Goed idee!

Het werk van Lawrence Weiner en andere conceptuele kunstenaars uit de jaren zestig draaide om - juist - het concept. Dat er ook iets moois uit voortkwam, laat een expositie van Weiner in het Stedelijk Museum zien.

Of ik nog even de tentoonstelling in het Stedelijk wilde komen bekijken, voor de opening? De medewerkster van het museum had natuurlijk gelijk. Hoe kun je schrijven over het werk van een kunstenaar als je het niet in werkelijkheid hebt gezien? Het geldt voor alle kunstenaars. Iedereen. Op één na: Lawrence Weiner (71), conceptueel kunstenaar te Amsterdam.


Vanaf komend weekeinde heeft de geboren Amerikaan een overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Een voorbezichtiging was zeker op zijn plaats geweest. Maar toch. Had hij niet zelf in 1968 de drie befaamde regels geschreven, die sindsdien gelden als het adagium voor conceptuele kunst:


1. De kunstenaar mag het werk maken.


2. Het werk mag worden uitgevoerd.


3. Het werk hoeft niet te worden gebouwd.


Voor de hand liggende conclusie uit Weiners woorden: als hij meent dat zijn werk niet hoeft te worden uitgevoerd, waarom zou ik me dan verplicht voelen om te komen kijken? En bovendien, had het museum mij niet reeds de catalogus toegestuurd? Daar stonden alle werken al in. Op miniformaat weliswaar, maar toch. Wie de woorden van Weiner serieus neemt, kan net zo goed thuisblijven en door het goed gedocumenteerde boekwerk bladeren.


Conceptuele kunst, de kunststroming uit de jaren zestig en zeventig, waarvan Lawrence Weiner een van de belangrijkste woordvoerders was (en nog altijd is), is altijd onderhevig geweest aan een sterke beeldvorming. Misschien wel te sterk. De kunstenaars lieten zich er namelijk, in werk en geschrift, uitdrukkelijk op voorstaan met maar één ding bezig te zijn geweest: het idee. Een concept. Gedachte. Uitgevoerd op een betikt A4-tje. Een handgeschreven notie. In de vorm van een geschilderde datum. Een bestempelde postkaart. Nauwelijks iets meer. Het scheen genoeg te zijn.


Je kunt je afvragen of dat wel zo was.


Zeker, het waren doorgaans tijdelijke projecten, verpakt in efemere verschijningsvormen. Zo verstuurde Jan Dibbets in 1969 uitnodigingen, waarin hij de plaats en tijd aankondigde waarop hij, ergens in Amsterdam, zijn duim zou opsteken. Stanley Brouwn maakte er in hetzelfde jaar melding van dat hij een wandeling zou gaan maken van 'A naar B'. De Japans-Amerikaanse kunstenaar On Kawara hield jaren bij wie hij ontmoette, welke kranten hij las en hoe laat hij opstond. De Duitse Hanne Darboven experimenteerde met algoritmische formules, opgetekend in getallenreeksen en variaties van letters en woorden. De Brit Richard Long liep net zo lang over een grasveldje totdat er een rechte lijn van platgetreden gras ontstond (die daarna weer overwoekerd raakte).


En ja, dan is er de Amerikaanse meester van het conceptualisme zelf, Lawrence Weiner. Inmiddels 71, maar still going strong. Het Stedelijk laat nu een overzicht van zijn 'werken op papier' zien. Kleiner werk dat aan de basis ligt van de grotere taalschilderingen waarmee hij beroemd werd.


Wat hij maakt, is niet in een paar woorden uit te leggen - hoewel Weiner zelf in zijn leven meer woorden dan elke andere conceptkunstenaar heeft gebruikt. De eenvoudigste beschrijving is deze: Weiner tekent woorden als grammaticale variaties. De wisseling van een enkele letter kan een gigantische verschuiving veroorzaken in betekenis. Zoals de verandering van een enkel woord de betekenis van een zin drastisch zal wijzigen: 'what you give' of 'what you get'. Je wist al wel dat het zo werkte, maar Weiner maakt de elementaire logica zichtbaar.


Al die conceptuele kunstwerken - het waren natuurlijk vreemde, gekke en, toegegeven, soms totaal onbegrijpelijke initiatieven. Tegelijkertijd hadden ze iets prikkelends. Het week af van alles waar de kunst tot dan toe voor stond. Vluchtig, ongebonden, alternatief en ludiek, zoals dat destijds heette. Soms was het een tekst omwille van de tekst alleen. Soms een voornemen voor een expositie. Een aanwijzing voor een handeling die overal kon plaatsvinden. In de woestijn van Utah, een Londens park, op een Amsterdams balkon of (ook dat) aan de muren van een museum. De geest waaide alle richtingen uit.


Historisch gezien valt de beweging, vermaard geworden in Amerika en West-Europa, onder een grotere noemer: 'De ontmaterialisering van het kunstobject'. Lucy Lippard muntte de typering in 1968. De Amerikaanse kunsthistorica zag in de kunst van de jaren zestig een karakteristieke, nieuwe constante. Kunstenaars organiseerden projecten en maakten kunstwerken die feitelijk nauwelijks nog uit iets substantieels bestonden. 'Met een bijna exclusieve nadruk op het denkproces (...) waardoor het object geheel in onbruik raakte', zo schreef Lippard. Geen nadruk dus meer op verf, marmer en hout, maar op drukinkt en hersenenergie. Of zoals de Amerikaan Ed Ruschka de nieuwe kunstvorm zou samenvatten: 'Een kunstwerk bestaat, in essentie, in je hoofd'.


Niet-gematerialiseerde kunst was de ultieme uiting van vrijheid, zo werd het door critici verkondigd. Kunstenaars hoefden zich geen zorgen te maken over hoe een werk eruitzag, meenden ze zelf. De gedachte zou zich vrij kunnen vormen. Elke gedachte. Het was typisch een jarenzestighouding, waarin iedereen zich van de loden last van het verleden wilde bevrijden: de zompige jaren vijftig, de naoorlogse terugkeer van het gezag, de autoriteit van wat Goede Kunst was en de vanzelfsprekendheid dat kunst enkel uit schilderijen en sculpturen bestond, die door echte, verantwoorde en kunsthistorisch te verifiëren kunstenaars werden gemaakt.


Daartegenin ontstond de veronderstelling dat kunst voor iedereen was. Door iedereen bedacht kon worden. En van niemand meer het eigendom was. Kunst verscheen in gestencilde oplagen. Werd per post verstuurd. Telegrafisch medegedeeld. Of zoals galeriehouder Seth Siegelaub destijds zei: 'Vroeger kostte het jaren om een kunstwerk van New York naar Europa te transporteren. Nu is een telefoontje genoeg.' Hoe het werd uitgevoerd was van minder of geen belang, zoals de stelregel van Weiner in 1968 luidde.


Toch is er al geruime tijd een kentering te bespeuren: er zijn ook andere manieren om het conceptualisme te bekijken. Dat conceptuele kunst niet alleen bestaat uit ingewikkelde taalspelletjes en intellectuele hoogstandjes die je enkel kan lezen. Maar waarnaar je ook kan kijken of zelfs van kan genieten. Juist vanwege de manier waarop het is gemaakt. Want, hoe kan iemand menen een kunstwerk te maken, maar tegelijkertijd géén aandacht besteden aan de drie basisprincipes die eeuwenlang aan de kunst ten grondslag hebben gelegen: kleur, vorm en materiaalgebruik?


De veranderende opvatting sluit aan op recente publicaties die de terugkeer van de ambachtsman of -vrouw belichten. NRC-criticus Hans den Hartog Jager schreef het boek Verf. Volkskrantrecensente Sacha Bronwasser het epistel Zo werken wij. De Amerikaanse 'arbeidssocioloog' Richard Sennett de bestseller The Craftsman. Alle drie benadrukken ze het beeld dat kunst een vak is voor mensen met ogen en handen. Handen die linnen opspannen, verftubes uitknijpen, een videocamera vasthouden en boomstammen verzagen. Ogen die beoordelen of een compositie goed is en een zaagsnede op maat is uitgevoerd.


Het recentst is een geschrift van Cornel Bierens. Titel: De handgezaagde ziel. Bierens ziet de afgelopen jaren een herontdekking van het handwerk en een eerherstel van de ambachtelijke kunst, waarin nog echt geschilderd en gebeeldhouwd wordt. Ook als reactie op de 'heiligverklaring van ideeën en theorieën', zoals die met name door de conceptualisten werd uitgedragen.


En inderdaad, wie het werk van de conceptkunstenaars nog eens bestudeert, zal het beamen. Want hoezeer ze zich ook als ideeënmakers presenteerden, er zit wel degelijk een beeldende kant aan hun werk.


Al twintig jaar geleden richtte het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam een tentoonstelling van On Kawara in, waarin opvallend veel aandacht aan de schilderkunstige kwaliteiten van zijn oeuvre werd besteed. Kawara schildert sinds 1966 (bijna) dagelijks een doekje met de datum van die dag. Een eenvoudig uitgangspunt, met een duidelijk conceptuele inslag. Het voornemen lijkt belangrijker dan het resultaat. Toch zien zijn schilderijen er oogstrelend uit. En zijn ze ontstaan als resultaat van urenlang monnikenwerk. Hoe hij iedere dag een andere kleur kiest voor de achtergrond. Hoe hij de verflagen geduldig, een voor een, op het linnen penseelt. Waarna hij eindeloos pielt op de juiste vormgeving van de witte datering.


Hetzelfde geldt voor het werk van anderen uit het conceptuele kamp. Richard Long mag dan jarenlang lijnen in het gras hebben gewandeld, hij is ook niet te beroerd karrevrachten stenen in cirkels te leggen of gigantische schilderingen van modder te maken. Jan Dibbets maakt al sinds jaren glas-in-loodramen naar minimalistisch ontwerp.


Het geldt ook voor Lawrence Weiner. Kijkend naar zijn woordschilderijen zie je plots allerlei concrete beelden in je fantasie opduiken. Zoals in de regels 'dust + water put somewhere between the sky & the earth' of 'placed on the top of a wave'. En daarbij, hoeveel ambachtelijkheid, aandacht en precisie besteedt de baardige Amerikaan niet aan de vormgeving van zijn teksten? Met krullerige onderlijningen, elementair (soms zelf Mondrianesk) kleurgebruik, hoekige letters en grafische interpuncties. Alles uitgevoerd met sjablonen en plakletters of in een gekalligrafeerd handschrift. Losjes gecomponeerd in collages, voorzien van dansende vierkanten, cirkels en driehoeken, pijlen en muzieknoten. Het doet je denken aan constructivistische kunst, De Stijl en de frivoliteit van reclameborden.


Reden genoeg om Weiner dankbaar te zijn dat hij niet aan zijn eigen stellingen heeft vastgehouden. Want je mag wel blij zijn dat hij zijn werk uiteindelijk toch heeft uitgevoerd. Wat tegelijkertijd bewondering en twijfel veroorzaakt: had ik zijn tentoonstelling toch niet eerst moeten bekijken?


Stedelijk Museum, Amsterdam. 21/9 t/m 5/1. stedelijk.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden