Ging het nog maar om seks

Wat zou er van Bush zijn terechtgekomen als de VS niet waren overvallen door '11 september'? Bert Lanting heeft zijn twijfels....

'Monica Beach' zat bomvol, toen ik eind zomer 1998 'in Washington arriveerde met de geur van Rusland, de roebelkrach en armoede nog in mijn neus. Het was een onwerkelijke ervaring rond te lopen tussen de verslaggevers en de cameraploegen die in de vochtige zomerhitte op Monica Beach, zoals de pers het trottoir voor het ministerie van Justitie had gedoopt, zaten te wachten op de brokjes nieuws die onafhankelijk aanklager Kenneth Starr en zijn adjudanten hen toewierpen over hun klopjacht op president Clinton.

Er heerste een opgewonden stemming, er werd gespeculeerd over de mogelijkheid van een afzettingsprocedure tegen de president en misschien zelfs de val van Clinton, maar voor iemand die net kwam aangespoeld uit de chaos van Rusland was het een verbijsterend tafereel. Vooruit, Clinton had niet de waarheid verteld over zijn slippertjes met de stagiaire Monica Lewinsky, maar verder was er geen spoor van crisis te bekennen: de communistische vijand had al lang de witte vlag gehesen, Amerika maakte een economische boom door, de werkloosheid was lager dan ooit en aan de horizon gloorden de toppen van gigantische overschotten op de begroting, voldoende om de complete staatsschuld in net iets meer dan tien jaar af te betalen.

Waarschijnlijk was het juist die ondraaglijke lichtheid van het bestaan die de Amerikanen aanmoedigde om zich met volle overgave te storten op een politieke strijd op leven en dood. Avond aan avond fulmineerden conservatieve kopstukken zoals William Bennett – onlangs nog door de mand gevallen als een gokverslaafde die er miljoenen doorheen gejaagd heeft in de casino's van Las Vegas en Atlantic City – op de televisie tegen Clinton en het zedenverval in het heiligdom van de Amerikaanse politiek: het Witte Huis.

De grote dag voor de conservatieven was 11 september 1998, de dag dat vrachtwagens stapels exemplaren van het lijvige rapport van Kenneth Starr afleverden bij het Congres, het product van vier jaar wroeten in het leven van de Clintons. Wat begon als een onderzoek naar Whitewater-gate, een financieel schandaal waarbij de Clintons betrokken zouden zijn geweest, liep uiteindelijk uit in een rapport dat voornamelijk handelde over de vraag of Clinton opzettelijk gelogen had over zijn affaire met Lewinsky.

Op aandrang van Newt Gingrich, de conservatieve Republikeinse voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, werd het rapport meteen openbaar gemaakt zodat het Amerikaanse publiek kon meegenieten van de details over de jonge stagiaire die zich ooit grappend bij Clinton had aangeboden als zijn 'speciale medewerkster voor orale seks', over sigaren en over telefoonseks.

De televisiemaatschappijen brachten het politieke gevecht als een soap-serie, een soort vertraagde achtervolging van O. J. Simpson in zijn witte Ford Bronco, reality-tv nog voor het was uitgevonden. Maar in wezen ging het om een oorlog tussen de twee culturen die de conservatieve denkster Gertrude Himmelfarb ontwaarde in haar boek One Nation, Two Cultures. Een oorlog tussen de geestelijke erfgenamen van de permissive society van de jaren zestig en de pleitbezorgers van de traditionele Amerikaanse waarden: geloof, verantwoordelijkheid en gezin.

De Republikeinen hoopten dat de smoezelige details over Clintons liefdesleven hen bij de Congresverkiezingen in november een monsterzege zouden opleveren, maar in plaats daarvan werden zij door de kiezers onthaald op een electorale afstraffing. De Republikeinen verloren vijf zetels in het Huis van Afgevaardigden, een duidelijk teken dat de meeste kiezers niet gediend waren van de pogingen Clinton ten val te brengen.

Gingrich, de leider van de conservatieve opstand tegen Clinton, moest het veld ruimen, maar de Republikeinen zetten de klopjacht voort onder leiding van Tom DeLay, de majority whip die zijn zweep flink liet knallen om zijn weifelmoedige partijgenoten in het gareel te houden.

Onder druk van DeLay, die zijn carrière ooit begon als bestrijder van ongedierte in Texas, begon het Huis van Afgevaardigden op 18 december een debat over de mogelijke impeachment van president Clinton. Terwijl de Congresleden aan het debatteren waren, gaf Clinton het bevel tot een raketaanval op Irak als straf voor de weigering van het land om mee te werken aan de VNwapeninpecties. De Republikeinen schreeuwden moord en brand – sommigen spraken zelfs van een Wag the Dog-scenario (Clinton zou de aanvallen zijn begonnen om de aandacht van het Lewinsky-schandaal af te leiden) en stemden de volgende dag bijna unaniem voor een impeachment-proces tegen Clinton wegens meineed en het belemmeren van de rechtsgang.

Uiteindelijk concludeerde de Senaat op 12 februari 1999 dat high crimes and misdemeanors wel een wat al te zware term was voor Clintons erotische escapades. Het leek een keerpunt in de Amerikaanse politiek, een fatale nederlaag voor de conservatieven. 'We hebben de cultuuroorlog verloren', stelde de conservatief Paul Weyrich verbitterd vast.

Toch kreeg DeLay gelijk met zijn voorspelling dat de conservatieve achterban de Republikeinen zou belonen voor hun strijd tegen het linkse monster uit de jaren zestig dat het Witte Huis had gekraakt. In november 2000 revancheerden de Republikeinen zich bij de presidentsverkiezingen, die uitliepen op een herhaling van het bittere impeachment-gevecht. Alleen was Clinton ditmaal niet het slachtoffer, maar zijn brave adjudant Al Gore.

De verkiezingen liepen uit op een chaos, nadat Bush was aangewezen als winnaar omdat hij de meerderheid in het kiescollege had, hoewel hij in totaal minder stemmen had gehaald dan Gore. De uitslag toonde aan dat de VS verdeeld zijn in twee ideologische blokken die elkaar vrijwel in evenwicht houden: de liberale stedelijke bevolking en de bewoners van het conservatieve heartland van Amerika. Een vergelijking tussen een satellietopname van de VS in de nacht en de electorale kaart van Amerika laat de scheidslijnen duidelijk zien. De streken waar het licht is – bij de grote steden en langs de Oosten Westkust – vallen samen met de gebieden waar de Democraten de meeste stemmen haalden. De donkere gebieden markeren het domein van de Republikeinen: het Amerikaanse platteland.

Zesendertig dagen lang vochten hele legers Republikeinse en Democratische advocaten over de vraag of de stemmen in Florida moesten worden herteld en of half doorgedrukte stembiljetten – opeens praatte iedereen in Amerika mee over hanging chads en pregnant chads – nu wel of niet meegeteld mochten worden, totdat het Hooggerechtshof de knoop doorhakte en Bush aanweesals winnaar. Bush had de verkiezingen gewonnen met vijf tegen vier stemmen, constateerden de Democraten bitter. De vijf conservatieve rechters stemden voor het stopzetten van het hertellen van de stemmen, de vier progressieve rechters tegen.

Tijdens de verkiezingscampagne presenteerde Bush zich als de morele tegenhanger van Clinton, als een kandidaat die de 'waardigheid van het presidentsambt' zou 'herstellen'. Tegelijkertijd nam hij behoedzaam afstand van de Republikeinse scherpslijpers die Clinton ten val hadden proberen te brengen. Hij afficheerde zich als een 'uniter, not a divider', iemand die ver afstond van het onwaardige politieke gekrakeel in Washington.

In de praktijk is hij echter een van de meest controversiële Amerikaanse presidenten gebleken. In Democratische kringen koestert men een ongekend diepe afkeer van de Texaanse ex-gouverneur die onder de vlag van het compassionate conservativism het Witte Huis betrok.

Dat er achter het predikaat 'conservatief met compassie' wel wat anders schuil gaat dan gematigdheid, viel wel te verwachten als men bedenkt wie de uitvinder van de term is. Bush nam de term over van Marvin Olasky, een gewezen marxist die zich tot het christelijk geloof heeft bekeerd en die nu het denkbeeld uitdraagt dat de welzijnsstaat van de jaren zestig de bron van alle kwaad is. In plaats van aan de overheid kunnen sociale projecten volgens Olasky beter worden overgelaten aan faith-based (lees: op christelijke leest geschoeide) organisaties die de ontvangers van hulp tegelijkertijd solide morele waarden bijbrengen.

In de praktijk is er tot nog toe weinig terecht gekomen van de faith-basedprojecten waarvan Bush de mond vol heeft. Maar hij is wel druk bezig zijn stempel te drukken op het rechterlijk apparaat door her en der kandidaten te benoemen die de zegen hebben van zijn christelijk-rechtse achterban. De kroon op dat werk moet de benoeming worden van een nieuwe conservatieve rechter in het Hooggerechtshof die ervoor kan zorgen dat Bush' behoudende politieke erfenis voor vele jaren wordt veilig gesteld.

Slechts een paar maanden na zijn aantreden slaagde Bush er al in een enorm pakket belastingverlagingen door het Congres te jagen – de eerste van een reeks jaarlijkse belastingmaatregelen die er volgens Grover Norqvist, de oerconservatieve leider van Americans for Tax Reform, toe moet leiden dat het 'water in de badkuip zo laag wordt' dat de federale overheid droog komt te staan.

In zekere zin is dat al het geval: door de economische teruggang en de belastingverlagingen heeft de overheid nu te kampen met gigantische begrotingstekorten die het niveau van de recordtekorten uit de tijd van Ronald Reagan beginnen te benaderen.

Ook al maakt Bush nu een krachtige indruk, het is de vraag wat er van zijn presidentschap terecht zou zijn gekomen als de VS niet waren overvallen door 11 september 2001, de aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon. In de zomermaanden ervoor leek zijn stille conservatieve revolutie vast te lopen: uit ergernis over zijn beleid liep de gematigde Republikeinse senator Jim Jeffords zelfs over waardoor de Republikeinen tijdelijk de meerderheid in de Senaat kwijtraakten. Maar het politieke landschap veranderde totaal na het ineenstorten van de Twin Towers.

In de uren na de aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon hing er een onwezenlijke stemming, een vaag gevoel van dreigend gevaar. Uiteindelijk stortte het laatste gekaapte toestel dat nog naar Washington op weg was neer, nadat de passagiers in opstand waren gekomen tegen de kapers. Maar toch is die vage angst eigenlijk nooit helemaal geweken: het is alsof er nog altijd een ramptoestel boven de VS hangt.

Hoe gevoelig Amerika's zenuwen waren, bleek wel toen een maand later brieven met miltvuurpoeder opdoken. De brievencampagne, die gericht was tegen een paar journalisten en Democratische Congresleden, eiste tenslotte vijf levens, maar veroorzaakte een enorme paniek. Tal van mensen durfden de post niet meer aan te raken, postbodes werden gemeden als de verspreiders van de zwarte dood en sommige doemdenkers overwogen zelfs weg te vluchten uit de grote steden.

Zelfs het opduiken van de Washingtonse sluipmoordenaar – het bleken later twee schutters te zijn – die rond de hoofdstad een reeks mensen neerschoot, mengde zich in het collectieve onderbewustzijn met de vage angstgevoelens van het post-11 september tijdperk.

Voor zijn aantreden predikte Bush 'bescheidenheid' in het Amerikaanse buitenlandse beleid. Amerika moest zich volgens hem 'nederig' opstellen op het wereldtoneel en niet, zoals onder Clinton, de rol van 'mondiale straathoekwerker' op zich nemen.

Maar sinds 11 september 2001 heeft Bush voor een activistisch buitenlands beleid gekozen dat uitgaat van een preventieve aanpak om de VS tegen terroristische dreigingen te beschermen. De oorlog in Afghanistan was nog te zien als een reactie op de terreuraanslagen van 11 september, maar de militaire campagne tegen het bewind van Saddam Hussein was de eerste oorlog die gestoeld was op de nieuwe nationale veiligheidsstrategie die de regering-Bush in september 2002 ontvouwde onder invloed van neo-conservatieven als onderminister van Defensie Paul Wolfowitz.

In feite is de aanpak van Bush veel ambitieuzer en riskanter dan de internationale 'sociale projecten' waaraan de VS zich volgens de klacht van de Republikeinen onder Clinton wijdden. Na de omverwerping van het Talibanregime en het bewind van Saddam Hussein zitten de VS nu tot over hun nek in het proces van nation building waarover Bush vroeger zo smalend deed.

Of die pogingen om de Afghanen en de Irakezen de liefde voor de democratie bij te brengen zullen slagen, valt nog te bezien. Maar het is wel zeker dat er heel wat Amerikanen zijn die stilletjes terugverlangen naar de zorgeloze dagen dat zij hun democratie gebruikten om jacht te maken op een president, om wat sigaren, orale seks en een leugentje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.