Gewoon meeleren

Kinderen met het syndroom van Down gedijen vaak het best op een gewone school, alleen zijn niet alle onderwijsinstellingen bereid om kinderen met zo’n handicap op te nemen....

De 24 kinderen van de bovenbouwgroep van Montessorischool Jan Vermeer in Delft zijn al vroeg in de morgen geconcentreerd aan het werk. Leerlingen lopen heen en weer om hun taken te halen. Voorin de klas, aan net zo’n groep tafeltjes als de rest, zit Menno Flapper. Hij is 10 jaar en heeft het syndroom van Down.

Daarvan kijkt hier niemand op. Sterker nog: beter voor het kind, beter voor de klas, vinden alle betrokkenen. Klasgenoten en ouders zijn er al jaren aan gewend. ‘Het positieve van Menno in de klas is dat kinderen gewend raken aan kinderen die anders zijn’, zegt Ginette Krems, de moeder van Lucca. ‘Anders zien ze hem alleen maar van een afstandje op straat. Nu maakt hij deel uit van de groep.’

En daar leert hij echt lezen en rekenen. Dat begint elke dag met een uur een-op-eenbegeleiding van onderwijsassistent Marga Haanappel. Ze maakt op hem afgestemd les- en leermateriaal.

De woorden roos, vuur, pijp en reep leest en schrijft hij feilloos, de getallen 1 tot 100 op het honderdbord gaan vlekkeloos op volgorde terug. Als Marga weg is, gaat Menno in alle rust alleen door. Hij rekent de som 4 plus 5 uit, de even oude Uma tegenover hem 4307 gedeeld door 59. Want hij zit dan wel in groep 6, dat leerniveau is voor hem te hoog.

Toch blijkt uit onderzoek dat kinderen met Down meer opsteken in een ‘gewone’ klas dan op het speciaal onderwijs. Gert de Graaf van de Stichting Down Syndroom vergeleek de resultaten van kinderen op beide soorten scholen. Hij ontdekte dat 87 procent van de kinderen met Down die langer dan vijf jaar op een gewone school zaten aan het eind van de basisschool korte verhalen lazen, en 55 procent voor zijn plezier ook langere verhalen. Voor het speciaal onderwijs zijn deze cijfers 39 en 11 procent.

De Graaf verklaart dit uit het feit dat de klassen in het speciaal onderwijs weliswaar veel kleiner zijn en het personeel deskundiger, maar dat er toch minder tijd overblijft om individueel met de kinderen te werken. De aandacht moet immers verdeeld worden over allemaal kinderen met een verstandelijke beperking. Kinderen met Down op een gewone school – vaak zijn die relatief al net wat slimmer en rustiger – krijgen doorgaans individuele begeleiding.

Eenzaam leven

Eenzaam leven
De meeste ouders van een downkind kiezen om andere redenen voor een gewone school. Ze vrezen het isolement dat een gevolg kan zijn van een gespecialiseerde school verder weg. ‘We zijn er geweest, maar het apart zetten voelde voor mij als de opmaat naar een eenzaam leven’, zegt Menno’s moeder Mirjam Kleijweg.

Eenzaam leven
‘Downers’ zijn aan een geweldige opmars bezig in het gewone onderwijs. Bezocht twintig jaar geleden nog maar 1 procent van alle downkinderen een reguliere school, vorig schooljaar 2006-2007 ging het al om circa 37 procent. Waarschijnlijk maakt ongeveer de helft daarvan de basisschool ook af. De rest stapt na een aantal jaren over naar het speciaal onderwijs, meestal een zml-school (zeer moeilijk lerende kinderen).

Eenzaam leven
Want hoe ideaal het moge klinken, het is niet appeltje-eitje. Er is extra begeleiding nodig, en vaak gaat het om kinderen die niet altijd zindelijk zijn, vaak moeilijk verstaanbaar, beweeglijk en onverzettelijk. Veel scholen staan er niet om te springen.

Eenzaam leven
Maar liefst zeven scholen moest Mirjam Kleijweg vijf jaar geleden langs voor ze er een had gevonden die het met Menno wilde proberen. ‘Ik was ervan overtuigd dat dat goed was voor hem. Hij handhaafde zich ook op een gewone crèche.’ Maar van alles kreeg ze te horen: ‘te lastig voor ons team’, ‘geen middelen’, ‘te grote groepen’ of ‘we hebben al zoveel zorgleerlingen’. Kleijweg: ‘Als ze het in het gesprek steeds over zo’n kind hadden, wist ik al genoeg.’

Eenzaam leven
De omgekeerde wereld, vindt de Groningse orthopedagoog Sip Jan Pijl. Tegenwoordig moet je eerst aan voorwaarden voldoen voor een kind als Menno naar een gewone school kan. ‘Je moet je niet afvragen of het goed is voor een kind met Down op een gewone school, de vraag is of je wel goede argumenten hebt om hem naar het speciaal onderwijs te sturen.’ Hoezeer ook ontstaan vanuit nobele motieven is het speciaal onderwijs in Nederland voor kinderen met een beperking de norm geworden.

Eenzaam leven
Maar het beeld is al een tijdje aan het kantelen. Steeds meer ouders vinden het belangrijk dat hun kind naar school gaat met kinderen uit de buurt. Pijl: ‘Er zal nog wel een generatie overheen gaan voor het echt normaal is geworden. Maar steeds meer scholen krijgen er ervaring mee.’

Toeteren

Toeteren
Neemt niet weg dat er reële problemen zijn. ‘Ik denk zeker niet dat ieder downkind op elk moment in een reguliere klas kan. Vaak gaat het moeilijker als kinderen ouder worden. Intiemere geheimen, die voor oudere kindvriendschappen belangrijk zijn, kun je met hen vaak niet delen, die toeteren ze meteen rond.’

Toeteren
Ook de schoolprestaties en wat je daarvoor moet doen, gaan steeds meer uit elkaar lopen. Maar toch: hoe lastig ook, vindt Pijl, de verantwoordelijkheid ligt bij de school die het kind aanneemt. Nu zijn veel scholen er nog slecht op voorbereid, te veel is afhankelijk van persoonlijke inzet. ‘Als de juf met zwangerschapsverlof gaat, kan het ineens helemaal mislopen.’

Toeteren
Ook Menno Flapper moest erg wennen. ‘Hij was in het begin erg wegloperig. Maar een groot voordeel is dat hij het gedrag van zijn klasgenoten afkijkt en zich daarnaar richt’, zegt Anneloes van de Graaff, locatieleider en intern begeleider van de Jan Vermeerschool.

Toeteren
Gedrag blijkt een bepalende factor. ‘Vorig jaar hadden we een week lang een andere jongen met Down op proef die beter sprak dan Menno en waarschijnlijk ook meer zou kunnen leren’, zegt Van de Graaff. ‘Maar hij spuugde en trok anderen de haren uit. Dat kan niet, je moet de veiligheid kunnen waarborgen.’

Toeteren
‘Menno kan bijna alles wat wij ook doen’, zegt klasgenoot en vriend Taco (9). ‘Alleen niet zo goed.’ Wel is hij sterker, zegt Taco. ‘Als we politie en boefje spelen, moet hij zachtjes doen, anders doet hij ons pijn.’ ‘Hij kent zijn eigen kracht niet’, bevestigt juf Bianca Wolfs.

Apart les

Apart les
Als donderslag bij heldere hemel kwam het voor Alain Parry en Anja Koops. Een week voor de grote vakantie kregen ze het bericht dat hun zoon Bruin (9) voor de herfstvakantie van school moet. ‘Ik was met stomheid geslagen’, zegt Parry. ‘Iedereen had ons tot dan toe de indruk gegeven dat Bruin kon blijven.’

Apart les
Indertijd lag het voor Parry en Koops zo voor de hand. Hun twee eerste zoons zaten op de 14de Montessori-basisschool in Amsterdam, dus meldden ze daar vijf jaar geleden ook Bruin aan. Om diezelfde reden stemde de school ook in, hoewel ze geen ervaring had met Down. Met ambulante begeleiding uit het speciaal onderwijs en onderwijsassistentie die de ouders zelf inschakelden werd begonnen.

Apart les
De eerste jaren ging het best goed. Maar de verschillen tussen Bruin en zijn 28 klasgenoten groeiden. ‘Terugkijkend zijn we er misschien iets te weinig alert op geweest’, zegt Parry. ‘We waren zo blij dat hij hier terecht kon. Maar van lieverlee kreeg hij vaker apart les en niet meer in de groep.’

Apart les
Volgens de school ging hij steeds meer de les verstoren, en trok hij meer en meer de aandacht weg bij zijn klasgenoten. Door hem apart te zetten, kwam van integratie ook minder terecht. Parry: ‘Ik vind dat de school vanaf het begin heeft verzuimd er echt beleid op te zetten.’

Apart les
De school zelf wil in dit stadium niet reageren, omdat ze nog steeds hoopt samen met de ouders tot een geschikte nieuwe plek voor Bruin te komen. Volgens Herbert de Bruijne, directeur van Openbaar Onderwijs aan de Amstel, waar de school onder valt, is wel degelijk duidelijk gemaakt dat het moeilijker ging. Ouders kunnen niet altijd goed beoordelen hoe het in de klas ging. ‘Dan kan het wel zijn dat Bruin ’s morgens en ’s middags heel rustig is, maar tussendoor nam de overlast toe. Er was soms sprake van min of meer agressief gedrag, schreeuwen, veel bewegen. De groepsleerkrachten gaven aan zo niet verder te willen.’ De ouders hebben de juffen nooit over agressief gedrag gehoord.

Apart les
De relatie met de school is stevig verstoord. De ouders hebben het gevoel dat hun kind als lastpost wordt gezien en van school moet. De schooldirecteur vindt dat een tikkeltje meer erkenning voor wat er voor hun kind gedaan is terecht zou zijn. Parry: ‘Natuurlijk ben ik blij met wat er is gedaan. En we helpen waar we kunnen. Maar ik wil niet alleen maar dankbaar zijn. Ik ben teleurgesteld dat het niet is gelukt, ondanks alle positieve dingen die het de leerkrachten en de school toch ook heeft geboden.’

Apart les
Inmiddels hebben Parry en Koops geaccepteerd dat Bruin op langere termijn niet kan blijven. Ze zoeken een andere school, maar die heb je ook niet een-twee-drie. Vervolgens moet alle begeleiding weer georganiseerd worden. Parry ziet nog een principieel punt. ‘Ik snap heus dat het zwaar is voor de juffen. Maar zo gaat het met een kind met Down, ik kan dat niet mooier maken.’ De school lijkt het opnemen van Bruin als een gunst aan de ouders te hebben beschouwd in plaats van als het recht van een kind met beperkingen in een buurtschool.

Apart les
Over een paar jaar wordt landelijk het zogenoemde passend onderwijs ingevoerd. Al hoeft niet elke school ieder kind binnen eigen muren les te geven (het gaat om samenwerkingsverbanden van allerhande scholen), speelt wel de gedachte mee ook kinderen met beperkingen zo veel mogelijk op te nemen. Mirjam Kleijweg vindt zelfs dat ieder kind met Down op een gewone school hoort. ‘In andere landen is dat gebruikelijk. Logopedie, fysiotherapie et cetera zouden naar de school moeten komen, onderwijsassistentie zou een standaardvoorziening moeten zijn.’

Apart les
Scholen moeten, zo is Kleijweg overtuigd, niet alleen kijken naar hoe problematisch het allemaal is. ‘Menno’s klas is socialer geworden. De omgang met hem brengt zachte kwaliteiten in kinderen naar boven. Dat zou elke school moeten willen.’

Apart les
Maar is het niet zielig dat oudere kinderen met Down de aansluiting met hun leeftijdsgenoten missen? Zou je Bruin en Menno niet gunnen ook ergens de beste in te zijn? Moet je niet voorkomen dat ze de schoolmascotte worden die iedereen wel knuffelt, maar met wie niemand echt contact heeft? ‘Menno gaat in het weekeinde weleens op stap met andere downkinderen’, zegt Kleijweg, ‘maar daar ontstaan niet direct vriendschappen uit.’

Apart les
Orthopedagoog Sip Jan Pijl herkent dat: ‘Kinderen met Down zetten zich vaak af tegen andere downkinderen. Vergelijk het met je oma van 96 die je aanraadt eens aan te schuiven bij de bridgetafel in het bejaardentehuis en die dan zegt: je denkt toch niet dat ik met die ouwetjes ga kaarten?’

Apart les
De bovenbouwgroep van de Jan Vermeerschool in Delft besluit de maandagochtend met het kringgesprek. Ook Menno vertelt, aan de hand van een door zijn ouders gemaakte ‘praatplaat’ met foto’s, over zijn belevenissen in het weekeinde. Hij is moeilijk verstaanbaar, de letters b en p worden bijna uitgeproest, maar niemand gniffelt, niemand lacht, niemand kletst. Juf Bianca brengt het thema van de dag, ‘tegenstrijdige gevoelens’, ter sprake. Menno haakt af. Hij strijkt Sanne uit groep 8, die naast hem zit, eens door haar mooie lange haren. Ze verblikt of verbloost niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden