Gigantisch, sexy, grappig en zo duur als een huis

Jeanne Prisser bericht over wat zich afspeelt in de voorhoede van de beeldende kunst. Deze week: twijfelen tussen een huis of een doek van Jonas Wood, en een brug over de Middellandse Zee.

Beeld Jonas Wood

Londen, 14 november

In Londen moest ik zijn om 'dé figuratieve schilder van het moment' - volgens The New York Times - te zien. Een Amerikaan, Jonas Wood, nooit van gehoord. Nu moet je natuurlijk niet alles geloven wat je in de krant leest. Maar in dit geval maakte de ronkende beschrijving me nieuwsgierig. Zijn doeken gaan voor een paar honderdduizend euro's (of dollars, of ponden) van de hand.

Dus begaf ik me naar het centrum van de kunstmacht, naar een van de vijftien galeries van het immer uitdijende Gagosian-imperium. Een beminnelijke heer in pak opende de deur. Hij begroette me met een hoofdknikje. Oh golly. Leve de befaamde hospitality. De heer maakte deel uit van een ensemble van in totaal vier beveiligers. Vier! Die moesten voorkomen dat ik aan de haal zou gaan met een van de schilderijen van Wood. Dat had ik dolgraag gewild, maar ik denk dat ik zo'n doek van 3 tot 6 vierkante meter ook zonder hun wakende blikken moeilijk onder mijn jas had kunnen steken.

Wood schildert namelijk groot. Zijn onderwerpen: interieurs, vazen en kamerplanten. Dat lijkt willekeurig, maar dit is drie keer dicht bij huis voor Wood. Hij schildert bijvoorbeeld zijn kinderdagverblijf van vroeger (een kast met spelletjes, twee Pino's op wielen) of het atelier van zijn vrouw, de keramist Shio Kusaka (vazen, bananendozen, een blauwe fiets). De vazen op zijn schilderijen werden gemaakt door Kusaka en de kamerplanten lijkt hij ook persoonlijk te kennen.

Dit huiselijke blaast Wood op tot larger than life-proporties in felle kleuren. Naïef geschilderd met vreemd perspectief en rare afsnijdingen. Deze schilderijen zijn zo maf, zo grappig en zo, tja, sexy, dat zelfs ik eraan moest geloven. Ja, ik kon begrijpen dat iemand zou twijfelen tussen de aanschaf van een huis of zo'n doek. De twintig gigaschilderijen waaraan ik me vergaapte waren allemaal dit jaar gemaakt. Daaruit is een volslagen krankjorum arbeidsritme af te leiden (elke twee weken een meesterwerk). En een buitenissige jaaromzet (doet u zelf die som maar).

Ik begaf me naar een zaaltje met kleinere tekeningen. Studies voor grotere werken, maar ook souvenirs van een eerdere tentoonstelling, bijvoorbeeld een kamerplant op postpapier van Gagosian Hongkong. Dit moest wel de allerhipste, allerduurste kamerplant-van-viltstift zijn die bestaat. En het mooiste: hij paste precies onder mijn jas. Helaas was ik te gecharmeerd van 'mijn' beveiliger om het erop te wagen.

Rotterdam, 17 november

Koud terug uit Londen, kreeg ik die andere wereldsteden voor mijn kiezen. Beiroet, Parijs - wat kan ik daar nog over zeggen? L'horreur. Nadat ik alle ellendige beelden had bekeken, zag ik alleen nog nevel. Ik miste de kunst; waar was de kunst om mij te verlichten?

In Rotterdam moest ik zijn. Midden in 'aandachtswijk' Spangen staat het Justus van Effencomplex. Ik schreef er al eens over: het is een sterk staaltje sociale woningbouw uit de jaren twintig, nu verdeeld in koop- en huurwoningen. In het voormalige badhuis huist kunstinitiatief A Tale of a Tub. Daar had men een videostaalkaart van de vluchtelingenproblematiek samengesteld, het eerste deel van een drieluik over migratie, aanpassing en heimwee, The Migrant (Moving) Image. Dit hoofdstuk was getiteld: 'Departure: Harraga'. Dat laatste woord is de Arabische term voor illegale migranten.

Sahara Chronicle Beeld Ursula Biemann

Nu komt het, dacht ik. Nu toont zich ten enenmale de kracht der verbeelding. Maar toen bleek tot mijn grote schrik dat die verbeelding het hopeloos aflegde tegen de realiteit.

Dat wil zeggen, tot vlak voor het eind van de tentoonstelling kreeg het imaginaire mij niet te pakken. Ik zat me godbetert te vervelen bij goedbedoelde, maar zúlke sááie poëtische videobeelden van de Braziliaanse performancekunstenaar Paulo Nazareth. Die reed achter een bus aan en legde eindeloos stenen in de zee. Waartoe? Geen énkel idee. Ik zat me te verbijten bij het zien van de proloog van Nicolas Provosts film The Invader, een 3 minuten durende, potsierlijke clichéfantasie, waarin een zwarte man aanspoelt op een westers naaktstrand, alwaar hoogblond topmodel Hannelore Knuts hem sereen staat op te wachten. Nou! Dan liever de zee in, zou ik zeggen.

Nee hoor, hier gaf de verbeelding het jammerlijk uit handen. Liever keek ik naar Sahara Chronicle van de Zwitserse Ursula Biemann. Die was dwars door de Sahara meegereisd met allerlei lieden, van economische migranten tot mensen die gewoon hadden besloten dat het elders beter was. Meer documentaire dan kunst; ik laafde me aan informatie. Alsof ik op het IDFA zat in plaats van in een huis voor beeldende kunst.

En toen. Toen schotelde het Oostenrijkse collectief Center for Political Beauty, voorvechters van een agressieve vorm van humaniteit, zo las ik, mij een professioneel uitziende, gladde promotiefilm voor. Het bleek een megalomaan overheidsplan voor een kilometers lange zeebrug tussen Noord-Afrika en Europa. En tot die af is: honderden supersonische vlotten op zonne-energie in de Middellandse Zee, zodat geen vluchteling meer hoeft te verdrinken. Wat was dit: waarheid, fantasie? Op zijn minst een mengvorm: verbeeldingskracht die overtuigend aan de haal ging met de werkelijkheid. Kijk aan, het kon dus toch. Mijn fantasie sloeg eindelijk op hol.

Jonas Wood Gagosian Gallery, Britannia Street, Londen, t/m 19/12
The Migrant (Moving) Image A Tale of a Tub, Rotterdam, t/m 24/01

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden