God, Amerika en de Neocons

Het geloof is een van de pijlers van de Amerikaanse samenleving. Toch lijken evangelicals en neoconservatieven enigszins op hun retour....

Van Benjamin Franklin, een van de founding fathers van de Verenigde Staten, is de uitspraak: ‘Vuurtorens zijn nuttiger dan kerken.’

Oei, daar zou hij vandaag de dag niet zo makkelijk mee wegkomen. Zie wat deze week gebeurde toen Barack Obama zich in een toespraak tot een groep geldschieters in San Francisco een kleine bespiegeling veroorloofde over het psychologisch effect van de economische tegenspoed waardoor Pennsylvania en andere staten in het Midden-Westen al geruime tijd worden getroffen.

Het kan niet verbazen dat er ‘bitterheid’ heerst, zei Obama. Velen ‘klampen zich vast aan hun wapens of aan hun godsdienst of aan hun antipathie jegens mensen die anders zijn dan zijzelf, of aan hun weerzin tegen vrijhandel’.

Er waren geen media aanwezig bij de toespraak, maar iemand maakte een video-opname, en die vond snel haar weg op het internet. Binnen de kortste keren was een relletje geboren. Commentatoren spraken er schande van of noemden de uitspraak erg onverstandig. Hillary Clinton zag er een indicatie in dat haar rivaal voor de Democratische nominatie eigenlijk een beetje neerkijkt op de normen en waarden van gewone Amerikanen. John McCain bleef niet achter. ‘Het gaat hier om mensen die een generatie hebben voortgebracht die de wereld veilig heeft gemaakt voor democratie. Het gaat hier om mensen met elementaire culturele en spirituele waarden die naar mijn oordeel zeer weinig van doen hebben met hun economische omstandigheden’, aldus de Republikeinse vaandeldrager.

Eerst verwierp Obama dat verwijt, maar vervolgens betuigde hij spijt over zijn woordkeus. Begrijpelijk, want dit is in potentie een brandbare affaire. De Democraten worstelen al zo’n drie, vier decennia met het odium dat hun partij over het algemeen weinig affiniteit heeft met de levenshouding van de lager opgeleide, minder verdienende Amerikanen. Richard Nixon speelde daarop als eerste in (met zijn silent majority) en Ronald Reagan brak de traditionele Democratische coalitie helemaal open: hij werd de naamgever van de ‘Reagan-Democraten’, kiezers die vanwege hun sociaal-economische positie vanouds dicht bij de Democratische partij staan, maar die zich beter thuis voelen bij het sociaal-culturele conservatisme van de Republikeinen en die een duwtje van een aansprekende persoonlijkheid nodig hadden om daadwerkelijk de overstap te maken. Met Bill Clinton, die zijn geloofsbeleving onbekommerd etaleerde, wisten de Democraten weer enig terrein te herwinnen, dat door Al Gore en John Kerry echter weer goeddeels werd prijsgegeven. Vooral Kerry wekte met zijn patricische voorkomen en dictie en zijn onaandoenlijke manier van optreden de indruk dat weinig hem met de doorsnee-kiezer verbond.

Eerlijk gezegd heeft Obama daar toch ook een beetje last van. Hij is van betrekkelijk eenvoudige komaf en door zijn huidskleur behoort hij haast per definitie niet tot de high society. Maar zijn oratorisch talent is onmiskenbaar dat van een briljante student van de Harvard Law School. Hij mist het volkse toefje dat Reagan en Clinton kenmerkte.

En nu is er dus dat akkefietje in San Francisco. De angel van de uitspraak wordt natuurlijk gevormd door de combinatie van de woorden ‘bitterheid’ en ‘vastklampen’. Daarmee wordt gesuggereerd dat de opvattingen, waarden en godsdienstige overtuiging van de eenvoudige kiezers van Pennsylvania niet het resultaat zijn van een weloverwogen keuze, maar van een vals bewustzijn, om dat beladen marxistische begrip maar eens te gebruiken.

In een academische discussie valt er misschien best iets te zeggen voor die stelling. Maar doet een politicus er verstandig aan dit pad op te gaan? Nee, meent E.J. Dionne Jr., columnist van de Washington Post. ‘Obama heeft twee elementaire regels van een politieke campagne overtreden. Een kandidaat moet nooit in de huid kruipen van een politicoloog of socioloog die van een afstand de voorkeuren van een cruciale kiezersgroep analyseert. En hij moet nooit de motieven van minder bedeelde kiezers ontleden wanneer hij een welgesteld publiek toespreekt.’

Ik citeer Dionne hier niet toevallig. Van hem is onlangs het interessante Souled Out verschenen, dat handelt over de rol van het geloof in de Amerikaanse politiek. Of preciezer: over de veranderingen die zich volgens hem voordoen in de evangelische beweging, die in 2000 en 2004 fungeerde als een van de electorale steunpilaren van George W. Bush, maar die niet meer zo’n homogeen brok conservatisme zou vormen. Veranderingen die de auteur niet onwelkom zijn, getuige de ondertitel: Reclaiming Faith & Politics After the Religious Right.

Wat dit boek bijzonder de moeite waard maakt, is dat het zich niet beperkt tot een beschrijving van recente ontwikkelingen in de belangrijkste Amerikaanse geloofsgemeenschappen. Dionne, zelf belijdend katholiek en gematigd-progressief, onderneemt een intellectuele, en ook persoonlijke zoektocht naar de meest geëigende plaats van religie in het publieke domein.

Het is een vraagstuk dat zich vanwege de groei van de islam ook opdringt in Europa, maar dat in de VS een bijzondere historische connotatie heeft. De eerste kolonisten kwamen niet in de laatste plaats naar Amerika om te ontsnappen aan godsdienstige vervolging. Amerikanen zijn door de bank genomen nog altijd veel geloviger en kerkser dan (autochtone) Europeanen. Er wordt niet vreemd opgekeken als een politicus in het openbaar getuigt van de betekenis die God en geloof voor hem/haar hebben. Maar tegelijk nemen de VS een tamelijk strikte scheiding tussen kerk en staat in acht. Geen enkele religieuze stroming is dominant in een van de politieke partijen. Er bestaat ook geen partij op godsdienstige grondslag. Kerken worden niet gesubsidieerd, zoals indirect wel het geval is in Nederland. Volgens sommigen is dat laatste ook een van de redenen waarom Amerikaanse religieuze instellingen sterker zijn dan Europese: ze worden gedwongen tot meer ondernemingszin en tot een meer omvattende dienstverlening aan de gelovigen. Een Europeaan klinkt zoiets al snel te ‘commercieel’ in de oren, maar een Amerikaan heeft daar minder last van.

Dionne weerstaat de verleiding om de evangelicals louter als een kwade kracht af te schilderen. Hij twijfelt niet aan de oprechte godsvrucht van velen van hen. Maar wat hij hen wel verwijt is dat ze een ‘in-your-face religion’ beoefenen, dat ze elementaire christelijke waarden veronachtzamen, dat ze meer compassie tonen met het ongeboren dan met het geboren leven. Anderzijds betitelt hij de religiekritiek van wat hij de ‘neo-atheïsten’ noemt – publicisten als Richard Dawkins en Christopher Hitchens – als een ‘overreactie op een overreactie’. Juist het liberalisme (in de Amerikaanse betekenis van het woord) heeft volgens hem religieuze wortels – en wie dat ontkent, gaat intellectueel en moreel de mist in.

Dionne bepleit een gulden middenweg tussen het excessieve publieke optreden van de evangelicals en de (in de VS onrealistische) eis dat de religie zich geheel terugtrekt in de privé-sfeer. Namelijk een religiositeit die zich niet opdringt en die geen absolute waarden decreteert, die haar boodschap verkondigt met de nodige bescheidenheid en in termen die haar ook relevant maken voor niet-gelovigen.

Is Amerika rijp voor deze wending, die deels ook een terugkeer is naar progressieve theologische inzichten uit de vorige eeuw en naar de old-time religion die in de VS zo lang heeft gefloreerd? Niet iedereen deelt Dionne’s optimisme over het tempo waarin gematigde religieuze inzichten zich verspreiden. Hij ‘is misschien wat voorbarig met het toedienen van de laatste sacramenten aan de conservatieve evangelische beweging’, merkte een Amerikaanse recensent op.

Maar Dionne is niet de enige die meent dat er een nieuw tijdperk gloort in de VS. Ongeveer gelijktijdig met Souled Out is er een boek uitgekomen over de neoconservatieven, geschreven door Jacob Heilbrunn, voormalig redacteur van The New Republic en nu verbonden aan de The National Interest. Titel: They Knew They Were Right. Let op de woordspeling (right), maar let vooral ook op de verleden tijd.

Dit boek is bepaald niet het eerste dat aan de neocons is gewijd. We weten al tamelijk nauwkeurig wie ze zijn, wat hun achtergrond is en hoe ze zich intellectueel en politiek hebben ontwikkeld. We weten dat ze zich beschouwen als ‘liberalen die zijn overvallen door de werkelijkheid’, dat ze merendeels van Joodse afkomst zijn en daardoor behept met een ambivalente houding tegenover het academische en culturele establishment dat hen vijftig jaar geleden nog met quota buitensloot.

We weten dat velen van hen in hun studietijd trotskistische sympathieën koesterden en dat ze in een bepaalde alkoof van de mensa van het City College in New York bijeenkwamen om te overleggen hoe ze de (veel grotere groep) orthodoxe communisten, die in een alkoof verderop vergaderden, de pas af konden snijden. Er is uitvoerig gedocumenteerd hoe hun fervente anti-communisme en hun argwaan tegen de radicaal-linkse revolte van de jaren zestig hen geleidelijk naar rechts dreven, totdat ze een nieuw onderkomen vonden in de Republikeinse partij.

In mijn boekenkast staat The Neoconservatives: The Men Who Are Changing America’s Politics van Peter Steinfels, de eerste grondige studie van de beweging. Het dateert al uit 1979. Wat opvalt is dat de duidelijk linksere Steinfels (tegenwoordig columnist voor de geestelijk leven-sectie van de New York Times) het neoconservatieve gedachtengoed met meer respect analyseert dan Heilbrunn, die met een zekere gemelijkheid schrijft over de stroming waarmee hij zelf enige tijd heeft gesympathiseerd. ‘Ik beschouw het neoconservatisme als het serieuze, intelligente conservatisme dat Amerika zo lang heeft gemist’, aldus het credo van Steinfels.

Wat je zou hopen en verwachten is dat Heilbrunn een stap verder zet en onderzoekt hoe een betrekkelijk kleine groep intellectuelen zoveel invloed kon verwerven in de regering-Bush en waarom met name een ouderwetse nationalist als Dick Cheney, die als minister van Defensie begin jaren negentig nog zeer sceptisch stond tegenover een invasie van Irak, tien jaar later feitelijk het beste jongetje in de neoconservatieve klas werd.

Helaas biedt het boek op dit punt nauwelijks verhelderende inzichten. Het wachten blijft op een minutieuze reconstructie, zoals Bob Woodward die als geen ander weet te maken.

Het miserabele verloop van de interventie in Irak heeft natuurlijk forse afbreuk gedaan aan het aanzien van de neocons. Heilbrunn dicht hun ook nog maar weinig soortelijk gewicht toe. De intellectuele pioniers van de beweging, zoals Iving Howe, Jeane Kirkpatrick, Irving Kristol en Norman Podhoretz, zijn dood of stokoud. Anderen, zoals Francis Fukuyama, zijn ‘bekeerd’. De mannen die in de regering-Bush de neoconservatieve zaak behartigden, zoals Paul Wolfowitz en Douglas Feith, zijn door een zij-uitgang van het toneel verdwenen. Het neoconservatisme is goeddeels gereduceerd tot een ‘echoput’, aldus Heilbrunn.

Ik betwijfel of dat helemaal klopt. Wie de Amerikaanse kranten en tijdschriften leest, komt daarin regelmatig columns en beschouwingen tegen van auteurs die zijn beïnvloed door het neoconservatisme. Niet in zijn pure vorm, (bijna) iedereen is sadder but wiser geworden, maar toch met de polemische flair en de zelfverzekerdheid die de neocons altijd hebben gekenmerkt. Daarvan blijft ook een bepaalde politieke invloed uitgaan. Te beginnen op het kamp van McCain, maar misschien in lichte mate ook op het Democratische denken. Want het offensieve temperament en de interventionistische aandrift van de neocons hebben hun wortels diep in de Amerikaanse psyche.

Daarom houd ik het er ook op dat de door Dionne voorziene transformatie van het religieuze landschap zich toch eerder zal voltrekken dan het afsterven van de impuls om de sheriffpenning op te spelden en het kwaad uit te bannen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.