God geve dat ik niet krankzinnig word Eindelijk een fatsoenlijke biografie van Poesjkin

Rookte Poesjkin?..

MELCHIOR DE WOLFF

Dat is de vraag niet. Of liever gezegd: dat soort vragen kan maar beter helemaal niet worden gesteld - volgens de opvatting althans van de Russische Formalisten. Deze beweging, die omstreeks 1920 in Moskou en Sint Petersburg ontstond en waaraan de namen van onder anderen Viktor Sjklovski, Joeri Tynjanov, Roman Jakobson en Osip Brik zijn verbonden, huldigde de overtuiging dat het bij de bestudering van de literatuur uitsluitend om de formele eigenschappen van een gedicht of een stuk proza moest gaan. De tijd of de omstandigheden waaronder een boek was geschreven, de bedoelingen van de auteur, zijn afkomst, zijn psychologie en zijn toevallige eigenaardigheden - dat alles diende geen enkel wetenschappelijk belang en moest met kracht uit de literatuurbeschouwing worden verbannen. Letterlijk schreef Osip Brik dat het voor een goed begrip van Poesjkins werk overbodig was zich te verdiepen in zijn levensgeschiedenis, casu quo in de vraag koeril li Poesjkin.

Je zou kunnen verwachten dat een dergelijk standpunt pas kon ontstaan nadat zelfs de onaanzienlijkste details van Poesjkins leven waren ontsluierd, maar zo is het niet. Na Poesjkins dood, in 1837, is in Rusland een handvol levensberichten en herinneringen verschenen, maar noch in de vorige noch in deze eeuw, niet in en niet buiten Rusland is er iets geschreven dat de omtrekken bezit van een definitieve biografie. Het dichtst in de buurt komen de Materialy dlja biografii A.S. Poesjkina, uit 1855, in opzet vergelijkbaar met de documenten die Enno Endt heeft verzameld over Herman Gorter, maar geen interpreterende, verklarende of kritische levensbeschrijving.

Een voor de hand liggende vraag is wat voor type biografie Aleksandr Sergejevitsj Poesjkin zelf het liefst zou hebben gekregen. Er is reden om aan te nemen dat hij betrekkelijk weinig moet hebben gevoeld voor het soort studies waarin bijna elk gedicht wordt onderzocht op het al of niet aanwezige biografische gehalte. Poesjkins liefde voor dubbele bodems enerzijds, en anderzijds zijn gedistantieerde, 'onromantische' verhouding tot de Romantiek - zijn geprivatiseerde verstandhouding met de 'feiten' - doen vermoeden dat hij zich in het standpunt van T.S. Eliot zou hebben kunnen vinden, in de opvatting dat er een strenge scheidslijn loopt tussen the man who suffers en the mind which creates. Daarbij komt dat hij een navoelbare sympathie had voor de trefzekerheid waarmee een terloops aangebrachte detaillering in de plaats kon treden van een lange en uitputtende beschrijving - getuige bijvoorbeeld de vermelding van een horlogemerk (Bréguet) of het fabricaat van een duelleerpistool (Lepage) in de roman Jevgeni Onegin.

Rookte Poesjkin? Die kwestie wordt in de zojuist verschenen Poesjkin-biografie van de Engelse historicus Robin Edmonds niet beantwoord, maar gelet op de uitvoerigheid en precisie waarmee allerlei andere details wel worden besproken - van champagnemerken tot en met de namen van de hotels waarin werd gelogeerd - mag worden aangenomen dat het antwoord op die vraag ontkennend moet zijn. Pushkin: The Man and His Age, de eerste biografie in enigerlei Europese taal in jaren, is niet alleen een voorbeeldig boek, het is zonder enige twijfel ook een boek waarmee de geportretteerde zelf zeer in zijn sas zou zijn geweest. Het behoort tot het soort biografieën waarin schijnbaar triviale zaken van hun trivialiteit worden ontdaan, en waarin grootsheid en meeslependheid niet per se meeslepend en groots hoeven te zijn.

Robin Edmonds is in de eerste plaats historicus. Hij schreef een paar standaardwerken over de buitenlandse politiek van de Sovjet-Unie, over de Brezjnev-periode en over de betrekkingen tussen Churchill, Roosevelt en Stalin. Het boek over Poesjkin lijkt tot stand te zijn gekomen als gevolg van een tientallen jaren durende liefdesrelatie en als een vakantie-achtige ontsnapping aan het politiek-historiografische handwerk.

Het initiatief om Poesjkin als de voornaamste representant van een tijdperk te beschrijven, wordt gelegitimeerd door een uitspraak van de dichteres Anna Achmatova ('Stukje bij beetje begon men de gehele periode het tijdperk van Poesjkin te noemen'), maar is uiteraard ook een afspiegeling van de typisch Britse gewoonte om van 'the age of Shakespeare' of 'the age of Johnson' te spreken.

Dat betekent echter niet dat Poesjkin buitengewoon karakteristiek voor zijn tijd is geweest. Zijn persoonlijkheid, schrijft Edmonds, past eigenlijk meer bij iemand uit de achttiende eeuw, 'who might in some ways have felt more at home in the twentieth than in the nineteenth century'. De voortdurende tegenwerking die Poesjkin vanaf 1825, na de Decabristen-opstand en het aantreden van tsaar Nicolaas I, van officiele zijde ondervond, de pesterijen, de vernederingen en de algehele sfeer van gebeuzel, moeten hem de indruk hebben gegeven dat de politieke werkelijkheid afbreuk deed aan zijn vermogen zijn persoonlijke leven anders waar te nemen dan als een aaneenschakeling van provisorisch gemodder. De tsaar, die na zijn troonsbestijging de dichter had meegedeeld 'thans zijn persoonlijke censor' te zijn, moet van het bestaan van zoiets als literaire verbeeldingskracht niet het flauwste begrip hebben gehad, en dat juist tegen die achtergrond een oeuvre heeft kunnen ontstaan waarin de literatuur letterlijk de gedaante aanneemt van een uitvinding, is niet minder dan een mirakel.

Op een elegante manier heeft Edmonds geprobeerd dat mirakel te lokaliseren - niet door het met zoveel woorden aan te wijzen, maar door het omringende netwerk waarin het zich bevindt zo concreet mogelijk te beschrijven. Het tijdperk van Nicolaas was, in de woorden van de schrijver Aleksandr Herzen, 'een periode van mediocriteit en onverschillige wreedheid'. Het neerslaan van de Decabristen-beweging en de verwerping van alles wat ook maar in de verte een liberale kleur leek te hebben, waren goed beschouwd nog oppervlakte-verschijnselen. Daaronder bevond zich de ondoordringbare laag van cultuurpolitiek stilzwijgen, waarbij schrijvers in het gunstigste geval werden behandeld alsof ze lucht waren - repressie verpakt als desinteresse.

Ne daj mne Bog sojti s oema, begint een postuum gepubliceerd gedicht dat Poesjkin schreef in 1834 - 'God geve dat ik niet krankzinnig word'. Want wat is daarvan de consequentie? Niet het gevoel van vrijheid waardoor de krankzinnige in het eerste stadium misschien zal worden besprongen, maar het vooruitzicht te worden opgesloten. 'Want 's nachts zal ik niet de heldere stem van de nachtegaal horen, en ook niet het doffe geluid van de eiken. In plaats daarvan hoor ik het geschreeuw van mijn vrienden en het gevloek van de nachtwakers en het gegil en het geratel van kettingen.'

Men zou Poesjkin onrecht aandoen door dat gedicht uitsluitend als een politieke uitspraak te lezen. Daarvoor is het te sterk ingebed in een oeuvre dat in de eerste plaats geschreven is om de expressieve betekenis van de literatuur te demonstreren. Er is, terecht, beweerd dat Poesjkin niet alleen de uitvinder was van een hele reeks in Rusland niet bestaande literaire genres - het liefdesgedicht, de roman, het korte verhaal -, maar dat hij vooral de eerste is geweest die heeft laten zien dat een uitspraak niet noodzakelijk op één manier hoeft te worden gelezen. Er zitten lagen in de taal, er is ironie, er zijn dubbele bodems, en er bestaan schrijvers en lezers tussen wie over de daarmee te fabriceren constructies een bepaalde vorm van verstandhouding mogelijk is. Vóór Poesjkin bestond dat inzicht in Rusland niet, en gegeven het schrale culturele klimaat was het ook nog eens tamelijk onwaarschijnlijk dat dat inzicht kon worden bereikt.

Maar het alleropmerkelijkste is dat Poesjkins dagindeling nauwelijks de indruk wekt dat het hem tijd heeft gekost. Gedonderjaag met vrouwen, gezeur over de hypotheek op zijn landgoed en 'zielen', astronomische verliezen met kaartspelen, intimidaties door de geheime politie, jarenlang her en der door het Russische rijk reizend, om ten slotte, 37 jaar oud en middelpunt van een onwaarschijnlijke consternatie, te sneuvelen in een bizar duel tegen een protégé van de Nederlandse gezant in Sint Petersburg.

Een definitieve biografie zal wel nooit geschreven worden. Sommige raadsels worden ook niet opgelost, ze worden hoogstens beter geformuleerd.

Robin Edmonds: Pushkin. The Man and His Age.

Macmillan, import Nilsson & Lamm, ¿ 65,60.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden