Gewoon een ontspannen reisje

Twaalf Nederlandse mannen brachten deze week een bezoek aan Dachau. Ruim vijftig jaar geleden hoorden ze tot de weinige verzetsmensen die het concentratiekamp Dachau overleefden....

ZE komen per trein. De trein is gratis, dank aan de Duitse overheid die belangeloos eersteklaskaartjes verstrekt, Motif: Kriegsgräberbesuch - een goedmaker. Wie terug wil naar plaats delict, mag voor niks. Net als toen, ze lachen erom, ha!, toen was de trein ook gratis, dank aan een andere Duitse overheid. Dat waren geen eersteklasrijtuigen maar veewagens. Nu krijgen ze koffie 'van een aardige Duitse meneer in uniform' en ter linkerzijde glimt de Rijn. Arnhem-Keulen-Koblenz-Mannheim-München-Dachau.

Terug in Dachau, Die 1200jährige Kunstlerstadt am Rande Münchens; ze doen er hun best het verleden te ontwijken maar de naam blijft sinister haken in het geheugen. Twaalf Nederlandse overlevers, zoals ze zichzelf noemen, met aanhang, op weg naar de plek waar het ze zwart werd voor de ogen: Konzentrationslager Dachau, dat nog steeds rechthoekig aan de rand van het stadje ligt. De twaalf zijn oud nu, in de zeventig, over de tachtig, dus dit kan hun laatste kans zijn. Verder niet moeilijk over doen hoor, zeggen ze. Gewoon een mooi ontspannen reisje naar de herinneringen.

'Welk kampnummer was jij?', vraagt Carel Witmond aan Jaap Mesdag, als de trein de Duitse grens oversteekt.

'351'

'Ah. Zelfde jaar dus, ik ben 1041.'

'Juli '42.'

'Dat kan kloppen. Ik was van september '42.'

De één wilde met een kano naar Engeland, maar de kano liep vol en de Kriegsmarine haalde hem uit het water; volgden vier jaar concentratiekampen. De ander bracht Het Parool rond, met identiek resultaat. Ze hadden geluk, of waren slim, je weet het niet, maar kwamen levend terug.

'De luizen waren het gevaarlijkst, in Dachau', zegt Mesdag. 'Daar zat bloed in, en in dat bloed zat tyfus.'

'Vlektyfus', zegt Witmond.

'Ja. Zijn we al bij Koblenz? Het is hier toch een mooie streek, hè.'

Die avond drinkt men bier in Beieren. Moeite met de Duitse taal hebben ze niet - ook niet met de blikken stem van een stationsomroeper. Ach welnee, zegt Witmond, 'dat ik hier in Dachau ben doet me nog niet veel.' Ach joh, zegt zijn maat Albert Klaassen, die uit Australië is gekomen, voor de derde keer, 'vanavond is het gezellig. Duitsland is geen vervelend land. Prosit.'

'Prosit!'

Die ochtend staan ze in het grind. KZ Dachau is een museum geworden. Van de logisch geordende barakken zijn er twee herbouwd, de rest is lege ruimte en lijkt op een parkeerterrein. De bunker is er nog wel, waar gevangenen werden afgeranseld, waar dr. Schilling met malaria experimenteerde en dr. Holzlöhner medisch onderzoek verrichtte naar de grenzen van het menselijk lichaam (leg een gevangene in ijswater en zie hoe lang het duurt voordat hij sterft). Als straf werd hier het paalhangen uitgevonden: handen achter de rug, voor het leven mismaakt.

Dachau was het prototype; naar zijn gelijkenis werden ruim zestienhonderd concentratiekampen in het Derde Rijk gebouwd. Geopend 22 maart 1933, eerst als tuchtplek voor Hitlers politieke tegenstanders, later voor alles wat crimineel genoemd kon worden: van 'asocialen' tot homoseksuelen, van joden tot priesters tot zigeuners en verzetsstrijders, van Russen tot Britten en Italianen en Nederlanders - de verschleppte Ausländer. Naast het kamp werden de SS'ers opgeleid voor hun taken elders in het rijk - ter oefening schoten ze mensen dood in de schietplaats een eindje verderop. Het kamp was ontworpen voor vijfduizend gevangenen, de Amerikaanse troepen die het bevrijdden, op 29 april 1945, troffen er dertigduizend aan. In blauwgestreepte pakjes, ontkomen aan uithongering, dwangarbeid, SS-pistolen, vlektyfus, dodenmarsen, overbevolking en dr. Schilling.

Van de 206 duizend gevangenen stierven er officieel 31951 en onofficieel veel meer. Het Krematorium, dat behouden bleef, braakte dagelijks rookwolken uit - de lichamen werden erin geschoven als pizza's. Achter dat gebouw is een betonnen goot. Die voerde het bloed af bij de executies. Behouden bleef ook de gaskamer, vermomd als Brausebad, een douchevertrek, maar voor het gebruik ervan zijn nooit bewijzen gevonden. Dachau was geen vernietigingsmachine zoals Auschwitz dat was. Dachau bood de Duitse oorlogsindustrie zijn slaven: Arbeit macht frei.

'Maar de enige weg naar de vrijheid', vertelt Joop van Vonderen bij het toegangshek, 'was de schoorsteen. Dat zeiden de SS'ers dan tegen je.'

Hij was een van de 2129 Nederlanders die volgens het kamparchief in de barakken verbleven. 479 Gingen dood. 'Dat is misschien waarom ik hier terugkom ', probeert Albert Klaassen, een van de weinigen die wist te ontsnappen tijdens een dodenmars. 'Klinkt stom, maar ik heb het overleefd en de rest niet. Ik wil toch weten waarom. Ik zoek een antwoord dat er niet is.'

De twaalf teruggekeerde overlevers zijn verzetsmensen en kleden zich zo. Blazers met speldjes. Sommigen hebben een stropdas erbij, met daarop de rode registratiedriehoek die de Dachau-gevangenen op hun pak kregen en de letters NN - Nacht und Nebel, de status van ter dood veroordeelden die in nacht en nevel verdwijnen moesten.

Tobie de Bordes draagt ook een blazer-met-speldje, wat hem op een veteraan doet lijken, maar dat kan niet want hij is van '53. Ondersteunt zijn vader Frans (83), die wel hier gevangen zat (nummer 101025); samen reizen ze concentratiekampen af. 'Op kantoor vinden ze het raar', zegt Tobie, wandelend langs het Krematorium, 'zeggen ze: ga eens lekker zelf op vakantie. Maar ze begrijpen niet hoezeer dit van mezelf geworden is. Alle vriendjes van mijn vader zijn nu ook mijn vriendjes.'

Zo is de tweede generatie deelgenoot van een geschiedenis die ouder is dan henzelf. Niet zomaar wordt de Dachau-reis geleid door Sonja Holtz Arendse (dochter) en Thom Tullenaar (zoon), op zoek naar een vervaagd verleden van hun vader. Die van Sonja is overleden, die van Thom is meegekomen naar Dachau, net als zijn zus. 'Als jongen vond ik het mooi, die herdenkingen', zegt hij, 'die veteranen zijn toch een soort kwajongens. Later wilde ik meer weten. Mijn vader heeft lang gezwegen. Nu probeer ik het beeld compleet te krijgen.'

Zwijgen doen ze allemaal. Nog steeds, zelfs hier, tussen roestig prikkeldraad en lotgenoten. Het kamptrauma dook na de oorlog onder en kwam er voor sommigen pas recent weer uit. Nederland had geen behoefte aan hun verhalen, zeggen ze. Daar waren ze druk met eigen zorgen. 'Ik denk', zegt Charlotte Abma, 'dat mijn vader nooit begrepen heeft hoeveel het heeft stukgemaakt, bij ons thuis, door niks te vertellen.'

Albert Klaassen, de man uit Perth met de woeste wenkbrauwen, zweeg achttien jaar. Had na de oorlog een mooi leven in Nieuw-Guinea en Australië, maar zijn vrouw en kinderen mochten niets van Dachau weten. Pas toen zijn dochter het ontdekte, werd hij gedwongen te praten. 'Weet je', zegt hij zondagochtend, bij het ontbijt, 'de hele nacht heb ik kramp in mijn been gehad. Dezelfde kramp die ik had tijdens de dodenmars.' Hij heeft ook liggen krabben. 'Over mijn hele lichaam! Op zoek naar luizen. Gek hè.'

Hij gaat 'even niet mee', als de groep later per bus de voormalige SS-schietbaan bezoekt voor een herdenkingsplechtigheid. Koopt bij de chauffeur drie flessen bier en als de groep weer terug is in de bus loopt Albert Klaassen naar voren, vraagt de microfoon: 'Eh jongens, ik ging even niet mee en wil jullie zeggen waarom. Ik was daar al een paar keer geweest, op die plek. Om er de rommel op te ruimen. Ik hoop dat jullie dat begrijpen.'

De rommel. Hij bedoelt naakte witte lijken maar zegt: de rommel. Hetzelfde zei hij gisteren, bij een bezoek aan het bijkamp Kauffering VII, een uur rijden van Dachau. Daar liggen zijn grootste angsten. Het kamp was ondergronds, erboven plaggehutten, de gevangenen sliepen als mollen in aarden tunnels die zo waren volgepropt dat niemand er nog uit kon. Van het kamp is weinig over. Het is opnieuw omheind, de eigenaar vraagt 200 mark voor een bezoek maar daar hebben deze mannen de oorlog niet voor overleefd: door struikgewas en prikkeldraad banen ze zich een weg, Nederlandse vlag fier voorop, en brengen een saluut aan de doden. 'Best wel een stuk emotie', zegt Carel Witmond koel, maar het stormt achter zijn ogen.

Zo hebben ze allemaal een hek om hun verdriet gezet. Albert Klaassen, die nog schuld voelt over de mensen die het leven lieten omdat hij zonodig een trein moest saboteren, 'af en toe ga ik even op een bankje zitten grienen zonder dat jullie het zien, dan is het weer klaar.' Peter Derks, het stille water uit Noord-Limburg die alles fotografeert wat hij ziet - voor de dikke plakboeken thuis waar hij ook oorlogsfilms kijkt, 'en waag het eens hem daarbij te storen', zegt vriendin Diny. Dingenis Sinke, de Zeeuw, die stil in de schaduw van de kampmuur blijft staan, zegt: 'Ach voor mij hoeft dat niet allemaal', en: 'Ik heb het mijn dochters niet verteld. Waarom? Waarom zou ik ze opzadelen met de oorlog?' Velo Bierman, de verzetsman pur sang die verhalen zal vertellen tot hij erbij neervalt, over de SS'ers die hij een loer draaide, over de smaak van kattensoep, de kunst van het overleven, blote meiden en de psychologie van de nazi's.

'Dus ik zeg tegen die kampcommandant...', begint hij de laatste avond, met de pullen Beiers bier op tafel, en dan wordt het de Duitse hotelgerant teveel. 'Hé', roept Herr Schlüter ineens, vanachter de bar. 'Hé ik was het niet! Dit is niet mijn generatie, waar jullie over spreken. Dit waren andere Duitsers!'

Even is het stil. 'Natuurlijk', zegt Velo dan, 'Sie waren es nicht, dat begrijp ik. Maar voor de jongeren is het goed deze verhalen te horen, om ervan te leren.'

'Hier waren geen gaskamers', zegt Herr Schlüter. 'Verstehen sie? In Auschwitz waren gaskamers, niet in Dachau. En kijk eens om je heen: overal in de wereld gebeurt nog immer hetzelfde. Bosnië, Afrika! Niemand heeft iets geleerd. Niemand!'

'Iemand nog wat drinken?'

De ochtend die volgt, als de hotelrekening is betaald, zegt Herr Schlüter bedankt. 'En vielleicht tot volgend jaar.' Zeker, antwoordt Albert Klaassen. 'Wir kommen zurück.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden