Gij zult niet afbeelden

Wat heeft de wetenschap te zeggen over de actualiteit? Deze week: moslimwoede om Mohammeds beeltenis.

In Libië, Iran, Egypte, Soedan, Pakistan, Indonesië, Libanon: overal in de islamitische wereld waren er de afgelopen week felle protesten tegen de Amerikaanse film Innocence of Muslims en een spotprent in het Franse satirische blad Charlie Hebdo. De makers zouden de Profeet hebben beledigd - niet zozeer door hem af te schilderen als kinderverkrachter of wrede heerser, nee, wat vooral kwaad bloed zet is het simpele feit dat Mohammed in de film en de cartoon te zien is.


Heeft de profeet verboden dat hij zou worden afgebeeld? Elke islamdeskundige weet dat er over een verbod op het afbeelden van Mohammed (of van levende wezens in het algemeen) in de Koran niets is te vinden. De demonstranten moeten het doen met de zogenoemde Traditie, de Hadith. Dat is een kolossale hoeveelheid verhalen over Mohammed, die in de eeuwen na zijn dood zijn verzameld en vastgelegd. Voor veel orthodoxe moslims zijn deze tradities net zo waardevol als koranverzen.


Daarbij draait het vooral om twee uitspraken die gedaan zouden zijn door Mohammed. Op een dag vroeg hij zijn favoriete vrouw Aisha om een gordijn waarop een vogel stond te vervangen. Want, zo zou hij hebben gezegd, 'als ik het zie, denk ik aan het aardse leven'. Volgens het andere verhaal zou Mohammed gezegd hebben dat mensen die afbeeldingen maken, tijdens het Laatste Oordeel het zwaarst gestraft zouden worden.


Het eerste verhaal is nauwelijks op te vatten als een algemeen verbod, het tweede heeft (zo blijkt uit de context) betrekking op het maken van afgodsbeelden. Volgens historici moeten we de oorsprong van het verbod om Mohammed af te beelden dan ook niet zoeken in de Koran of de Hadith, maar in een heftig theologisch conflict dat begin 8ste eeuw speelde in het jonge islamitische rijk én in het christelijke Byzantijnse rijk, dat kort daarvoor door de moslims was verslagen, maar niet veroverd.


Christenen in beide rijken discussieerden over de vraag of men God, Jezus en alle schepselen wel mocht afbeelden. God had dat immers verboden, in Exodus 20:4. Een dergelijk verbod heeft diepe historische wortels; het gaat terug op de oeroude angst dat het aankijken van een god dodelijk kan zijn.


De islamitische heersers, die veel christelijke, maar ook veel joodse onderdanen hadden, neigden naar een verbod. Maar voor veel van hun christelijke onderdanen was zo'n verbod onaanvaardbaar: afbeeldingen waren onmisbaar voor de verering.


Omstreeks 740 leek de heikele kwestie een oplossing te naderen. De Byzantijnse keizers kondigden een verbod af. De islamitische heersers deden daarop hetzelfde. Veertig jaar later kwamen de Byzantijnse keizers daar weer op terug - dankzij dat besluit kunnen we nu nog genieten van schitterende iconen - maar in de islamitische wereld is het verbod op afbeeldingen niet meer teruggedraaid. Alleen sjiieten hadden indertijd geen moeite met afbeeldingen.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden