'God alleen heeft niks noodig'

Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geweest. Iets zouden we doen. Eéns waren we 't, dat we 'eruit' moesten'; 'Verbazen zouden wij de wereld, zoo kalm en onaanzienlijk als wij daar zaten met opgetrokken beenen en onze acht handen om onze knieën.'..

Toen Frits Grönloh, procuratiehouder bij de Holland-Bombay Trading Company, in 1915 het verhaal 'Titaantjes' in het tijdschrift Groot-Nederland publiceerde onder de schuilnaam Nescio, schudde hij het Nederlands op. Bij hem geen spoor van de toen modieuze geparfumeerde woordkunst.

Onverwacht eenvoudig was zijn taalgebruik, zoals de neerlandicus Enno Endt vorige week bijna mijmerend memoreerde, toen in een Amsterdamse boekhandel de eerste afzonderlijke editie van Titaantjes werd gepresenteerd (Nijgh & Van Ditmar; euro 15,95): gevoelvol geïllustreerd door Joost Swarte, iets waar Endt vreselijk aan had moeten wennen, vermoedelijk omdat hij al een leven lang aan de tekst verknocht is. Dan wordt het moeilijk alsnog andermans verbeelding daarbij te dulden.

Samen met 'De Uitvreter' en 'Dichtertje' verscheen 'Titaantjes' in 1918 voor het eerst in boekvorm. Vijfhonderd exemplaren, die pas vijftien jaar later waren verkocht. Het opschudden veroorzaakte niet direct opschudding. Op mijn middelbare school en universiteit hoorde Nescio tot de aanbevolen nummers (en niet alleen omdat ik in de jaren tachtig Endt als docent trof): hij schreef voorbeeldig kaal, hoorden wij, hij wist wat schrappen was, hij eerbiedigde het verdwijnende natuurlandschap en hij had (met Theo Thijssen en Willem Elsschot) generaties van doe-maar-gewoon schrijvers blijvend beïnvloed.

Toen ik Nescio voor het eerst las, was ik niet meteen verzot op die paar verhaaltjes. Ik las ze zonder tegenzin, maar begreep niet goed waar de adoratie van zovelen op berustte. Deels kwam mijn onbegrip voort uit het instinctieve verzet een idool opgedrongen te krijgen, maar los daarvan vond ik Nescio's onderwerp en stijl aan de karige kant. Schitterend toch, alle poespas weggelaten, riepen de liefhebbers dan. Maar kunst ís toch poespas, dacht ik. Als schrijven schrappen is, hou dan liever je mond. Waarom moet je als kunstenaar, die de vrijheid omhelst, de minimal music verkiezen boven de toeters en bellen van de barok?

Nescio's thematiek achtte ik te weinig gedurfd. Altijd die weemoed (vaak voordat er echt iets is ondernomen), dat terugblikken op de jeugdige onbezonnenheid (gespeeld smartelijk - 'We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we' -, want heimelijk in die pijn zwelgend), en dan die eeuwige zonsondergangen, gaslantaarns en busritten naar Muiderberg en Kortenhoef.

Alsof er niks ('nix') meer is. Misschien ís er uiteindelijk nix meer, maar ga dat dan eerst verkennen. Deze weerstand riep Nescio bij mij op, hoewel ik oog had voor zijn 'natuurlijke' ritme en fijnzinnige ironie. Geen man van woest brullend proza, maar een aanhanger van de klare lijn. Dat is de toon die Joost Swarte aanspreekt, zoals de tekenaar vorige week tegenover de aarzelende Endt verzekerde. Het uitgaafje bevat hiervan de sprekende bewijzen.

Te vroeg oud, leek Nescio mij destijds, misschien omdat ik meende daar zelf aan te kunnen ontkomen. Nu ik allang geen aardige jongen meer ben, herlas ik Titaantjes in de opgefriste editie. Weer zag ik die meewarigheid waarmee de idealen van vijf jongens worden beschreven, en het glimlachje waarmee wordt vastgesteld dat allen (behalve de schilder Bavink, 'die mal geworden is' en in een 'gesticht voor zenuwpatiënten' zit) in de braafheid der burgerlijkheid zijn teruggevallen. Maar voor het eerst viel ik voor de mystieke lyriek van de natuurpassages.

'Een mensch heeft veel noodig', maar 'God alleen heeft niks noodig'. De eentonigheid, oneindigheid, doelloosheid Gods, is te ervaren op elke dag dat de zon opgaat en 'zoo plat als een suikerboon' weer ondergaat, maar alleen schoksgewijs. Dit bij voortduring te beseffen maakt een mens radeloos, omdat hij er niets duurzaams tegenover kan stellen. 'Hij kijkt me maar aan', zegt Bavink over de zon tegen verteller Koekebakker, 'wij begrijpen geen van beiden wat we van elkaar moeten.'

De schrijver berustte in zijn onbegrip, getuige zijn pseudoniem. Geen daden, maar woorden - en niet te veel, was zijn methode van verduurzaming, die zijn verhalen verrassend leesbaar heeft gehouden. Ongewichtige idealen zijn misschien de draaglijkste.

Met plezier herlees ik Nescio in deze met woest gebrul begonnen eeuw. 'Een wonderlijke vergissing leek alles.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden