Gezin in de tang

Het gezin is niet langer de norm. Meer vrouwen blijven kinderloos. Opvoeden is een minder gewaardeerde bezigheid geworden. De onverdraagzaamheid jegens kinderen groeit....

EEN JONG GEZIN, in de jaren vijftig, zondagmiddag in de bus. De onlangs overleden F.B. Hotz beschreef het tafereel in Een verschil van touché: 'Jonge, getrouwde mannen - nog even en ze zijn oud - kan men zien worstelen met onwillige wandelwagentjes. Ze kijken niet geërgerd, niet nerveus, maar uitgeblust. Hun hoop is vervlogen. Hun vrouwen zitten al; die balanceren een mooi aangekleed kindje als een pop op hun bovenbenen. Voor de manoeuvrerende man hebben ze geen blik over. Ze wachten gelaten en vinden dat hij stom doet. ''Eerst opklappen'', roepen ze zuchtend. Een chroom wieltje haakt opnieuw achter een stijl.'

De man doet boete voor zijn begeerte; levenslang kostwinnerschap, met inlevering van zijn liefhebberijen, is zijn deel. Na het werk kan hij zich persen in een van de damesfauteuiltjes in háár huiskamer. Thuis is zij de baas. Geld is niet altijd macht.

Vijftig jaar later. In de documentaire Alles van Marije Meerman, onlangs uitgezonden door de VPRO, sloft een jonge moeder achter een wandelwagentje. Kringen onder de ogen, de schouders moedeloos. Ze heeft een man, een kind, een huis en een baan - en haar hoop is vervlogen. Híj is voor zaken in Japan, maar ook als hij dat niet is, komt hij laat thuis. We zien haar sjokken en weten, ook zonder documentaire, hoe haar leven eruitziet.

Zij is de doorsnee werkende moeder in Nederland, in het hier zo populaire 'anderhalfverdienersgezin'. Het is haar 'vrije' dag. Ze moet nog boodschappen doen, het huis opruimen, even bij haar bejaarde moeder langs, en daarna koken, afwassen, en het kind in bad doen. Als alles meezit, ligt het voor Onderweg naar morgen in bed. Bij het Journaal zullen haar ogen dichtvallen. 's Nachts zal de kleine schat nog drie keer wakker worden. Morgenochtend moet ze om acht uur op de crèche zijn. Ze heeft een hbo-diploma en ze verdient geld, al is het te weinig om in haar eentje van te leven. Thuis is zij niet de baas, op haar werk evenmin. In de enige vrije kamer in het krappe nieuwbouwhuis staat zíjn computer. Ze zou wel een tijdje willen stoppen met werken. Maar dat zou zonde zijn van haar opleiding. En dan is er nog de hypotheek. En de studie van de kinderen, straks.

Gezin & geluk. Vergelijk deze twee taferelen: wat zijn we opgeschoten? Vijftig jaar emancipatie, vijftig jaar democratisering van het onderwijs. Vrouwen zijn net zo goed opgeleid als mannen, en hun deelname aan de arbeidsmarkt steeg enorm. Zouden vrouwen geen kinderen krijgen, dan konden we binnenkort rekenen op hun stormachtige verovering van de topbanen in het bedrijfsleven, de wetenschap en het openbaar bestuur. Maar vrouwen krijgen wel kinderen. En aangezien de deelname van hun mannen aan de huiselijke zorg nauwelijks steeg, betalen zij een hoge prijs voor hun emancipatie: een magere carrière, een jachtig gezinsleven.

En dan is er nog het wicht in het wandelwagentje. Hoeveel is dat er eigenlijk de laatste decennia mee opgeschoten? Het kan er niet op rekenen dat zijn ouders bij elkaar blijven. Kinderen mogen niet weglopen, ouders wel: een op de vier huwelijken eindigt in een scheiding. Niemand vraagt hem of hij niet liever thuis is dan op de crèche of de naschoolse opvang. Hij heeft veel speelgoed, maar zijn ouders zijn te moe om met hem te spelen. Op straat is het gevaarlijk, en ieder plekje groen wordt volgebouwd. Op school moet hij geweldig z'n best doen. Want dat het kind in wie zoveel is geïnvesteerd maatschappelijk mislukt, is de nachtmerrie van hoogopgeleide anderhalfverdieners.

We zijn de architect geworden van ons eigen geluk, dus we zullen het weten. Wie het kind krijgt mag het houden. De beknottingen van het gezinsleven staan in schril contrast met het soort leven dat alom verrijkend, uitdagend en smaakvol wordt bevonden. Twee mensen van dertig met een goede baan die, na een langgerekte jeugd zonder verantwoordelijkheden, na jaren van reizen, shoppen, 'stappen' en ongeremd geld uitgeven, besluiten een kind te krijgen, staat de schok van hun leven te wachten.

Een Kind, een pril wezentje dat het symbool is van hun liefde, ja, dat is natuurlijk prachtig. Maar een Gezin? Dat is zo'n triest groepje dat zich, gehuld in gele regenpakken, op huurfietsen naar het Center-Parcs-huisje spoedt. Heerlijk jongens, vakantie! Twintig jaar lang niet uitslapen, nooit meer doorzakken. Geen weekendje naar New York maar naar Slagharen. Bert & Ernie-bandjes in de auto waar Bach of Springsteen klonk. Een gezin, dat betekent één half inkomen inleveren, plus nog zo'n duizend gulden per maand voor de crèche, terwijl het net gekochte gezinshuis tweemaal zo duur is als het oude flatje.

En behalve opa en oma staat niemand te juichen. Mensen met jonge kinderen zijn hinderlijk. Op het werk moeten ze stipt om half zes weg omdat de crèche sluit, het overwerk aan de anderen latend. Ze melden zich ziek als er weer eentje de waterpokken heeft. Ze bederven ieder goed gesprek met gezemel over hun voorlijke kroost.

De kinderen zelf zijn nog hinderlijker. In Amerika verscheen onlangs het boek The Baby Boon van Elinor Burkett, met de ondertitel How Family-Friendly America Cheats the Childless. De auteur gispt werkgevers voor 'equal pay for unequal work', en de overheid voor het schandelijke belastingvoordeel dat ouders - breeders in haar jargon - genieten omdat ze kosten voor opvang en studie van hun toy mogen aftrekken. Zij bepleit childfree zones in cafés, restaurants en zwembaden, en stelt voor om winkels slechts een beperkt aantal uren open te stellen voor klanten met jengelende peuters in hun wagentjes. Het is bijna weerzinwekkender dan roken, kinderen hebben.

IN NEDERLAND is het zover nog niet, maar het gaat die kant op. 'Werkende moeders zijn onbetrouwbaar', zei P. Cuyvers, stafmedewerker van de Nederlandse Gezinsraad onlangs in een interview in NRC Handelsblad. Hij zei het ter verdediging van de overbelaste moeders, maar kreeg een hoop onbedoelde bijval van kinderlozen die geen greintje begrip opbrengen voor tobbende ouders. Kinderen zijn verwend en onopgevoed, en als ze in de puberteit komen, vertonen ze crimineel gedrag, weet men aan menige borreltafel. Toch is slechts een procent van de jongeren gewelddadig, en een iets grotere groep problematisch - spijbelaars, winkeldiefjes - en dat zijn nu juist niet de kinderen van drukbezette, maar 'bewust' opvoedende tweeverdieners.

Waarschijnlijk is het een kwestie van perceptie: niet het kind is lastiger, maar de tolerantie jegens kinderen is afgenomen. Het gezin is niet langer de norm. Slechts een op de drie huishoudens is een gezin, en de onverdraagzaamheid van die tweederde groeit. Als op een dertigers-feestje drie kinderen rondrennen, is dat storend, terwijl veertig jaar geleden niemand zich gestoord zou hebben aan twintig spelende kinderen; die hoorden er gewoon bij.

Kinderen opvoeden is geen maatschappelijk hoog gewaarde bezigheid meer. De vanzelfsprekende solidariteit tussen mensen met en zonder kinderen is verdwenen. Wie geen zin heeft in de verantwoordelijkheid van een gezin en zich voluit aan z'n carrière wil wijden, heeft daar alle recht toe. Eenderde van de hoogopgeleide vrouwen bedankt voor het moederschap - begrijpelijk. Maar om nu de lasten van het grootbrengen van een generatie geheel af te schuiven op ouders die zich een 'speeltje' aanschaften, is kortzichtig.

Al zal geen paar een kindje nemen omdat het de demografische en economische noodzaak daarvan voelt, die noodzaak is er wel. Het aloude argument 'die lastige peuters van nu betalen straks jouw AOW' is een dooddoener. Het gaat om meer dan AOW. Iedereen die nu dertig is wil straks een arts aan zijn bed, een trein die rijdt, een volle supermarkt, een welvarende en aangename samenleving die doordraait.

Het gaat nu goed met de economie, mede dankzij de massale toeloop van vrouwen op de arbeidsmarkt. Maar de voorwaarden om in een gezin met twee werkende ouders kinderen behoorlijk op te voeden blijven hopeloos achter. Daarbij gaat het niet alleen om het eeuwige 'meer crèches'- al zijn we op dat gebied het achterlijke broertje van alle Europese landen - maar ook om de houding van werkgevers en kinderlozen. Een gezin is handzaam en goedkoop. Als alles wat kinderen nu thuis leren - van taalvaardigheid en fietsen tot goede manieren en teamgeest - moet worden uitbesteed aan instituties, is de samenleving heel wat duurder uit.

Niet alleen krachten van buitenaf pletten het gezin, ook binnen de muren heerst een broos evenwicht. De economische noodzaak tot gezinsvorming is verdwenen, nu iedereen zijn of haar eigen brood kan verdienen en het kostwinnerscontract - hij verdient geld, zij zorgt - is verbroken. Het gezin heeft nu een louter affectieve grondslag. Het is een bolwerk van liefde, een warme hut om in te schuilen. Maar die liefdesband tussen drie, vijf, zeven mensen kent alle gevoeligheden en risico's die een relatie tussen twee mensen al zo ingewikkeld maken.

Áls het lukt, dan is het ook fantastisch, zo'n harmonieus gezin waarin iedereen aan zijn trekken komt en wordt bemind. De een haar leuke baan, de ander z'n favoriete sport en hulp bij z'n huiswerk. Maar er wordt een zware wissel getrokken op de deelnemers. Onderweg kan er van alles misgaan. Eén onaangepaste die de saamhorigheid verstoort, één ouder die vertrekt of sterft, één inkomen dat wegvalt, of het bouwwerk stort in. Opnieuw zo'n gezellig groepje vormen met halfbroertjes en stiefzusjes, vier ouders tevreden stellen, dat valt niet mee.

De afgelopen dertig jaar is het gezin langzaam veranderd van een bevelshuishouding in een onderhandelingshuishouding. Wat bij een intellectuele elite in de jaren zestig begon - je kinderen niet drillen maar opvoeden met redelijk overleg en wederzijds respect - 'daalde' pijlsnel de middenklasse in. En met succes. Maar: het vereist nogal wat kwaliteiten van opvoeders om kinderen als gelijkwaardig te beschouwen en hun toch normen en waarden bij te brengen. Sommige mensen hebben dat niet in huis. Zij brengen de liefde niet op en voeren machteloos het bevel over kinderen die hen uitlachen. Of ze houden veel van hun kinderen maar durven ze niets in de weg te leggen. Zulke kinderen ontsporen.

Zit het gezin wanhopig in de val? Te oordelen naar het merendeel van de gezinnen, dat zich volmondig 'gelukkig' noemt, niet. Want ach, - en nu onderdrukt de kinderloze een geeuw - het is al die moeite wel waard. Het cliché is waar: 'Je krijgt er zo veel voor terug.' Wat dan? Louter immateriële vreugde, te alledaags om er een ander mee te overtuigen: de fascinerende aanwezigheid van jong leven; liefde die niet opzegbaar is; het genoegen om iets te doen wat niet in klinkende munt wordt terugbetaald.

Kennelijk is het genoeg. Niemand zal op zijn sterfbed als hoogtepunt van zijn leven het jaar memoreren waarin hij een torenhoge omzet haalde, of eindelijk chef werd van de boekhouding. Het zijn andere mensen die een leven, met alle onzin en ongemak ervan, de moeite waard maken. Het gezin is niet stervend, al is het maar omdat kinderen er alles aan gelegen is het in stand te houden. Maar iets meer steun aan dat oubollige gemeenschapje zou welkom zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden