Gids van de Revolutie leeft in zijn eigen wereld

Kolonel Moammar Kadhafi, die morgen veertig jaar aan de macht is in Libië, heeft wegens ‘Lockerbie’ toch weer de wrevel van het Westen weten te wekken....

Het was drie jaar geleden dat een lid van de Libische regering zich spoedde naar de bedoeïenentent even buiten Tripoli, waar kolonel Moammar Kadhafi verbleef. Hij moest met hem een kwestie van ‘groot nationaal belang’ bespreken. Pas na vier uur wachten kreeg hij toegang tot de Gids van de Libische Volksrevolutie. De reden: Kadhafi wilde zijn gesprek met enkele Toearegmuzikanten niet afbreken.

‘Dit typeert Kadhafi’, zegt de Vlaams-Amerikaanse politicoloog Dirk Vandewalle (55), auteur van A History of Modern Libya, die de anekdote van het regeringslid zelf hoorde. ‘Kadhafi bepaalt wat gebeurt en iedereen moet zich daarnaar schikken. Het voorval toont ook hoezeer Kadhafi buiten de realiteit leeft. Dat is misschien niet vreemd, als je veertig jaar wordt omringd door mensen die elke uitspraak van je, hoe bizar ook, een geweldig idee noemen.’

Vandewalle, hoogleraar bestuurskunde in het Amerikaanse Dartmouth, sprak zelf drie keer met Kadhafi. De kolonel staarde langs hem heen, mompelde en bleef maar op het Westen foeteren. Stelde hij een vraag over economisch beleid, antwoordde Kadhafi: ‘Daarover heb ik al geschreven in mijn Groene Boekje’, doelend op zijn in de jaren zeventig gepubliceerde ideeën, een soort mengsel van socialisme en islam.

De ‘zeer onproductieve’ gesprekken versterkten voor Vandewalle het beeld van een leider die in zijn eigen wereld leeft. Het jongste voorbeeld is echter de heldenontvangst voor ex-geheim agent Abdelbaset Megrahi, die tot levenslang was veroordeeld voor de aanslag in 1988 op een vliegtuig boven het Schotse Lockerbie. Honderden Libiërs kwamen op 20 augustus naar het vliegveld, zwaaiend met Libische vlaggen, om de dodelijk zieke Megrahi te verwelkomen die Schotland uit clementie had vrijgelaten. Vandewalle: ‘Elk land met zo’n periode van isolatie achter zich, zou vermijden de woede van het Westen op te wekken. Kadhafi, die nooit schuld heeft bekend aan ‘Lockerbie’, gebruikte de heldenontvangst om te zeggen: ik heb altijd gelijk gehad. Hij heeft de vrijlating gebruikt om zijn aanzien bij de Libiërs te vergroten.’

Het is dit gebrek aan contact met de werkelijkheid dat een constante is in vier decennia Kadhafi.

Kadhafi, die in 1942 of 1943 geboren wordt als zoon van analfabete bedoeïenen, luistert tijdens zijn schooltijd ademloos naar Voice of the Arabs, de radiozender uit Caïro, waardoor hij een diepe bewondering ontwikkelt voor de Egyptische leider Gamal Abdul Nasser, de held van de Arabische eenheid. Hij leest alles wat hij over Nasser te pakken kan krijgen, maar verslindt ook biografieën van Abraham Lincoln en Kemal Atatürk.

Al snel beseft Kadhafi dat de enige weg naar verandering in Libië via het leger loopt. Na de militaire academie te hebben doorlopen in de kustplaats Benghazi, en na negen maanden militaire training in Groot-Brittannië, wordt hij gelegerd in Benghazi, waar de samenzwering begint. Op 1 september 1969 plegen zeventig officieren een geweldloze staatsgreep tegen de pro-westerse, maar corrupte Koning Idris I.

In korte tijd sluiten de nieuwe machthebbers twee militaire bases van Britse en Amerikaans militairen, zetten ze 20 duizend Italianen het land uit die er na de koloniale tijd waren blijven wonen en dopen ze de katholieke kathedraal van het Heilige Hart van Jezus om tot de moskee van Gamal Abdel Nasser. Kadhafi, die na enkele maanden is komen bovendrijven als onbetwiste leider, vliegt onaangekondigd naar Caïro. ‘Zeg president Nasser dat we de revolutie voor hem hebben uitgeroepen. Hij kan alles van ons nemen en het toevoegen aan de rest van de bronnen van inkomsten van de Arabische wereld, om te gebruiken in de strijd (tegen Israël en voor Arabische eenheid, red.)’, laat Kadhafi weten.

Nasser, wiens revolutie na de nederlaag in 1967 tegen Israël op zijn laatste benen loopt, weet niet goed wat hij met hem aanmoet. ‘Ik mag Kadhafi wel’, zou hij echter zeggen, kort voor zijn dood in 1970. ‘Hij doet me aan mezelf denken, toen ik die leeftijd had.’

Kadhafi ziet zichzelf na Nassers dood als diens opvolger. In de vijftien jaar die volgen, stelt hij zeven plannen op voor grotere Arabische eenheid, variërend van een fusie met Egypte en Soedan (in 1969), of met Tsjaad (in 1981), tot een bond met Marokko (in 1984). Alle initiatieven stranden. De teleurstelling brengt hem er later toe zich op Afrika te richten. Op bijeenkomsten van de Afrikaanse Unie pleit hij nu voor de oprichting van de ‘Verenigde Staten van Afrika’, waarbij zijn Afrikaanse ambtgenoten meewarig toekijken.

Libië boekt wel succes binnen de OPEC, de groep olieproducerende landen, en speelt een cruciale rol tijdens de oliecrisis (1973-1974) als de OPEC de productie inkrimpt en de olieprijzen verhoogt. De hogere inkomsten stellen Kadhafi in staat een waaier aan terreurbewegingen te steunen, van Palestijnse guerrillagroepen als die van Abu Nidal tot het Japanse Rode Leger en de IRA in Noord-Ierland. In 1979 zet de VS Kadhafi op de lijst landen die terroristen financiert.

President Ronald Reagan, die in 1981 aantreedt, zint op een manier om de ‘dolle hond van het Midden-Oosten’ aan te pakken. Als in 1986 een bomaanslag in een Berlijnse disco vol Amerikaanse militairen aan Libië wordt toegeschreven, laat hij een raketaanval uitvoeren op Libië, waarbij Kadhafi’s geadopteerde dochter Hanna omkomt. In 1992 leggen de VN sancties op, als Tripoli weigert de twee verdachten uit te leveren van de Lockerbie-aanslag. De isolatie is compleet.

In eigen land merkt Kadhafi al snel dat de ‘massa’s’ eerder apathisch zijn dan enthousiaste revolutionairen. Om de revolutie veilig te stellen (lees: zijn machtspositie) bouwt hij de veiligheidsdienst uit met hulp van de Sovjet-Unie en zet hij volkscomités op, waarin burgers elkaar bespioneren. Hij wil de ‘staatloze maatschappij’ scheppen, zoals Vandewalle het noemt in zijn boek, een directe democratie zonder bureaucratische instituten – waarin Kadhafi echter alleenheerser blijft.

De beklemmende sfeer in de jaren zeventig en tachtig in Libië is treffend verwoord in Niemandsland (2006) van diplomatenzoon Hisham Matar. Een 9-jarige jongen vertelt er over de ‘antennes’, de leden van de geheime dienst, ‘die mensen achter de zon konden laten verdwijnen’. De jongen ziet hoe een buurman wordt meegenomen en later op tv wordt verhoord, waar hij wordt gedwongen zijn vrienden te verraden.

‘Begin jaren tachtig zonden ze die verhoren elke week uit’, zegt de Libische journalist Omar Elkeddi (50), die in 1999 naar Nederland vluchtte, nadat beide bladen waarvoor hij werkte waren verboden. ‘We vroegen elkaar: ben jij al op kleuren-tv geweest, als we wilden weten of iemand was verhoord. Erger nog was dat ze lieten zien hoe mensen werden opgehangen.’

Elkeddi schreef een kort verhaal, waarin een bloedig neergeslagen opstand ter sprake komt van gevangenen tegen hun leefomstandigheden. ‘Dat is gebeurd in 1996. Ongeveer 1.200 mensen zijn toen vermoord, weten we van de kok. Ineens moest hij 1.200 maaltijden minder maken. Het regime heeft nooit erkend dat het er zoveel waren. Maar de humanitaire organisatie van Saif al-Islam, Kadhafi’s zoon, maakte vorige maand bekend de nabestaanden van de slachtoffers van die opstand 100 duizend dinar (56 duizend euro) schadeloosstelling te geven per slachtoffer. Het ging om 1.167 families. Toch dicht bij die 1.200.’

Dat het regime het geld uitkeert, laat zien dat Kadhafi niets meer te vrezen heeft van de 6 miljoen Libiërs. ‘Hij kan zich het gebaar veroorloven, omdat alles nu honderd procent onder controle is in Libië. Kadhafi heeft zich nog nooit zo zeker van zichzelf gevoeld.’

Saif al-Islam (37) loopt zich intussen warm om zijn vader op te volgen. Hij staat symbool voor het modernere Libië, dat ontstond in 1999. Het was het jaar dat Kadhafi zich mede door Nelson Mandela liet overhalen de twee Lockerbie-verdachten uit te leveren en besloot de nabestaanden van ‘Lockerbie’ te compenseren. De VN schortten de sancties op, die grote problemen hadden veroorzaakt voor de verouderde Libische olie-industrie.

Het land werd direct overstroomd door mensen op zoek naar lucratieve oliecontracten, met Italië voorop. Dat ontvangt nu 35 procent van de Libische olie. Geen wonder dat premier Berlusconi in juni Kadhafi met alle egards ontving en hem zijn bedoeïenentent liet opzetten in het grootste park van Rome. Hij bleef ook stoïcijns toen Kadhafi hem begroette met op zijn borst een foto van Omar al-Moektar, de in 1931 opgehangen verzetsheld die vocht tegen de Italiaanse overheersing (1912-1943).

Ook de VS omarmen inmiddels de excentrieke kolonel, die in 2001 de aanslagen van ‘11/9’ veroordeelde en Libiërs opdroeg bloed te geven, en in 2003 aankondigde de ontwikkeling van nucleaire en chemische wapens te staken.

Vandewalle denkt niet dat Libië veel last zal hebben van de heldenontvangst die het Megrahi bereidde. De vraag naar olie is eenvoudig te groot. ‘Neem dat briefje van de Britse premier Brown, waarin hij ‘Beste Moammar’ vraagt Megrahi niet te opzichtig te ontvangen. Als dat niet voor een dictator door het stof gaan is, weet ik het niet meer.’

Vandewalle vindt de ontvangst van Megrahi om een andere reden ‘interessant’. ‘Saif al-Islam kwam met Megrahi de vliegtuigtrap af, gehuld in traditionele kledij. Ik heb Saif vaak ontmoet, waarbij hij altijd een driedelig pak droeg en steeds benadrukte zijn land te willen moderniseren. Dat hij nu in traditionele kleren een voor massamoord veroordeelde Libiër vergezelt, kennelijk omdat hij anders niet als leider wordt geaccepteerd, voorspelt weinig goeds. Het verkleint de kans op verantwoordelijk leiderschap in Libië.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden