God heeft al m'n zonden vergeven

Zeker als hij had gedronken was 'geldloper' Rik Slikkerveer voor niemand bang en sloeg erop los. Via een nicht kwam hij bij een christelijk afkickcentrum.

ALEX BURGHOORN

'Ze hoefden me maar scheef aan te kijken of ik sloeg er al op los. Twee keer zo breed of een kop groter, het maakte me niets uit. Ik was voor niemand bang. Zeker als ik had gedronken.

Als je dan een paar keer de halve kroeg in elkaar hebt geslagen, begin je op te vallen. Zo kwam het dat een man me vroeg of ik een paar centen extra wilde verdienen. Nou, wie wil dat niet?

Hij handelde in cocaïne en leende ook geld uit aan zijn klanten. Ik moest geld ophalen bij mensen die hun afspraken niet nakwamen. Geldlopen heet dat. Eerst bij de sukkels, om te laten zien dat ik het kon. Daarna de grotere klussen: jongens die wel eens met een mes hadden gedreigd.

Hij gaf me een pistool mee, een Beretta 9mm. Daar schrok ik niet van, nee. Vroeger ging ik met mijn vader naar het woonwagenkamp, geld ophalen voor de zwarte lotto. Daar lagen de pistolen gewoon op tafel. Mijn vader dronk trouwens ook verschrikkelijk.

Het gaf me een gevoel van macht, zo'n wapen op zak. Ik moest bij klanten in Sliedrecht en Hardinxveld langs, de omgeving waar ik ben opgegroeid. Meestal was dreigen genoeg. Dan haalden ze al snel het geld onder de koelkast vandaan.

Per keer kreeg ik 200 of 250 gulden. Soms vroeg hij hoe hoog mijn drankrekening in het café was. Als er nog 350 gulden openstond, betaalde hij die. Zo financierde hij mijn drankverslaving.

Het pistool heb ik maar één keer gebruikt, toen een jongen onverwachts een mes trok. Ik wilde in de grond schieten, maar raakte hem in zijn knie. Dat deed vreselijke pijn natuurlijk. Hij schreeuwde het uit. Ik griste het tasje met geld uit zijn handen en liep met trillende handen het huis uit. Toen wilde ik stoppen met geldlopen.

Het was makkelijk om er uit te stappen. We kenden alleen elkaars voornamen. Hij kwam elke keer in een andere auto, daar was geen touw aan vast te knopen. Ik zei gewoon dat ik voortaan ook weekenddiensten ging draaien en niet meer voor hem op pad kon. Dat was goed. Ik wist wel dat ik mezelf een bak ellende op de hals zou halen als ik hem zou verlullen.

Maar met drinken stopte ik niet. Ik deed dat vanaf mijn 15de, toen ik van school wegliep en als stratenmaker ging werken. Het was onderaan beginnen: eerst baan maken, het voorbereidende werk doen. Ze lieten je verrot lopen met kruiwagens vol zand en tegels.

Met bier begon ik op donderdagavond, na zaalvoetbal. We speelden mee in een bedrijvencompetitie in Hardinxveld. Ik was de keeper. Het was hartstikke gezellig. Sommigen dronken fris, maar de meesten niet. De eerste drie, vier glazen kreeg je er gratis. Vrijdag ging ik met een kater naar mijn werk. Iets later, vanaf mijn 16de, mocht ik ook drinken in cafés en zo breidde het zich uit over het hele weekend. Week in week uit drinken en op de vuist gaan.

Ik trouwde, we kregen een zoon en dertien maanden later ook een dochter. Maar ik bleef gewoon mijn ding doen: bierdrinken en ruzie maken. Het geldlopen kwam erbij, het liep steeds verder uit de hand. Ook thuis. Daar sloeg ik ook. Uiteindelijk heeft m'n vrouw me op straat gezet. Ze had al vaker gedreigd met een scheiding, maar ik dacht dat het zo'n vaart niet zou lopen.

Ze had wel een huurhuis gezocht voor me: twee straten verderop. Ze kwam ook schoonmaken en ik mocht bij haar en de kinderen komen eten. Ik had niet eens een gasfornuis. Mijn vaste baan was ik kwijtgeraakt, nadat ik me te vaak had ziek gemeld. Twee kratten per dag dronk ik. Wakker worden, kop koffie en dan bier.

We zaten op een avond te eten, toen mijn zoontje zei dat er een politiebusje voor de deur stopte. En nog een, en nog een. Het was 24 oktober 2007, vier dagen voor mijn verjaardag. Ze kwamen me halen. Ik had wel een brief gekregen dat ik bij de rechtbank in Dordrecht moest komen, maar daar had ik geen zin in. Ik bleek tot een kleine twee maanden cel te zijn veroordeeld wegens vechtpartijen, politieagenten slaan, vanalles. Zonder dat ik het wist, stond mijn naam op de politietelex van gezochte personen.

Ik zei tegen die agent: als jullie me maar geen handboeien omdoen, want er zijn kinderen bij. Als u rustig meeloopt, is er niets aan de hand, zei hij. En dat deed ik. Stonden ze wel raar van te kijken. Ze hadden natuurlijk op een vechtpartij gerekend. Op het dorp hadden ze voor de zekerheid nog twee politiebusjes klaar staan.

Ik belandde in de gevangenis van Almere, in dezelfde vleugel als de loopjongens van Willem Holleeder. Drank was er natuurlijk niet, en dat merkte ik. Als ik een sjekkie zat te rollen, trilden mijn handen, en niet van de kou. Het was keihard overleven. Tegen die gasten ga je niet zo makkelijk in. Ik sprak een jongen die een man door zijn nek had gestoken, omdat die aan zijn vriendin had gezeten. Dan ga je niet stoer lopen doen.

Toen ik vrij kwam, hebben we een feestje gevierd. We gingen taart halen bij de HEMA. Het was wennen. Mijn broer zei ineens: 'Daar loopt politie.' Ik lag meteen plat op de grond in het gangpad. Later was ik nog eens met mijn zoontje in de stad, kwam er donkere man op me af. 'Hey brother, ik ken jou uit Almere, man.' Riep mijn zoontje dwars door de winkel: 'Ken jij die man uit de gevangenis, papa?'

Ik ging door op de oude voet. Ik was geen prater, dat heb ik echt moeten leren. Ik dronk en reed op mijn scooter door de polder. Ik had geen werk, de schulden liepen op. Op een dag stond ik bij de supermarkt in Hardinxveld wat te drinken, toen ik mijn nicht tegenkwam. Jaren niet gezien. Hoe gaat het met je?, vroeg ze.

Ze hoorde me aan en zei: onthoud dat God van je houdt. Wat moet ik daar nou mee, dacht ik. Toen vroeg ze: wil je een bakkie koffie? Nou daar spuug ik niet in.

Ze wilde graag voor me bidden en me meenemen naar een lof- en prijsavond in De Hoop, een christelijke afkickinstantie in Dordrecht. Eerst zongen een paar honderd gasten in een zaal opwekkingsliederen. Wat is dit nou?, dacht ik nog. Toen stapte een kerel het podium op en begon over zichzelf te vertellen. Het was net mijn verhaal: alcohol, schulden, vrouw geslagen. Voor ik het wist, liepen de tranen over mijn wangen. Mijn nicht zei: wat heb jij nou? Ik zei maar dat ik moe was.

Het zette me aan het denken. Ik ben een vechter, ik moest dat toch ook kunnen? Tien maanden ben ik er geweest, twee dagen in de week. Ik deed mee aan kringgesprekken en moest een dagboek bijhouden. Eerst klapte ik dicht. Zei niks, schreef niks op - ja de datum, maar verder niks.

Langzaam merkte ik dat ik me nergens voor hoefde te schamen. Mijn nicht zei dat ik een stenen muur voor God rond mijn hart had gebouwd en dat ik die moest afbreken om uit te vinden wie ik werkelijk ben. Ze vroeg me op zondagen naar de thuisgemeente te komen waar zij in Hardinxveld naar de kerk ging.

God betekende nog niets voor me, maar ik vond de mensen aardig. Ik voelde dat ik gewaardeerd werd om wie ik was. Haantjesgedrag was er niet. Ik hoefde geen machine meer te zijn.

Toen ik een jaar droog stond, kreeg ik een droom. Ik zat te niksen in de cabine van een kraan. Toen kwam er een man op me af, een normale man met een baard, en die vroeg: machinist, moet jij niet werken? Nee, zei ik, hij is kapot. Oh, zei hij, zullen we dan even naar die sloot daar gaan om je te dopen?

Ik zat meteen rechtop. Zulke zweetdruppels op mijn voorhoofd. Ik keek drie keer om me heen om te kijken waar ik eigenlijk was.

Het was een aanraking van God. Hij heeft me beetgepakt en gezegd: zo kan het niet langer. Hij gaf me een schop onder m'n kont. Ik heb daarna met mijn nicht zitten bidden om God aan te nemen. Ineens zei ze: gefeliciteerd, je bent christen! Dat is rap, dacht ik nog, rapper dan de post. In een rivier in Hardinxveld ben ik in september 2009 gedoopt en sindsdien is alles anders.

Ik heb het gevoel dat God me mijn zonden heeft vergeven. Het mooiste zou zijn iedereen die ik in elkaar heb geslagen om vergeving te vragen. Ook die gast die ik in zijn poot heb geschoten. Maar ja, dat is niet zo gemakkelijk te regelen. Ik heb wel de buren om vergeving gevraagd en gekregen. Daar had ik nog wel eens met m'n scooter de tuin omgeploegd.

Ik ben veel rustiger nu, heb mijn gezin weer terug, drink niet meer en heb weer werk. Mijn collega's vertel ik wel eens over God. Vooral als ze staan te vloeken. Als je een keer op je duim slaat, oké, maar als je in tien zinnen acht keer gvd zegt, dan word ik daar doodziek van.

Ik stond een keer met zo'n gast een reclamebord op te hangen langs een autoweg in Ridderkerk. Als je nu niet ophoudt, zei ik, dan stop ik zo het Nieuwe Testament achter in je keel.'

LEVENSLOOP

Rik Slikkerveer (33) is geboren en getogen in de Zuid-Hollandse polders van de Alblasserwaard. Hij maakte geen school af en ging aan de slag als stratenmaker. Na enkele jaren maakte een alcoholverslaving hem het werken onmogelijk. Hij kwam volkomen aan de grond te zitten - gescheiden, zonder werk, met een strafblad.

Aan de hand van God krabbelde hij op. Zijn vrouw nam hem in genade terug, en hij draagt sinds twee jaar ook weer de zorg over hun drie kinderen. Aan schoolklassen geeft hij voorlichting over verslaving, in het weekeinde staat hij bij dansfeesten met de christelijke Naar House-bus uitgebluste partygangers bij. Hij werkt als uitzendkracht in de bouw. Nog drie jaar zit hij met zijn gezin in een schuldsaneringstraject.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden