Reportage El Salvador

God helpt Salvadoraanse bendeleden te ontsnappen

Salvadoraanse bendes zijn meedogenloos en zeker voor spijtoptanten. Voor wie er levend aan wil ontsnappen staat maar een weg open: zich bekeren tot God. En dan wel oprecht.

In de Francisco de Gotera-gevangenis nemen ex-leden van de bende Barrio 18 deel aan een dienst in de gevangeniskerk. Beeld Gabriel Eisenmeier

‘Op je knieën!’ Het is duidelijk dat dominee Nelson Moz geen tegenspraak duldt. Op het kerkpodium knielen tien mannen, allemaal hebben ze vastgezeten voor moord en afpersing. ‘Hier kan de duivel jullie niet raken’, buldert Moz. Een van de mannen huilt, anderen werpen zich luidkeels biddend op de grond. ‘Maar o wee als je van het pad af raakt’, gaat de dominee verder. ‘Dan houdt Gods bescherming op. Dan wacht de dood.’

De mannen weten dat ze die woorden letterlijk moeten nemen.

Moz staat aan het hoofd van de Ebenezer kerk in de Salvadoraanse hoofdstad San Salvador. Zeven jaar geleden kreeg de 56-jarige dominee het verzoek van een goede vriend: of hij een ex-bendelid onderdak kon bieden. Het ging om Raúl Valladares, een man die een groot deel van zijn leven in gevangenissen heeft doorgebracht. Moz twijfelde. Destijds was zijn Baptistische Ebenezer kerk nog zeer gerespecteerd.

De dominee kende Valladares, net zoals vrijwel iedereen Valladares kent hier in achterstandswijk Dina. Moz wist dat de man meervoudig moordenaar was, en dat hij de lokale leider was van de meedogenloze criminele bende Barrio 18. Maar nu hoorde hij dat Valladares in de gevangenis God had omarmd, en dat hij na zijn vrijlating nergens terecht kon. Dus maakte Moz in het achterhuis van de kerk een bed op.

Toen de kerk de dag daarop vol stroomde met gelovigen, liep Moz de trap af achter het podium, naar de kamer van Valladares. ‘Kom de dienst bijwonen’, zei de dominee vriendelijk doch dringend. Valladares gehoorzaamde. Maar zodra de kerkgangers hem in het oog kregen, vulden hun gezichten zich met afgrijzen. Sommigen renden het gebouw uit, anderen bedekten de ogen van hun kinderen. Ze wilden hun kroost beschermen tegen ‘dat getatoeëerde monster’.

De kerk liep leeg, tot diepe teleurstelling en verdriet van de dominee. ‘Iedereen verdient vergiffenis’, vindt hij. Moz trekt zijn stropdas recht, en drapeert hem zorgvuldig over zijn perfect gestreken kaki overhemd. Hoewel de thermometer 35 graden aangeeft, is op het gezicht van de dominee geen zweetdruppel te bekennen. ‘Bendeleden hebben zich vergist in hun leven’, zegt hij. ‘Maar ze hebben recht op een tweede kans.’

De mannen leren hoe ze haar moeten scheren. Beeld Gabriel Eisenmeier

Lidmaatschap voor het leven

In El Salvador zijn naar schatting 64 duizend bendeleden actief, dat is veel op een bevolking van 6 miljoen. De bendes, of mara’s zoals ze lokaal heten, beheersen grote delen van het grondgebied, en verdienen hun geld met afpersing, roofovervallen, ontvoering en drugshandel. Ze maken piepjonge meisjes tot seksslaaf, persen op genadeloze wijze de bevolking af, en hakken de lichamen van slachtoffers in stukken. Veel jongens treden op jonge leeftijd toe tot de mara’s, soms gedwongen.

Nieuwe leden krijgen een diepe haat voor rivaliserende bendes bijgebracht, de gezamenlijke vijand vormt een belangrijk onderdeel van de groepsidentiteit. Door de naam van je bende op je gezicht en lichaam te tatoeëren, toon je loyaliteit. Het komt ook voor dat bendeleden voor straf gezichtstatoeages krijgen na regels te hebben geschonden. Gebruik van crack en cocaïne komt veel voor binnen de mara’s. Het is een manier om het moorden draaglijker te maken.

Lidmaatschap is voor het leven, en dat leven duurt vaak kort. Heel af en toe wordt een uitzondering gemaakt voor spijtoptanten, over het algemeen geldt dat de enige uitweg ‘tussen vier planken’ is. Maar er bestaat een manier om levend te ontsnappen: toetreden tot een strenge protestantse kerk.

Wie zich tot God bekeert, blijft lid van de mara, maar komt in een soort pauzestand. Een bijbel kopen en af en toe naar een dienst gaan volstaat daarbij niet, het is zaak een strikt religieus leven te leiden. Dus geen drugs en alcohol, geen seks buiten het huwelijk, en geen criminele activiteiten. De voormalige strijdmakkers houden het gedrag van de bekeerlingen nauw in de gaten.

Socioloog Robert Brenneman deed onderzoek naar dit fenomeen, en publiceerde de resultaten in Homies and Hermanos, God and Gangs in Central America. Uit zijn onderzoek blijkt dat voor bendeleden zowel God als de mara heilig is. Bendeleden hebben lak aan autoriteit, behalve die van hun leiders en die van God. ‘Iemand die een oprecht christelijk leven leidt, verdient respect’, schrijft de socioloog. ‘Maar een bekeerling die goddeloos gedrag vertoont, is een verrader en verdient de dood.’

‘Ware bekeerlingen vormen bovendien geen gevaar voor de bende’, aldus Brenneman. ‘Ze zullen niet toetreden tot een rivaliserende mara of als freelancer aan de slag gaan in de wapen- of drugshandel.’ Het is voor de leiders een veilige manier om iemands ontslag te accepteren. Voor bendeleden vormt de kerk niet alleen een uitweg uit de bende, maar ook een manier om van hun verslavingen af te raken en een gezinsleven te beginnen.

Steeds meer leden

Na de komst van Valladares in de kerk van Moz, volgden er snel meer bendeleden. Op dit moment wonen er elf mannen in het achterhuis, tijdens de diensten komen er soms wel honderd. ‘Ik heb hier een vrijstad opgericht’, zegt Moz in zijn preek, refererend aan de door Mozes gestichte vluchtelingenoorden in het Bijbelse Israël. Hij wendt zich tot de biddende bendeleden: ‘Hier zijn jullie veilig.’

Er stopt een auto voor de openstaande kerkpoort. De auto heeft getinte ramen en blijft met ronkende motor staan. De bekeerde bendeleden schieten direct in hun oude reflexen. Razendsnel draaien hun hoofden naar de deur, de ogen wantrouwend, het lichaam in opperste staat van alertheid. Sommige handen grijpen naar de plek waar vroeger een pistool zat. Pas als de auto verder rijdt, concentreren ze zich weer op de preek. Even later, tijdens het zingen, gooien ze euforisch de armen in de lucht.

De mannen dragen nette overhemden en hebben een bijbel in de handen geklemd, maar op hun gezichten staat hun verleden geschreven. Met hanepoten zijn de namen van de bendes op voorhoofd en wangen getatoeëerd: Mara Salvatrucha (kortweg MS-13), en de twee facties van de Barrio 18: de Revolucionarios en de Sureños. ‘God houdt van jullie’, zegt Moz. De mannen stralen, evenals hun in de kerk aanwezige echtgenotes, kinderen en moeders.

Oudleden van de bende Barrio 18 doen mee aan een religieuze dienst van de kerk in de gevangenis. Beeld Gabriel Eisenmeier

‘Het is lastig voor die jongens om een nieuw leven op te bouwen’, vertelt Moz na afloop van de dienst. Hij gaat op een witte plastic stoel zitten, onder een ratelende ventilator. ‘Ze worden uitgekotst door de maatschappij, ze hebben geen alternatieven.’ Buiten steekt iemand een barbecue aan, de geur van gegrild vlees verspreidt zich door de kerk. ‘Als ze toch de fout in gaan, worden ze vermoord’, aldus Moz. ‘Dat gebeurt regelmatig.’

Valladares (35) is naar buiten gelopen en zit tegenover de kerk op een muurtje. In zijn gezicht zijn de meeste tatoeages al flink vervaagd. Het dollarteken op zijn wang is veel minder zichtbaar dan toen hij zeven jaar geleden uit de gevangenis kwam. ‘De behandeling doet ontzettend pijn’, aldus de oud-bendeleider. ‘Het is alsof ze zuur op je gezicht gooien.’ Valladares wrijft over zijn voorhoofd, waar nog altijd een kraakheldere eighteen op staat. ‘Die krijgen ze niet weg’, mompelt hij. ‘De inkt zit te diep.’

Als hij de straat op gaat, probeert Valladares de eighteen met make-up te verhullen. Soms hebben mensen hem door, dat ziet hij direct aan de paniek in hun ogen. ‘Vroeger genoot ik van die angst’, zegt hij. ‘Ik kon met een enkele blik terreur zaaien, dat gaf een groot gevoel van macht.’ Nu wendt hij schaamtevol zijn ogen af als hij voelt dat voorbijgangers kijken. ‘Ik weet dat ze me haten. God heeft me vergeven, maar de samenleving niet.’

Invloed van de VS

De angst die Valladares’ verschijning oproept, is wijdverspreid. Niet alleen in El Salvador, ook in Guatemala en Honduras terroriseren mara’s de bevolking. Hun nietsontziende geweld is de belangrijkste reden dat honderdduizenden Midden-Amerikanen hun boeltje pakken en noordwaarts trekken. Ze vluchten voor hun leven.

‘Het zijn allemaal criminelen’, vindt Donald Trump. De Amerikaanse president wil een hoge grensmuur opwerpen om de migranten buiten te houden. Eind vorig jaar liet hij veiligheidstroepen traangas afvuren op Salvadoranen en Hondurezen aan de grens. Een traumatische gebeurtenis voor mensen die op de vlucht zijn voor geweld. Wat Trump bovendien in zijn tirades verzwijgt, is dat de ontstaansgeschiedenis van de mara’s deels is geschreven door de VS.

Van oudsher mengen de VS zich actief in binnenlandse aangelegenheden in hun ‘achtertuin’. Gedurende de hele vorige eeuw hielpen ze rechtse leiders in het zadel en ze zijn daarvoor rijkelijk beloond: Amerikaanse bedrijven hebben vrij spel, profiteren van de spotgoedkope arbeidskrachten en betalen nauwelijks belasting. Zodra een linkse politicus op het toneel verscheen en zich hard maakte voor eerlijkere landverdeling of betere arbeidsrechten, grepen de VS in.

De extreme armoede en ongelijkheid, en het gebrek aan mogelijkheden om daar op democratische wijze iets aan te veranderen, brachten in de tweede helft van de vorige eeuw linkse guerrillabewegingen op de been. De VS hielpen wrede dictators in hun strijd tegen de guerrilla, trainden militairen, doodseskaders en paramilitairen, en keken toe hoe de regimes honderdduizenden burgers over de kling joegen.

De oorlogen brachten een grote vluchtelingenstroom op gang. Veel van de migranten belandden in achterbuurten van Los Angeles waar toen al verschillende straatbendes actief waren. Ongedocumenteerde Salvadoraanse jongeren zagen in de bendes een mogelijkheid om geld te verdienen. Een deel van hen sloot zich aan bij Barrio 18, anderen richtten concurrent Mara Salvatrucha op. Zo is de bendeoorlog geboren.

In 1993 besloot Amerika bendeleden te gaan deporteren, in El Salvador was toen net een vredesverdrag getekend. Tussen 1993 en 2004 stuurden de VS 50 duizend mara’s naar Honduras, Guatemala en El Salvador. In de straatarme landen met hun gammele democratieën en wijdverspreide corruptie, gedijen de bendes nog beter dan in de VS. In de Midden-Amerikaanse sloppenwijken waren toen al wel jeugdbendes actief, maar die waren relatief onschuldig.

De gedeporteerde jongens maakten indruk met hun mooie schoenen en Amerikaanse straattaal, ze rekruteerden met gemak de lokale jongeren. ‘Ik keek enorm tegen ze op’, vertelt Valladares, die 10 jaar oud was toen de eerste jongens uit Los Angeles verschenen. ‘Ik hing voor die tijd ook al op straat rond, thuis werd ik mishandeld’, gaat hij verder. ‘Ik begon met crack roken, en wilde niets liever dan bendelid worden.’

Het is een veelgehoord relaas. In El Salvador en andere Midden-Amerikaanse landen groeien maar weinig kinderen op in een stabiele omgeving. Door jaren van massamigratie zijn veel families verscheurd, en de brute burgeroorlogen hebben diepe littekens geslagen in de samenlevingen. Huiselijk geweld is eerder regel dan uitzondering, veel kinderen lopen al op jonge leeftijd van huis weg. De bende biedt een nieuwe familie.

Maar wel een familie met strenge omgangsnormen. Het is moorden of vermoord worden, meisjes moeten zich verplicht seksueel onderwerpen aan mannelijke bendeleden. Hoe harder je je voordoet, hoe meer respect het oplevert, hoe hoger je opklimt in de hiërarchie. Valladares schopte het tot leider van de wijk Dina. ‘Ik heb verschrikkelijke dingen gedaan’, zegt hij zonder in detail te willen treden. ‘Maar van binnen was ik nooit echt slecht.’

Valladares, veroordeeld voor wapenbezit en lidmaatschap van een criminele organisatie, ontmoette God in gevangenis Francisco de Gotera. ‘Mijn vrouw werd ziek en ik had geld nodig om medicijnen te regelen’, vertelt hij. ‘Ik vroeg een dominee in de gevangenis of hij me kon helpen. Hij begon over God maar ik wilde het niet horen. Ik wilde gewoon geld.’

Toen gebeurde er iets onverwachts. ‘Ik voelde iets bovennatuurlijks, alsof iets bezit van me nam.’ Valladares krijgt een gelukzalige grijns op zijn gezicht als hij vertelt over dat moment. ‘Ineens zag ik mijn hele leven in een ander licht. Ik besefte dat de misdaad niet de enige optie was, en werd als het ware herboren.’ Valladares was een van de eersten in Francisco de Gotera die God omarmde. Pas later zou de hele gevangenis zich bekeren.

Leden van de La Final Trompeta evangelische kerk werken in de San Francisco Gotera gevangenis is El Salvador. Beeld Gabriel Eisenmeier

Geen geweld meer

San Francisco Gotera is vier uur rijden van de hoofdstad, het is de meest geïsoleerde gevangenis van het land. Hier werden de zwaarste misdadigers heen gestuurd, en mannen die het in andere detentiecentra te bont maakten. Het gebouw ligt midden in een sloppenwijk die door de Mara Salvatrucha wordt beheerst. Tot de tanden bewapende militairen met bivakmutsen bewaken een slagboom die toegang biedt tot het terrein.

Tot voor kort was Gotera een levende hel. Ratten en kakkerlakken scharrelden rond tussen uitgemergelde lichamen in de propvolle cellen. De verschillende bendes zaten op aparte afdelingen, om te voorkomen dat ze elkaar zouden afslachten. Desondanks braken om de haverklap opstanden uit, die doorgaans uitmondden in afgehakte hoofden en verbrande ledematen. Bewakers durfden alleen naar binnen in Robocop-pakken, en gooiden uit voorzorg traangasgranaten de cellen in.

Nog steeds is het overbevolkt: zestienhonderd gevangenen terwijl er eigenlijk maar ruimte is voor driehonderd. De geluksvogels slapen in metalen stapelbedden van drie hoog, de meerderheid moet het doen met de rafelige hangmatten die claustrofobisch dicht op elkaar aan het plafond hangen. Degenen met de meeste pech slapen op de betonnen vloer, waar nog altijd heel veel kakkerlakken lopen. De stank van urine en uitwerpselen is misselijkmakend.

Maar er is geen geweld meer. Gedetineerden lopen door elkaar heen, ongeacht of ze 13 of 18 op hun gezichten hebben getatoeëerd. Ze keuvelen met de bewakers, die nu alleen nog knuppels dragen. Op de binnenplaats is een groepje gedetineerden met naaimachines in de weer, verderop leren ze de fijne kneepjes van het koekjes bakken. Alleen de rafelige littekens op gezichten en lichamen herinneren aan de hevige vechtpartijen van vroeger.

Halverwege de ochtend begint de mis, iedereen haast zich naar het dak. ‘Vroeger waren we leeg’, roept de 27-jarige dominee Mauricio Márquez, veroordeeld voor doodslag, door een microfoon. ‘Vroeger was alles donker.’ De jongens staan zwetend opeengepakt in hun grijze gevangenisshirtjes, de vuisten gebald, de bovenlichamen wat naar voren. Hun monden hangen open, hun schouders omlaag. ‘We waren afval’, roept Márquez. ‘God heeft licht van ons gemaakt.’

Een band begint te spelen, de soundcheck lijkt niet helemaal vlekkeloos te zijn verlopen maar dat maakt de gelovigen niet uit. Zestienhonderd mannen wiegen als in trance heen en weer, en zingen uit volle borst en met een gelukzalige blik mee met de christelijke liedjes. ‘Deze gevangenis is een vuurtoren’, buldert Márquez over de schelle trompetten heen. ‘Die vuurtoren is God.’

Toen Valladares zich bekeerde, waren er slechts enkele tientallen ‘evangélicos’. Ze zaten uit veiligheidsoverwegingen apart van de actieve bendeleden. De grote omslag kwam toen Carlos Montana, een jong bendelid, de leiding kreeg over de kerk in de gevangenis. Hoewel hij extreem strenge regels instelde, de kerkgangers moesten onder meer verplicht vasten, had hij grote overtuigingskracht.

Samen met andere missionarissen liet hij zich in 2016 overplaatsen naar de afdeling met actieve bendeleden om daar meer zieltjes te winnen. Oscar Durán (37), veroordeeld tot 130 jaar cel vanwege meervoudige moord, was aanvankelijk sceptisch: ‘We zitten in de fucking hel’, antwoordde Dúran toen ze tegen hem over God begonnen. ‘Hoe kun je hier God zien?’

Toch begon Dúran de Bijbel te lezen en het duurde niet lang of ook hij zag het licht. ‘Ik vond het een aantrekkelijk idee dat ik op die manier uit de bende kon stappen.’ Dúran ontpopte zich tot fanatiek missionaris en bekeerde op zijn beurt weer een hoop andere gevangenen. De mannen respecteerden hem omdat hij voorheen zo’n nietsontziende bendeleider was. ‘Een voor een gaven ze zich over aan God’, zegt Dúran met een serene glimlach.

De gevangenisautoriteiten juichen het alleen maar toe. ‘We hadden alles al geprobeerd, niks werkte’, aldus directeur Oscar Benadirez, zelf katholiek. ‘Dus we besloten de religie ruimte te geven.’ Dat ging niet zonder slag of stoot. ‘Er zijn enkele missionarissen afgeslacht door geïrriteerde collega-gevangenen’, erkent Benadirez. ‘Toen bijna iedereen was bekeerd, hebben we de overgebleven tegenstanders overgeplaatst. En sinds een jaar heerst hier vrede.’

Zestienhonderd extreem gewelddadige bendeleden die nu in vrede samenleven. Dat trekt de aandacht in een land waar de regering faalt in het bestrijden van het bendegeweld. Het huidige ‘harde hand’-beleid bestaat voornamelijk uit het willekeurig arresteren of doodschieten van jonge mannen die ‘eruit zien als bendelid’.

In maart 2012 sloot de toenmalige regering een deal met de bendes: betere omstandigheden in de gevangenissen in ruil voor een staakt-het-vuren. Het aantal moorden daalde van vijftien naar vijf per dag. Maar het akkoord hield geen stand, het lag politiek te gevoelig. Een meerderheid van de Salvadoranen ziet de gehate bendeleden het liefst wegrotten in de gevangenis. Onderhandelen met de mara’s wordt gezien als zwaktebod en levert geen stemmen op.

Op 1 juni treedt een nieuwe president aan, de 37-jarige ‘outsider’ Nayib Bukele. Zijn frisse voorkomen wekt hoop in het land waar zowel traditioneel links als rechts corrupt en incompetent is gebleken. Bukele belooft meer te gaan focussen op preventie van geweld, onder meer door werkgelegenheid te creëren voor jongeren.

Gevangenisdirecteur Benadirez hoopt dat Bukele ook nazorg voor gevangenen gaat regelen. Want ook al hebben in Gotera zestienhonderd gevangenen het bendeleven vaarwel gezegd, degenen die vrijkomen staan volledig in de kou. Zonder cv en met hun gehavende gezichten komen ze nergens aan de bak. ‘De regering zou in werk moeten voorzien’, vindt hij. ‘Dan zou de recidive minder zijn.’

‘De staat helpt niet mee’, zegt ook Moz. Hij vertelt over de vele keren dat de politie zijn kerk is binnengevallen. ‘Ze zetten een pistool tegen mijn hoofd, alsof ik een crimineel ben.’ De dominee, tot dan toe een toonbeeld van rust en beheerstheid, verheft zijn stem: ‘Ik heb hier tientallen mannen die moordden, afpersten en terreur zaaiden’, zegt hij. ‘Nu willen die mannen hun leven beteren en de staat werkt me alleen maar tegen.’

De dominee heeft een bakkerij opgezet in het achterhuis. Elke ochtend staan de voormalige moordenaars vroeg op om broodjes te bakken, ’s middags gaan degenen met de minste tatoeages de deuren langs om te verkopen. Het levert net genoeg op om hun eigen eten te kunnen betalen. Veel mannen geven er snel de brui aan en vervallen in de criminaliteit. ‘Ik ga van begrafenis naar begrafenis’, aldus Moz.

Valladares doet al jaren zijn best een baan te vinden. ‘De regering zou gebruik kunnen maken van mijn verleden’, oppert hij. ‘Ik zou best op scholen willen werken om jongeren te vertellen over mijn fouten.’ Hij toont de littekens van zeven kogelwonden en grijnst: ‘Ik kan dienen als preventie.’ Nadenkend wrijft hij weer over de eighteen op zijn voorhoofd. ‘Ik ben me bewust van het leed dat ik heb aangedaan’, zegt hij. ‘Maar ik wil dat mensen zien dat ik een ander pad ben ingeslagen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.