Glorie en gedonder DE 'ANDERE' MENGELBERG EN DE GROEI VAN EEN ZELDZAAM MUZIKANTENDOM

Geen beschaamde necrologie, geen weeë lofzang of de beuzelarijen van een aanbidster. Frits Zwart's biografie van Mengelberg is een droogjes getoonzet, maar in de overvloedige presentatie van feiten en feitjes welhaast uitbundig proefschrift....

WEER ZO'N boosaardige speling van het lot: verschijnt er eindelijk een serieuze, op kritisch onderzoek van brieven, notulen, partituren, en doktersrekeningen gebaseerde biografie over Willem Mengelberg, en dan gaat het uitgerekend mis in de voetnoten.

Nu eens geen beschaamde necrologie over Mengelberg, of zo'n weeë lofzang, of de beuzelarij van een oliedomme dirigentenaanbidster (dat waren de biografische genres die het fenomeen Mengelberg tot nu toe over zich afriep), maar een verslag van tien jaar systematische bronnenstudie - en dan krijgt de lezer van dit uitdagende boekwerk er een inlegvelletje bij met de boodschap dat hij met de noten zoveel tot zoveel een stapje terug moet in de telling.

Is dat de manier om de natie te genezen van haar Mengelberg-trauma? Gelukkig gaat het even verder weer goed met de voetnoot, en zien we dat Frits Zwart, de auteur van Willem Mengelberg - Een biografie 1871-1920, de melding van een onverwachte absentie van deze vaak door verkoudheden, reumatische ontstekingen en andere onzekerheden geplaagde dirigent altijd zal staven met een document. Knijpt Mengelberg er in oktober 1898 tussenuit naar een verpleeginrichting in Luzern, 'teneinde door massage, warme baden en rust geheel te herstellen', dan ontleent Zwart dat aan een brief van de 27-jarige Mengelberg aan het bestuur van de Diligentia-concerten in Den Haag. Of minstens aan een afschrift van die brief, als het origineel er niet is.

Zo zien we het graag, en het is dan ook een prachtwerk, dit droogjes getoonzette, maar in de overvloedige presentatie van feiten en feitjes welhaast uitbundige proefschrift.

De musicoloog Zwart is conservator van de collectie Nederlandse Muziekarchieven van het Haags Gemeentemuseum. Hij heeft er dagelijks omgang met het Mengelberg-archief - dat wil zeggen, met een groot deel van de papieren nalatenschap van de man die in 1895 werd geroepen tot het dirigentschap van het Concertgebouw-Orchest in Amsterdam, en daar na 25 jaren van grote glorie en naargeestig gedonder zijn jubileum vierde met een nimmer vertoond Gustav Mahler-festival.

Tussen dat feest en Mengelberg's uitvaart in 1951 is nog meer gebeurd, maar daar wacht Zwart even mee. Het tweede deel van zijn biografie over de musicus die, zoals in de jaren dertig duidelijk werd uit een enquête, populairder was dan zijn vorstin en look-alike koningin Wilhelmina (tot men in mei 1940 andere afwegingen begon te maken), verschijnt pas over een jaar of vijf.

De ontluistering komt, met andere woorden, pas later aan de beurt. Het dirigeerverbod dat Mengelberg na de oorlog werd opgelegd, omdat hij zijn talent en reputatie in dienst had gesteld van de bezetters; de levensavond van het ontspoorde idool, treurend op een Zwitserse Alp; het troosteloze verhaal van de veiling van zijn Amsterdamse huisraad en instrumentenverzameling, waaronder een 'Engelsche marsch-trommel' en een 'bos-neger viool met strijkstok' - al die misère moet nog komen. Net als het verhaal van die historische radio- en plaatopnamen uit de jaren dertig.

Zwart vond het kennelijk te veel worden voor één boek. Het pauzegordijn dat hij laat vallen bij 1920 - precies op de helft van die uitzonderlijk lange periode waarin Mengelberg chef-dirigent, nee 'directeur' was in Amsterdam - laat zich verklaren. Een cesuur viel misschien zelfs aan te raden. Aan de val van de 'roodharige Balder, deze Iskander met de vlammend-grijze oogen' (we citeren Matthijs Vermeulen) ging immers ook een opkomst vooraf, zelfs een jeugd. Bovendien had de Baas, buiten Amsterdam en zijn vaste dependance Den Haag, ook opmerkelijke carrières in Duitsland, Zwitserland, Amerika en andere buitenlanden. Zwart is de eerste die dat helemaal uitzoekt.

Dat in het kielzog van de auteur nu ook de lezer wordt uitgenodigd eerst een poosje naar de 'andere' Mengelberg te kijken, naar de groei van een zeldzaam muzikantendom, naar het losbreken van een orkestcultuur uit de oude begrenzingen van het provincialisme, zonder dat ogenblikkelijk Seyss-Inquart, NSB, Winterhulp en Ereraad beginnen mee te brommen in de voorstelling, dat mag in zekere zin een verademing heten.

Het neemt niet weg dat iedereen weet hoe het verhaal straks afloopt. Daarmee staat het nieuwe en opmerkelijke dat Zwart nu zo kalmpjes aanlevert tussen de feiten en feitjes in deel I, onvermijdelijk al in het vale licht van de latere afgang. Toch is het belangrijkste effect van Zwart's monnikenwerk, dat het ruimte forceert voor waardering en deernis. Al moet het je type wel wezen.

Het bekende beeld van Mengelberg is dat van een orkesttiran die de medemens met één blik, met een greep in de moppentrommel of twee ongeduldige tikjes op de lessenaar aan zijn discipline kon onderwerpen. In werkelijkheid heeft Mengelberg jaar in jaar uit het mentale onderspit gedolven in treiterpartijen en ordeverstoringen die hij, kennelijk tegen wil en dank, wakker maakte bij orkestleden. De realiteit aan de Van Baerlestraat was er een van sfeertjes, ruzies en crises, niet zelden met betrokkenheid van belangrijke musici op de voorste stoelen. Zoals de concertmeester André Spoor, of de solocellisten Mossel en Hekking.

Een biografie van Mengelberg, dat is ook een biografie van het Concertgebouwbestuur, in welks vergaderkamer de gezagsarme chef blijkbaar keer op keer met wapperende jaspanden kwam aanzetten. Sussend en vaderend sleepten de bankiers zich met de klagende Mengelberg van de ene hersenschim naar de andere intrige, en van de ene anonieme brief (was getekend: 'De Droomer') naar de andere opsporing van pesterij en achterklap. Origineel was het niet, het treiterrepertoire op de repetities: foute noten spelen, aanwijzingen overdrijven, verkeerde stoel pakken en niet meer afstaan, grote mond opzetten, tegen de maat in tikken.

Richard Strauss zag in het Concertgebouw-Orchester de enige klankbron die werkelijk in staat was te spelen wat er in zijn partituren allemaal stond. Gustav Mahler vond het dirigeren van Mengelberg's orkest een 'rustkuur', en Arnold Schönberg zal ook niet naar Amsterdam zijn gekomen omdat hij Mengelberg aan de piano wilde horen improviseren op de melodie van Alle eendjes zwemmen in het water (een van 's maestro's succesnummers).

Dat Mengelberg zelf chronische bescherming nodig had bij het handhaven van zijn roemruchte drilmeesterschap, komt pijnlijk naar voren uit de correspondenties en bestuursnotulen die Zwart heeft doorgespit. Mengelberg, de harde werker en exemplarische fijnslijper die bij Franz Wüllner was opgeleid aan het conservatorium in Keulen, en die het als 22-jarig dirigentje in Luzern zo naar zijn zin had, moet het in Amsterdam opnemen tegen 'elementen' met een Hollandse geest van 'tuchtloosheid'. Na twintig jaar schijnt hij nog niet te weten hoe je dat moet doen.

Binnengehaald op zijn 24ste, met het ideaal een frère et compagnon te worden van álle orkestleden, smeekt Mengelberg tien jaar later en vele ontslagen verder nog altijd om handhaving van de orde door een 'politieagent'. Die zou in de rangen van het orkest moeten plaatsnemen, en als het even kon moest de nieuwe administrateur Freyer dat maar worden.

Het bestuur keek wel uit. Mengelberg kreeg zijn disciplinebewaker pas twintig jaar na zijn aantreden. Het was Cornelis Dopper. Dezelfde Dopper wiens naam tussen Mahler en 'Rich. Strauss' in gouden letters staat geschreven op de balkonrand van het Concertgebouw. In de muziekgeschiedenis neemt hij een bescheiden plaats in als tweede dirigent, vlijtig componist (schepper van een Zuiderzeesymfonie) en mikpunt van een mysterieuze scheldkreet (de componist en criticus Vermeulen brulde vanaf het balkon 'Leve Sousa' na Dopper's Zuiderzeesymfonie, als protest tegen een in zijn ogen falend artistiek beleid; hij ontketende een nationale rel).

MENGELBERG probeerde Dopper later overigens te lozen, in een combinatie-ontslag waarvan de ándere tweede dirigent het eigenlijke mikpunt was: de bijdetijdse en onder liefhebbers van Frans repertoire populaire Evert Cornelis. Mengelberg, uitgerust met de kalmte en het psychische overwicht van iemand die achter elke boom een sluipmoordenaar meent te ontwaren, zag in Cornelis een 'bolsjewiek' en revolutionair die het gemunt had op zijn positie.

Het beruchte conflict in 1904 tussen Mengelberg en de orkestadministrateur Hutschenruyter ging niet alleen over artistieke en organisatorische bevoegdheden. Het was ook een slepende oorlog over de vraag wie het meeste gehoor vond bij de musici. Uiteindelijk ging het vooral over de vraag wie er in een Concertgebouw zijn mond mag opendoen en wie er allemaal moeten luisteren. Het leidde tot een pijnlijke reeks van gedwongen en vrijwillige ontslagen.

Verbijsterend is vervolgens de lichtzinnigheid waarmee Mengelberg sommige van de ontstane vacatures opvult. Hier een paukenist, omdat diens gezicht hem beter bevalt dan dat van een ander (Mengelberg noteert het zelf). Daar een nieuwe concertmeester, genaamd Birnbaum, zonder auditie aangesteld na een aanbeveling van de befaamde Belgische violist Eugène Ysaèe - die zijn getuigenis, naar later blijkt, 'zomaar' heeft afgegeven. Na een halfjaar waarin ze niet weten hoe ze van Birnbaum af moeten komen, krijgt de violist een jaarsalaris in de hand gedrukt en een afscheidconcert als solist - waarbij de ontgoochelde functionaris zich tot ieders schaamte verslikt in het vioolconcert van Bruch. Mengelberg is hier uiteraard niet te bekennen. Dirigent is zijn tweede man Heuckeroth.

Noem het allemaal wat je wil, maar noem het geen domheid. Verbazend, maar niet onverklaarbaar voor iemand die vrienden nodig heeft (of wil verdelen en heersen), zijn sommige pogingen van Mengelberg het 'frère et compagnonschap' concrete invulling te geven. Voor de een probeert hij een salarisverhoging te regelen, voor een ander de kwijtschelding van een schuld. Ronduit gehaaid is Mengelberg bij het voor weinig of geen geld laten optreden van buitenlandse dirigenten. En bij het lospeuteren van tophonoraria voor zijn eigen gastdirecties in het buitenland. Niet minder snugger is hij wanneer in het Concertgebouw zijn salaris in het geding is, wat in principe trouwens steeds het geval is.

Mengelberg hield de hoogte van zijn gage permanent op de agenda, als een onderwerp waarover het gesprek elk moment heropend kon worden (niet zelden in samenhang met een dreiging tot opstappen). Zijn vader, een sculpturist, atelierhouder en leverancier van heiligenbeelden en meubilair voor katholieke kerken, onderwees hem voor zijn eerste contractonderhandeling al terdege in de tactiek van het nooit akkoord gaan met een eerste bod. Het zou Mengelberg zijn leven lang van pas komen. Maar als je je afvraagt waar het geld allemaal aan opging - Frits Zwart weet het ook niet helemaal. De dirigent schijnt aan de uitgavenkant de bereidheid te hebben gehad zich royaal in de boot te laten nemen, en had een gat in de hand als het ging om antieke meubelen, glaswerk en 'Chinese bekkens'.

Onbetwistbaar is het belang van Zwart's speur- en giswerk naar de muzikale verwortelingen van het fenomeen Mengelberg. Natuurlijk voelt iedereen ze op de klompen aan, de verbanden tussen de mega-Matthäus van Mengelberg en de bijdetijdse Richard Strauss-passie van Mengelberg, Mengelberg's Beethoven-obsessies en Mengelberg's vroege fascinatie voor het werk van Gustav Mahler.

Maar leg het maar eens op tafel, samen met Mengelberg's rusteloze uitkiezen, verwerpen en veranderen van muzikale tempi. Het op de spits drijven van allerlei muzikale details, tegenover de even onmiskenbare behoefte van Mengelberg zich bij zijn interpretaties te beroepen op allerlei authentieke componistengetuigenissen.

En probeer de voorafspiegelingen van dit alles maar eens te vinden in de Keulse opleiding van Joseph Wilhelm Mengelberg.

MENGELBERG, die in Utrecht in een Duits gezin werd geboren, maar op grond van de toenmalige wet automatisch Nederlander werd, kwam na het manifest worden van zijn begaafdheid even automatisch terecht op een Duits conservatorium. Zwart slaagt erin een paar interessante verbanden aan te wijzen tussen Mengelberg's kunstenaarschap en de praktijk rond Franz Wüllner, zijn voornaamste leermeester.

In diens conservatoriumorkest hanteerde de jonge Mengelberg geïmponeerd het klokkenspel, toen de niet veel oudere Richard Strauss er zijn Don Juan kwam presenteren. Bij de Bach-vereerder Wüllner schijnt ook de nog vrijwel onbekende Mahler ter sprake te zijn gekomen. Het bekende pochen van Mengelberg op zijn unieke contact met Tsjaikovski - door een Russische ontmoeting met diens broer Modest - had een voorloper in de 'aanwijzingen van Beethoven' die Wüllner dacht ontvangen te hebben uit de mond van Beethoven's voormalige secretaris, Schindler. Mengelberg meende trouwens hierdoor ook een authentiek en rechtstreeks vertegenwoordiger te zijn van Beethoven's symfonische idealen.

Mengelberg's woede over de kritieken van Vermeulen blijkt in Frankfurt een weerspiegeling te hebben gehad, in een bittere vete van de dirigent met de Duitse criticus Paul Bekker. Dat Mengelberg, die door 'dames' (volgens een Amsterdamse insider) 'snoezig' werd gevonden, reeds jong de gewoonte had op belangrijke momenten wat typisch uit de hoek te komen, blijkt uit zijn brief uit Luzern aan de jurist Van Riemsdijk over zijn beschikbaarheid voor het Concertgebouworkest in Amsterdam:

'Ik kan niet anders; met zwaar gemoed maar toch met vreugde zeg ik: ik ben bereid'

De aangeschrevene, Utrechtenaar en geen bestuurslid, had slechts geïnformeerd of hij bij het Concertgebouworkest zijn naam moest noemen.

Frits Zwart: Willem Mengelberg - Een biografie 1871-1920.

Prometheus; 488 pagina's; * 59,90.

ISBN 90 5333 740 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden