Gezellig!

Er werd veel gebouwd in de jaren zeventig, maar architecten zijn niet trots op die tijd. In het NAi is te zien wat ze ontwierpen: lieve puntdaken, woonerven en gebouwen die dwongen tot gezamenlijke activiteiten....

Het stelligst is Adri Duivesteijn, indertijd als gemeenteraadslid in Den Haag betrokken bij, vooral, de stadsvernieuwing in de Schilderswijk. 'Als architectonisch product zijn de jaren zeventig mislukt.' Martien de Vletter, curator van de tentoonstelling Woonerven en zitkuilen in het Nederlands Architectuur Instituut, tekende die constatering op in het boek dat de expositie begeleidt, De kritiese jaren zeventig.

Duivesteijn, oud-directeur van het instituut en nu PvdA-Kamerlid, en architect Carel Weeber, van wie de term 'Nieuwe Truttigheid' stamt, zijn het meest uitgesproken, maar ook anderen die De Vletter sprak in de voorbereiding voor tentoonstelling en boek zijn negatief. Architecten, zegt ze, schamen zich een beetje voor wat ze toen hebben gemaakt. 'Het is een periode die door gebruikers en bewoners wordt gewaardeerd, maar die in de vakwereld wordt verfoeid.'

Eigenlijk zoals de Vinex-locaties nu: buitenstaanders spreken er spottend over, terwijl de bewoners tevreden zijn met huizen die ze in de stadscentra nooit zouden kunnen betalen. De woonerven uit de jaren zeventig, waar iedere bezoeker vloekend verdwaalt, zijn nog steeds kindvriendelijk en groen, kennen nog steeds een grote sociale cohesie. Heel anders dan de hoogbouw uit het decennium ervoor, de Bijlmerflats uit de jaren zestig, waarover de vakwereld nog steeds bijzonder te spreken is, terwijl het maatschappelijk failliet ervan al jaren overduidelijk is.

Een tentoonstelling over de jaren zeventig lijkt te passen in een trend - de jurkjes hebben weer bloemen, de blouses drukke patronen, de Abba-musical Mamma Mia! trekt volle zalen, de televisieseries Starsky and Hutch en Charlie's Angels werden bioscoopfilms, de zitzak heet tegenwoordig Fatboy. Maar naar de architectuur van die tijd is nauwelijks onderzoek gedaan.

Dat is reden voor de tentoonstelling, zegt De Vletter. 'Veel gebouwen uit de jaren zeventig staan op de nominatie voor renovatie of sloop, maar er is nooit nagedacht over wat dan bewaard zou moeten blijven en waarom.' Een tweede reden is collectievorming: ook het NAI zelf moet nadenken over het belang van de jaren zeventig om te kunnen beoordelen wat uit die jaren interessant is om aan te kopen en wat niet.

Op het affiche van de tentoonstelling prijkt een bebloemde zitkuil (een foto uit Het grote handboek voor beter wonen, 1977). Die wekt een niet ingeloste verwachting naar behang met paarse bloemen, plastic kuipstoelen, groene opengewerkte vitrages, gemacram plantenpothouders, letterbakken, schrootjes op de muur of biezen matten op de vloer. Ze zijn er wel, de kuipstoeltjes, de kunststof kasten en de Afrikaanse koningsstoelen, maar dat zijn rekwisieten van het Nederlands Omroepbedrijf. Het typische jaren-zeventiginterieur is te zien in de groeikern Zoetermeer, waar in de wijk Segwaert in samenwerking met het Stadsmuseum Zoetermeer een woning is ingericht. In Rotterdam ligt de nadruk op de architectuur en stedebouw.

NL Architects ontwierp een expositie als een woonerf: een ovaal labyrint waarvan je de systematiek pas goed begrijpt als je er van bovenaf op neerkijkt, net zoals de woonerven op de ontwerptafel veel logischer in elkaar zitten dan wanneer je wanhopig op zoek bent naar het opgegeven nummer van een straat die nooit 'straat' heet, maar 'sloot' of 'kamp', 'waard', 'enk', 'meent'.

Waar De Vletter in haar boek een onderverdeling maakt in thema's als 'ontmoeting', 'experiment' en 'herontdekking van de stad', kozen NL Architects voor een rigoureus chronologische indeling. Voor elk jaar richtten zij een doodlopend pad in met pagina's uit het contemporaine tijdschrift Bouw die dienen als fotobehang en als maat voor de jaarlijkse bouwproductie: elke pagina staat voor ruim zesduizend gebouwen, hoe meer woningen, hoe langer de wand. Want kleinschaligheid mag indertijd de norm zijn geweest, er werd enorm veel gebouwd.

De maatschappelijke context wordt in de kern van het labyrint getoond, vrij summier, met, behalve de meubels van het NOB, archiefbeelden uit het Amsterdams Historisch Museum met modedefilop straat, negentien foto's die reportagefotograaf Kors van Bennekom maakte van 'aksies', of de interieurs die Robert den Hartogh fotografeerde thuis bij 'Nieuwe Nederlanders', wier aantal in de jaren zeventig explosief steeg. Korte filmpjes van Sandra Parry laten zien hoe bewoners en architecten nu denken over de periode. En natuurlijk is er een nagebouwde zitkuil.

Dat de context niet overheerst, is eigenlijk wel prettig. Die paarse bloemen en biezen matten inclusief hun retro-versie kennen we wel. Een overzicht van de architectuur uit de jaren zeventig was er nog niet. Tot herwaardering zal dat niet leiden - wie achter elkaar een decennium van gebouwen uit die tijd ziet, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het hier inderdaad de lelijkste periode uit de Nederlandse geschiedenis betreft. Maar interessant is het wel te zien hoe een veelheid aan stijlen toch heeft geleid tot iets wat onmiddellijk herkenbaar is als 'typisch jaren zeventig'.

Gezellig was een toverwoord - schuine daken, knusse hoekjes, gezamenlijke ruimtes waren daarvan de uitwerking. Daar zat een duidelijk idee achter, een dogmatisch vertrouwen in de maakbaarheid van de samenleving: gezamenlijke ruimtes zouden vanzelf leiden tot gezamenlijke activiteiten, een gemeenschappelijke buitenruimte (zoals bij Piet Bloms Kasbah in Hengelo) was ideaal om toneel te spelen, muziek te maken, buurtfeesten te houden - en natuurlijk niet een donkere hoek om de auto te parkeren.

Bijna schokkend is het idealisme dat uit veel ontwerpen spreekt. Frank van Klingeren was in 1968 met de Meerpaal in Dronten de eerste die activiteiten bij elkaar bracht die niet bij elkaar hoorden. Een paar jaar later deed hij dat opnieuw en verregaander in het multifunctioneel centrum Het Karregat in Eindhoven, waar een winkelcentrum, scholen, gymzaal, bibliotheek, medisch centrum en buurtcentrum werden verenigd in een zo open mogelijke ruimte. De scholen hadden geen muren, want ze waren bedoeld, schrijft Van Klingeren op een ontwerptekening, als een 'leerlandschap te vergelijken met een kantoortuin': rekenen zouden de kinderen leren in de supermarkt. Dat het niet zou werken, lijkt zo evident, dat je je nu nauwelijks nog kunt voorstellen dat het werd bedacht, laat staan dat het werd gesubsidieerd door een overheid die het gemeenschapsleven wilde bevorderen.

Het heeft iets nas, iets liefs. Bij het ontwerp voor achttien 'boomwoningen' en een cultureel centrum van Piet Blom in Helmond hangt een vel waarop de architect in een veelheid aan cirkels allerlei activiteiten beschrijft die hij kennelijk voor zich zag: 'het koor oefend' (sic), 'het toneel', 'podium', 'bus', 'goedkoop huisje' en, misschien het meest veelzeggend, 'allemaal'.

Op een presentatietekening voor De Coeveringin Geldrop schrijven Inbo architecten bij de componenten waaruit de wooneenheden bestaan: 'Er kan in gewoond/geslapen/gegeten/gewerkt/gevrejen worden.'

Dat vrijen staat er niet toevallig, suggereert architect Sjoerd Soeters in het boek. 'Een heel invloedrijke factor is geweest: de pil en de vrije seks. Ja, onderschat het niet hoor. De ontwikkeling van het woonerf, met al die hoekjes en intieme ruimtes, is direct terug te voeren op de vrijere seksuele moraal. Er kon daar van alles gebeuren en er gebeurde ook van alles.'

Die vrijere moraal was niet de enige verandering in de samenleving die in de jaren zeventig zijn weerslag vond in de architectuur. Democratisering, individualisering, emancipatie maakten dat de weerzin groeide tegen de architectuur van de jaren vijftig en zestig, waarachter een centrale planologische visie zat. De naoorlogse woningnood moest worden opgelost door de bouw van enorme flats in nieuwbouwwijken zo groot als kleine steden (de Bijlmer in Amsterdam, Ommoord en Pendrecht in Rotterdam) aan de randen van de stad. Voor individuele voorkeuren was geen aandacht. Nu, in de jaren zeventig, moest alles zonder gezag en autoriteit. Stedebouwkundige en architectonische opvattingen maakten plaats voor politiek-maatschappelijke: burgers wilden meepraten over waar ze woonden, ze zetten zich af tegen de uniformiteit en de grootschaligheid van de nieuwbouwwijken, ze wilden kleinschaliger, meer gedifferentieerde bouw en herkenbare buurten die helemaal niet hoefden te passen in een groter planologisch concept. De kwaliteit van de woningen werd belangrijker dan de kwantiteit, de eigen buurt belangrijker dan de stad als geheel. Stedenbouwkundigen en planologen begonnen te twijfelen aan de sturende rol van stedenbouw en planologie.

Een andere belangrijke ontwikkeling was de stadsvernieuwing, een woord dat uit die tijd stamt. De verpauperde binnensteden zouden worden gesloopt en plaatsmaken voor grootschalige nieuwbouw - in Amsterdam werden de Wibautstraat en de Weesperstraat grote verkeersaders met hoge flats erlangs. De verloederde Jordaan zou in zijn geheel worden gesloopt, de Nieuwmarktbuurt idem wegens de aanleg van de nieuwe metro. In het protest tegen dergelijke plannen zochten actievoerende burgers contact met architecten, waardoor zij veel invloed kregen op het ontwerpproces.

Het kabinet-Den Uyl, dat in 1973 was aangetreden, versterkte die invloed, door van stadsvernieuwing een prioriteit te maken. Het economische klimaat was slecht, de overheidsinvesteringen in ruimtelijke ordening liepen terug, maar voor stadsvernieuwing werd geld vrijgemaakt. Projectgroepen van bewoners kregen subsidie voor het aantrekken van adviseurs en ontwerpers.

Er was, schrijft De Vletter in haar inleidend essay in De kritiese jaren zeventig, nauwelijks architectonisch debat, de discussie werd vooral gevoerd met mensen buiten de architectuur, met burgers, politici, kunstenaars. Zij wijst erop dat de inspraak misschien niet zoveel invloed heeft gehad op de kwaliteit van de architectuur en stedenbouw, maar des te meer op het proces van totstandkoming.

'Je moest bij inspraak iets gezelligs tekenen', ironiseerde architect Carel Weeber, indertijd al zeer kritisch, tijdens het debat ter gelegenheid van de opening van de tentoonstelling in het NAi. 'Zelfs de tekeningen hadden iets van behang, iets gezelligs. De mensen wilden puntdaken, anders vonden ze het geen gebouw.'

Weebers eindconclusie over de jaren zeventig: ze waren goed voor bewoners, en slecht voor architecten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden