalen worden aangeraden.

Een cardiologisch onderzoek bij patiënten bij wie hartfalen wordt vermoed, kan snel uitsluitsel bieden. Met behulp van echocardiografie en met een nieuwe bloedtest op de aanwezigheid van bepaalde neurohormonen in het bloed, zoals de natriuretische peptiden (ANP en BNP), kan de diagnose met meer zekerheid worden gesteld.

Helaas, constateert Cost, is echocardiografie voor de diagnose van hartfalen in Nederland nog geen gemeengoed. Huisartsen beschikken niet over de apparatuur en de cardiologen die die wel hebben, hebben het vaak te druk om de huisarts die een patiënt doorstuurt, meteen van dienst te kunnen zijn, aldus Cost. Een alternatief zou de bloedtest kunnen zijn. Die is betrekkelijk goedkoop (vijftig gulden) en helpt de huisarts even goed om de juiste diagnose te stellen, zo blijkt uit het onderzoek van Cost.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden