Gezicht op feeëriek licht Vermeer en zijn Gouden Eeuw worden herdacht in een spektakel van exposities

Delft telt af hoeveel seconden het nog van zijn750 ste verjaardag verwijderd is. Vermeer staat tijdens dit feestjaar in het middelpunt....

DELFT RUIKT op maandagen in stegen en langs grachten naar kroket en liters verschaald bier. Het is een deftige maar tegelijk studentikoze stad. In het 'microtheater' De Flits speelt Molière's De Burger Edelman. Op de markt tikt boven het winkelraam van juwelier Woudenberg een horloge, een digitale aftelklok die aangeeft hoeveel seconden de stad nog van haar 750 ste verjaardag, die dit jaar wordt gevierd, is verwijderd. Vanaf het stadhuis geeft een doffe klop de uren aan. Dan rinkelt over Delft het vrolijk carillon van de Nieuwe Kerk - 'precies zoals in de tijd van Vermeer', zegt de Delftse VVV.

Bij de herdenking in 1975 van Vermeers driehonderdste sterfdag onthulde burgemeester Oele in de Oude Kerk een gedenksteen op de plek waar de schilder vermoedelijk is begraven. De burgemeester, kennelijk goed op de hoogte van de vele godsdienstige toespelingen op schilderijen van de Gouden Eeuw, zoog die dag met een stofzuiger een laag zaagsel op die, zoals hij toen zei, 'als symbool voor het stof der eeuwen de steen bedekte'. Het gebeente van Vermeer echter bevindt zich al lang niet meer onder de kerkvloer. In de loop der tijd zijn omwille van het verzakkingsgevaar vrijwel alle graven in de kerk geruimd.

Het is spektakel. Naast de Vermeer-expositie in het Mauritshuis zijn er in Delft en in Den Haag nog andere tentoonstellingen: over de Hollandse samenleving in de tijd van Vermeer in het Haags Historisch Museum, over zijn tijdgenoten in het Delftse Prinsenhof en over 'de wereld der geleerdheid rond Vermeer' in het Haagse Meermanno-Westreenianum. Maar er is ook een expositie te zien met 'betaalbare schilderijen uit de eeuw van Johannes Vermeer' in de Haagse kunsthandel Hoogsteder & Hoogsteder, een hommage van Israël Zohar in het Museum Panorama Mesdag en 'Vermeer in Delfts blauw' in de De Porceleyne Fles. Het Museum Lambert van Meerten, op loopafstand van de Delftse Markt, reconstrueerde een interieur uit de tijd van Vermeer en in de Oude Kerk worden op zaterdagen het hoofdorgel, het noordbeukorgel en het koororgel bespeeld.

Op zondagen rijdt een oude paardetram over het Haagse Voorhout, langs de Hofvijver en het Binnenhof. In Delft kan je met zo'n historische tram naar de plek waar de schilder vermoedelijk stond toen hij zijn Gezicht op Delft schilderde. De VVV's organiseren 'diverse vaartochten' tussen Delft en Den Haag. Trekveren, zoals links op Vermeers zicht op Delft, verzorgden in de Gouden Eeuw vaste verbindingen tussen de steden. Het Jaagpad langs de Delftse Vliet herinnert nog aan die periode.

'Van tijd tot tijd ziet men in de verte een zeil van een schip voorbijglijden', schreef de Italiaan Edmondo de Amicis over een reis over het Hollandse platteland, 'dat in een kanaal vaart hetwelk men niet ziet, zodat het schip over het gras der weiden schijnt voort te gaan. . .' Op de expositie De Hollandse samenleving in de tijd van Vermeer hangen oude Delftse plattegronden, die niet alleen het verloop van het straten- en grachtenpatroon tonen maar ook alle huizen en zelfs bomen. De 'waterstad' Delft bood met zijn schuiteveren en zeilschepen een feeërieke aanblik, zoals Gezicht op Delft ons nu nog laat zien.

Een eenvoudige gedenksteen aan een pand op de Delftse Markt herinnert aan zijn geboortejaar 1632. Volgens de Stichting Delft binnen de veste heeft 'omtrent deze plaats' het huis Mechelen gestaan, het geboortehuis van de schilder. Maar Vermeer is vermoedelijk niet in de gesloopte herberg Mechelen op de Markt geboren, maar in de uitspanning De Vliegende Vos aan de Voldersgracht, een huis dat ook al is verdwenen.

Sinds zijn 'herontdekking' in de negentiende eeuw is Vermeer een van 'de Grote Drie van de Gouden Eeuw'. Over Rembrandt van Rijn en Frans Hals weten we veel, maar over de Delftse meester tasten we volkomen in het duister. 'Ik kon de contouren van zijn karakter alleen tekenen', zegt John Michael Montias in zijn 'sociale biografie' Vermeer en zijn milieu, 'door gebruik te maken van de overvloedig beschikbare informatie over de mensen met wie hij omging.' Bij kenners als Bredius en Hofstede de Groot heerste het idee dat Vermeer in kommervolle omstandigheden leefde, Price meende dat het de schilder totaal ontbrak aan maatschappelijke eerzucht en volgens Swillens en Montias was Vermeer een teruggetrokken figuur, toegewijd aan zijn kunst, maar wars van het maatschappelijk leven. Het blijft gissen.

NOG IN 1993 ging mevrouw M. A. Lindenburg op zoek naar Het straatje van de schilder. Er zijn zeker zeven plekken in Delft die mogelijkerwijs Vermeers straatje zijn. Van die theorieën staan er nog drie overeind: de Nieuwe Langendijk 24 tot en met 26, de Voldersgracht 21, en de Voldersgracht 19-20, de tegenwoordige rijwielhandel van de heer Piet Vonk.

Michel P. van Maarseveen, schrijver van Vermeer in Delft, maakte in het voetspoor van de schilder een toeristische stadswandeling door Delft. In een brochure, voor vijf gulden te koop bij de VVV, noemt hij de Voldersgracht 19 en 20 'het straatje van Vermeer'. Niets aan het Rijwielsporthuis Vonk - 'ga van honk. . .met een fiets van Piet Vonk' - herinnert echter aan de tijd van Vermeer. Maar volgens mevrouw Lindenburg is het zonder twijfel Het straatje, want 'het rechterpoortje (van Rijwielsporthuis Piet Vonk) geeft inderdaad toegang tot een binnenplaatsje, terwijl het linkerpoortje nu weliswaar in de gevel van nummer 19 is opgenomen, maar niet bij dit woonhuis hoort en tot voor kort nog steeds als een straat was geplaveid'. In het pand op nummer 20 woonde in de dagen van Vermeer de schilder Cornelis Daemen Rietwijck. Hij gaf er, misschien ook aan Vermeer, les in tekenen, wiskunde en andere vakken.

De schrijver Theun de Vries noemde Delft 'de stad van de Hollandse intimiteit' met langgerekte en smalle grachten, waar in de zomer bloeiende linden de ramen raken en het zonlicht aangenaam zeven. 'Stad ook van gangetjes en straatjes, pittoreske bruggetjes, binnenplaatsjes en interieurs, die - evenals de werken van de hier geboren oudHollandse meesters - hun glans direct aan de hemel en het water ontleend schijnen te hebben.' Op kaarten evenwel zie je geen vervallen gebouwen of gammele houten krotjes van de allerarmsten. Kaartenmakers vermeden zo'n negatief beeld op hun plattegronden. Hun topografieën waren geen wegwijzer voor vreemdelingen maar wandversieringen die de glorie van de stad moesten illustreren.

Bij de wijnhandel Gall & Gall bij het Delftse Camaretten zit in het schijnsel van een straatlantaarn een oude en dronken man in het portiek. Hij trekt zijn muts over zijn voorhoofd. Zijn gezicht toont de trekken van 'het grauw' zoals wij dat kennen van de zeventiende-eeuwse tronies van Rembrandt of Adriaen Brouwer. Delft was nochtans een veilige en ook welvarende stad. Het was in de tijd van Vermeer bekend om zijn boter, bier en laken - het zogenaamde Delfts Puik. Ten tijde van Willem van Oranje, die in het voormalige Sint Agathaklooster (het Prinsenhof) woonde, werd Delft gekozen als de meest geschikte plek voor de opslag van geschut, wapens en buskruit. In Beschrijvinge der Stadt Delft uit 1667 gaf Dirck van Bleyswijck als reden 'zijnde de situatie van dese Stadt daer toe oock recht bequaem, als secuyr binnen 's Lands gelegen, en voorsien met de beste Haven aan de Mase'.

NA DE Alteratie, de overgang van een katholiek naar een protestants bestuur, verbood Willem de Zwijger de traditionele processies met kaarslicht rond de Markt en de Nieuwe Kerk. Zowel de Oude als de Nieuwe Kerk werden van hun 'heidense' versieringen beroofd. In de vensters werd gewoon glas aangebracht, schrijft Montias, 'dat de gelovigen genoeg licht gaf om de dienst in het gezangenboek te volgen'. Schilders waren voortaan bijna uitsluitend aangewezen op particuliere opdrachtgevers. De Delftse burgers konden op allerlei manieren aan schilderijen komen. Er waren veel 'konstvercopers ende schilderievercopers'. Omstreeks 1600 was het beroep van kunsthandelaar in de Republiek een nieuw fenomeen.

Delft, dat in de zestiende eeuw niet kon bogen op grote artistieke vernieuwers, werd tussen 1600 en 1650 'een smeltkroes van nieuw en oud op kunstgebied'. Het was, in de tijd van Vermeer, niet alleen de stad van het Huis van Oranje - bijna alle Oranjes liggen in de Nieuwe Kerk begraven - maar ook van het Delfts blauwe aardewerk. Het waren gouden tijden voor de plateelbakkerijen. De grote stroom Vlaamse immigranten gaf het kunstleven tijdens 'de dageraad van de Gouden Eeuw' een enorme stimulans. Delft was in de eerste helft van de zeventiende eeuw een ville d'art, waar schilders als Paulus Potter, Emanuel de Witte of Pieter de Hooch een tijdlang verbleven.

Maar na de zogenaamde 'Delftse Donderslag', de ontploffing van het buskruitmagazijn op maandag 12 oktober 1654, waarbij de schilder en Vermeers vermoedelijke leermeester Carel Fabritius omkwam, ging het snel bergaf. De meeste schilders gingen naar rijkere steden als Amsterdam, Haarlem en Leiden. Van talloze schilders, die ooit bij het Delftse Sint Lucasgilde stonden ingeschreven, weten we helemaal niets. De kruithuisramp heeft op een vergelijkbare wijze als de beeldenstorm van 1566 het beeld van de schilderkunst verstoord.

Delftse kunstenaars hadden een opmerkelijke belangstelling voor perspectivische experimenten. Die werden in de Gouden Eeuw hoog aangeslagen. 'Deeze wetenschap (bedoeld wordt deurzigtkunde) acht ik zo nootzakelijk', schreef Samuel van Hoogstraeten in Inleyding tot de hooge schoole der schilderconst, 'dat ik rond uit zegge, dat zonder dezelve niet zeekerlijk iets goets te maeken is.'

De wereld der geleerdheid rond Vermeer, in het Haagse museum van het boek Meermanno-Westreenianum, toont die grote interesse voor de vraagstukken op het gebied van de perspectief. Maar meer nog dan handleidingen voor het perspectieftekenen, de camera obscura of het perspectieftafeltje - waarvan voor de tentoonstelling een reconstructie is gemaakt - tonen de schilderijen in Delftse meesters, tijdgenoten van Vermeer in het Delftse museum Het Prinsenhof, hoe kunstenaars experimenteerden met perspectief, licht en ruimte.

De hoek Oude Langendijk en Vrouwenregt, waar in de tijd van Vermeer een muziekinstrumentenverkoper woonde, was Fabritius' gezichtspunt toen hij zijn beroemde Gezicht in Delft schilderde. Het is een klein schilderijtje, waarschijnlijk gemaakt met behulp van een camera obscura voor een perspectiefkastje. Het veelbesproken meesterwerkje laat de buitenzijde van het koor van de Nieuwe Kerk zien, met links de kraam van de muziekwinkel en het water van de inmiddels gedempte gracht Oude Langendijk, waar Vermeer een groot deel van zijn leven heeft gewoond.

Fabritius was naar alle waarschijnlijkheid Vermeers leermeester. 'In de meer dan honderd jaar onafgebroken intensief onderzoek naar Vermeer in het Delftse archief', verzucht Montias, 'te beginnen met de inspanningen van de Franse amateur Henri Havard in de jaren zestig, is er niet één stuk te voorschijn gekomen over de leertijd van de jonge schilder.' Misschien was de Delftse 'nachtschilder' Leonaert Bramer zijn leermeester, of de stillevenschilder Evert van Aelst, of Adam Pick, die zowel schilder als herbergier was? De Delftse drukker Arnold Bon vergeleek Fabritius, die stierf bij de kruitontploffing, met een mythische feniks. Vermeer zou zijn opgestegen uit het vuur waardoor Fabritius verteerd was. 'Maar weer gelukkig rees'er uyt zyn vier/Vermeer, die 't meesterlyck hem na kost klaren.' Niemand echter heeft de relatie kunnen aantonen.

Delftse meesters, tijdgenoten van Vermeer, dat als het ware een kleine Pieter de Hooch-expositie is - er hangen maar liefst zeventien schilderijen van hem in Het Prinsenhof - toont het rijke Delftse kunstleven. De schilderijen zijn er naar onderwerp verdeeld: stadsgezichten, architectuurstukken zoals kerkinterieurs en genrestukken met voorstellingen van een vrolijk gezelschap rond een tafel of een vrouw met kind bij het raam.

DE kruithuisramp was een van de meest geschilderde thema's. Bij Egbert van der Poel, die naast Fabritius woonde, leidde de ontploffing van het Delftse buskruitmagazijn tot een ingrijpende wijziging in onderwerpkeuze. Hij schilderde vele malen 'de knal', de Delftsche Donderslagh die volgens de kroniekschrijvers tot op Texel werd gehoord. Het hele stadsdeel bij het Clarissenklooster werd toen vernietigd. Op Delftse taferelen uit die tijd zijn ruïnes te zien, haast op een Italianiserende manier geschilderd, of stadsgezichten met geblakerde bomen.

Even plotseling als Delft in de jaren vijftig van de zeventiende eeuw een belangrijke kunststad was geworden, zakte de stad weer weg. Op het schilderij De boodschapper van Johannes Verkolje, de enige belangrijke schilder uit 'de nazomer van de Delftse schilderkunst', spelen een rijk geklede heer en een dame triktak. Wanneer ze haar arm heft om de dobbelstenen te gooien, komt een boodschapper binnen. Zijn beteuterde gezicht doet vermoeden dat hij slecht nieuws brengt.

In de Gouden Eeuw werd het spel met de dobbelstenen 'verkeerspel' genoemd, hetgeen wellicht herinnert aan de lijfspreuk van Gerbrand Adriaensz. Bredero: 't Kan verkeren. In de Delftse archieven zijn dan ook over die tijd klachten te vinden over 'het verval ende vermindering dezer stede burgerij en de neeringloosheid'. Het tij was niet meer te keren.

Museum Het Prinsenhof, Delft: Delftse meesters, Tijdgenoten van Vermeer. Tot en met 2 juni. Catalogus: ¿ 75,-.

Museum Meermanno-Westreenianum, Den Haag: De wereld der geleerdheid rond Vermeer. Tot en met 2 juni. Catalogus: ¿ 39,95.

Haags Historisch Museum: De Hollandse samenleving in de tijd van Vermeer. Tot en met 2 juni. Catalogus: ¿ 39,95.

M.P. van Maarseveen: Vermeer in Delft. Bekking en Blitz, ¿ 24,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden