Godsdienstvrijheid ontsiert de grondwet

De godsdienst van de heilige schrift is per definitie totalitair, en verdient geen bijzondere bescherming...

Sinds de PVV is aangeschoven bij Verhagen en Rutte gonst het op fora en in ingezonden brieven steeds luider over aard en strekking van artikel 1 van de grondwet. Deze discussie is begrijpelijk. Wilders, als spreekbuis van de vaderlandse onderbuik, wil dit artikel immers het liefst schrappen. Hoewel we dat niet zouden moeten willen, verdient het toch aanbeveling eens kritisch naar dat omstreden artikel 1 te kijken.

In de huidige vorm luidt de tekst: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’ Bij aandachtige lezing valt op dat ‘godsdienst’ prominent voorop staat in het rijtje discriminatiegronden. ‘Levensovertuiging’ komt pas op de tweede plaats. Opvallend is dat de ‘meetbaarheid’ van de gronden tot discriminatie toeneemt: het geslacht van iemand is objectief meetbaar – even afgezien van transgender-identiteiten. Ras wordt al moeilijker. Raszuiverheid bestaat wellicht bij koeien en kippen, maar gelukkig niet bij mensen.

Maar hoe objectiveerbaar is godsdienst? Zij maakt weliswaar deel uit van de trits klassieke grondrechten en heeft als zodanig artikel 1 van de grondwet gehaald, maar er rijzen verschillende vragen. Wat houdt godsdienstvrijheid precies in, waarom heeft men haar in een ver verleden gebombardeerd tot klassiek grondrecht en hoe verhoudt zij zich tot de elders in de grondwet verankerde scheiding van kerk en staat?

Godsdienstvrijheid is het recht van elke burger om er onbewezen en onbewijsbare opvattingen omtrent een of meerdere fictieve opperwezens op na te houden, en dat in vrije vereniging en vergadering met elkaar naar buiten te brengen of te belijden.

De formulering van dit recht gaat terug tot de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring en de tijdens de Franse Revolutie ontstane Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger. Het is een typisch product van de Verlichting en moet dan ook gezien worden tegen de achtergrond van die tijd. Sinds mensenheugenis was godsdienst voor iedereen vanzelfsprekend en verplicht: vóór de Reformatie behoorde iemand hetzij tot de good guys (katholiek) of tot de bad guys (alle anderen), zoals daar waren joden, moren en ketters.

Na de Reformatie ontbrandde een concurrentiestrijd tussen Rome en de diverse protestantse denominaties. Mocht men verwachten dat het protestantisme toleranter zou zijn dan de club uit wier moederschoot het zich had losgemaakt, dan vergist men zich. Men zou kunnen spreken van een kartel: de Europese geloofsmarkt werd verdeeld. De scheidslijnen werden bepaald door het geloof van de vorsten of door politieke en economische factoren. De concurrentie bleef, en men bestreed elkaar. Het principe van godsdienstvrijheid werd vooral geformuleerd als een reactie op de geloofsdwang door kerkelijke en wereldlijke autoriteiten.

Nu doet zich het wonderlijke verschijnsel voor dat gelovigen hun respectieve opperwezen en diens beschikkingen volstrekt superieur achten aan de concurrenten van andere religies. Sterker nog, zij zijn geneigd die concurrenten veelal als ‘vals’ of als ‘afgoden’ te beschouwen. Dit overtuigd zijn van eigen gelijk dwingt hen ertoe om anderen van dat onbetwistbare gelijk te overtuigen. Weigeren deze ondankbaren te luisteren, dan zal de reactie afhankelijk zijn van de eigen getalspositie. Als (kleine) minderheid is men dan geneigd zich in eigen kring terug te trekken en halsstarrig te mokken over de verloedering van de samenleving. Verkeert men in een royale meerderheidspositie dan zal men niets achterwege laten om ‘de anderen’ al dan niet dwingend te overtuigen van het eigen gelijk.

De geschiedenis kent veel voorbeelden van dit mechanisme. Denk aan de omslag in de positie van de christenen aan het begin van de vierde eeuw, toen zij door toedoen van Constantijn de Grote van een vervolgde minderheid binnen korte tijd in een bevoorrechte positie werden geplaatst. Nog geen honderd jaar later was het christendom staatsgodsdienst en stelden Romeinse keizers – nog steeds bekleed met de waardigheid van pontifex maximus – de belangrijke eerste dogma’s van de kerk vast. De discriminatie van aanhangers van afwijkende leerstellingen kon beginnen. Voor het eerst zien we hier de fatale combinatie van macht en geloof: lange tijd hadden (wereldlijke) macht en godsdienst elkaar nodig, of maakten zij handig gebruik van elkaars mogelijkheden.

Ook in onze tijd zijn er voorbeelden te over: moslimstaten die andersdenkenden op allerlei wijzen hinderen en zelfs vervolgen, Israëlische kolonisten die de geschiedenis van hun volk lijken te zijn vergeten, Amerikaanse reli-fundo’s die in hun strijd tegen abortus zelfs niet voor terreur en moord terugdeinzen.

Godsdiensten – in elk geval die van ‘het Boek’ – zijn per definitie totalitair. Weliswaar is tolerantie bij tijd en wijle mogelijk zoals de Zuid-Franse samenleving tijdens de twaalfde en begin dertiende eeuw liet zien. Katholieken en katharen, joden en wat verdwaalde moslims leefden daar in redelijke harmonie met elkaar rond het grafelijke hof te Toulouse, totdat paus en inquisitie, Parijse machtshonger en cisterciënzer en dominicaner donderpreken roet in het eten gooiden, roet afkomstig van de brandstapels die de kruisridders lieten ontbranden in het land van troubadours en tolerantie: de Languedoc.

Jammer genoeg lijkt tolerantie jegens andersdenkenden soms meer ingegeven te worden door praktische, economische en politieke overwegingen dan door intrinsieke erkenning van het recht van de ander op zijn eigen opvattingen. Het Amsterdamse stadsbestuur in de Gouden eeuw heette vele verdreven joden van meer dan ganser harte welkom, niet zozeer vanwege sympathie met hun geloof, maar omdat onze regenten een scherp oog hadden voor het belang van de vele handelscontacten waarover de nieuwkomers beschikten. Terwijl hun katholieke stadsgenoten zich in schuilkerken moesten terugtrekken was de bouw van een synagoge geen enkel probleem.

Wie gelooft dat dit alles tot de verleden tijd behoort, komt bedrogen uit. Onze westerse wereld is weliswaar inmiddels bekeerd tot het principe van godsdienstvrijheid, maar in verre en minder verre buitenlanden worden nog steeds vrouwen gestenigd uit naam van Allah, of meent een staat die overtuigd is van zijn eigen uitverkorenheid vrouwen en kinderen voedsel en medische behandeling te mogen onthouden. Gelukkig leven wij in een vrij en democratisch land met respect voor de mensenrechten, denken we dan.

Maar is het niet zo dat ook bij ons wetgeving en moraal nog steeds doortrokken zijn van christelijke waarden en normen? Hoewel ik zelf geen enkele behoefte heb aan winkels die op zondag open zijn, erken ik van harte dat dat niet voor anderen hoeft te gelden. Elk normaal land gaat op zondag ter stembus, maar in Nederland hebben in een ver verleden confessionele elites op aandringen van hun geestelijke leidsmannen met elkaar afgesproken dat dat een onzalige schending van de obligate rust op de dag des Heeren betekende. Nog steeds mag ik niet hartgrondig in het openbaar vloeken, niet zozeer omdat het uitermate plat en onwellevend is – hetgeen ik beaam – maar omdat een zelf bij elkaar gefantaseerde Ome in den Hoge erdoor zou kunnen worden beledigd.

En wie gelooft dat judeo-christelijke invloeden op het dagelijks leven in deze tijd van secularisatie wel snel zullen afsterven zou eveneens bedrogen uit kunnen komen, zie het groeiende christelijke fundamentalisme in de Verenigde Staten.

Godsdienstvrijheid doet zich voor als een wolf in schaapskleren. Bedacht in de Verlichting, lijkt zij een zeer tolerant beginsel, triomf voor de Rede, geheel passend in de moderne tijd, waarin iedereen in alle vrijheid aan zijn eigen zieleheil mag sleutelen. Maar de aard van het beestje zal zich nooit verloochenen: zolang de zogenaamde Heilige Boeken vol staan van perverse gruwelijkheden bedoeld voor vermeende zondaars, godloochenaars en afvalligen blijft het gevaar bestaan dat achterlijke dwazen dit verwerpelijke gedachtegoed kapen en aan anderen trachten op te dringen.

Deze dreiging nu rechtvaardigt het onverwijld schrappen van het beginsel godsdienstvrijheid uit onze grondwet. Het is daar ook helemaal niet nodig, want in feite is het een gekunstelde optelsom van de twee andere klassieke grondrechten: vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vergadering. Deze bieden voldoende garantie dat elke gek zijn eigen gebrek kan koesteren. Parallel aan een dergelijke ingreep dient ook de vrijheid van onderwijs eindelijk afgeschaft te worden. Het kan niet anders dan in het parlement zijn waarin de onderwijsdoelen voor in Nederland verblijvende kinderen worden vastgesteld. En wie zijn kinderen desondanks toch religieus wil opvoeden heeft daartoe de volledige vrijheid. Maar dan wel thuis in de privésfeer.

Schrappen van het begrip godsdienstvrijheid uit de grondwet en de daaraan gekoppelde organieke wetgeving is de laatste schakel in het langdurige proces van scheiding van kerk en staat. Er gaat niets verloren. Middels het recht op vrije meningsuiting en vrije vereniging en vergadering blijft de belangrijkste rol van de staat bestaan: het garanderen van ieders geestelijke en lichamelijke integriteit, individueel of in groepsverband. Het gaat daarbij niet om de inhoud van opvattingen, maar om wat individuen en groeperingen ermee doen. Met religieuze groepsdwang (eventueel resulterend in geseling en steniging) dient een overheid onverbiddelijk af te rekenen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden