Gewoon blijven bouwen

Het nieuweJaarboek Architectuuris vooral een zonnig overzicht van mooie, slimme bouwprojecten. Maar hoe redden de architecten zich uit de malaise?

Architecten zijn taai volk. Neem hen al hun opdrachten af en ze gaan gewoon hun eigen huizen ontwerpen. Bevries de woningbouw, stop alle kantoorprojecten - en ze vinden niettemin hun eigen weg. Het moet er, met andere woorden, hard aan toegaan voordat ze hun virtuele tekenhaken aan de wilgen hangen. Het nieuwe Jaarboek Architectuur in Nederland geeft sprekende voorbeelden hiervan.


Neem Jan Bakers en Martijn Boer uit Utrecht. Zij benutten de leemtes in hun agenda om zich dan maar zelf een opdracht te verlenen. Ze bouwden een eigen atelier, maar dan wel in combinatie met appartementen en een compacte parkeergarage. Het resultaat staat midden in de Utrechtse binnenstad: een ingetogen, zwart gebouw dat zich prachtig voegt in de oude stad. Zo is het meteen reclame voor het bureau: een tastbaar bewijs van wat ze kunnen. En het mooie is, dankzij die appartementen hebben ze er ook nog aan verdiend.


Interessant is ook het initiatief van de Amsterdamse bureau BNB en B06 architecten. Zij moesten hun huurpand uit en wilden kantoorruimte kopen. De gemeente bood hen een kavel op IJburg aan maar het gebouw dat daar kon komen was voor hen veel te groot. Dus zochten ze medestanders, en vormden uiteindelijk een groep van tien kleine ondernemers die gezamenlijk hun opdrachtgever voor de nieuwbouw werden. Dat werd natuurlijk meteen ook hún paradepaardje: met een eigenwijs stalen ruitjesnetwerk over de glazen gevel, en technisch tot in de puntjes afgewerkt.


Dergelijke vrolijke, vindingrijke voorbeelden kunnen makkelijk verhullen dat in Nederland veel architecten de deuren moeten sluiten. In de inleiding van het jaarboek wordt dat al vermeld: sinds de crisis in 2008 is het aantal werkers in de architectenbranche gehalveerd. Afgelopen maandag publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek aanvullende feiten. Vergeleken met 2009 nam het aantal opdrachten aan architecten weliswaar iets toe, maar het is nog steeds slechts 40 procent van het werk dat architecten in 2007 gezamenlijk onder handen hadden.


Dat deze crisis zijn voordelen heeft, staat buiten kijf. Aan de wildgroei aan nieuwbouw en de hegemonie van het snelle geld moest op een gegeven moment wel een einde komen. De terugloop van het werk heeft bij velen in de bouwwereld, waaronder architecten, tot een nuttige bezinning op het eigen vak geleid. Ambachtelijkheid nam toe, en inventiviteit - en het is ook opmerkelijk hoeveel architecten tegenwoordig weer van begin tot eind het hele bouwproces begeleiden. Ze moeten weer van de hoed en de rand weten, terwijl de meesten hiervan in betere tijden waren vervreemd.


Toch beginnen voor de architectuur de nare gevolgen langzaamaan te overheersen. Veel projectontwikkelaars zijn er nu simpelweg niet meer. De regering is definitief gestopt met het stimuleren van architectuur. Lagere overheden kondigen bouwstops aan en bezuinigen vaak ook op cultuur, zodat culturele opdrachten verdwijnen. Ook worden, door het veranderd overheidsbeleid, vele plaatselijke architectuurcentra bedreigd. Daarmee verschraalt de voedingsbodem voor het denken over architectuur nog meer.


Hoewel die alarmerende trends in het jaarboek wel worden gesignaleerd, blijft de toon opmerkelijk optimistisch. De redactie gelooft dat 'het gezicht' van de crisis uiteindelijk niet 'de werkloze, tobbende architect' zal zijn, maar diens 'succesvolle ondernemende, niche-georiënteerde, bescheiden' collega. Vanuit die overtuiging ook is blijkbaar de selectie gemaakt waarbij dertig van de 400 ingezonden projecten voor een uitgebreid portret zijn uitgekozen. Prestigieuze opdrachten vormen nog slechts een kleine minderheid, eigenlijk horen alleen het hagelwitte woonblok van Claus en Kaan op IJburg, en het schots en scheve, bont gekleurde faculteitsgebouw van Levenswetenschappen in Goningen, van Rudy Uytenhaak hiertoe.


Opvallend vaak (7 van de 30) gaat het om relatief bescheiden ingrepen in bestaande situaties. Zo heeft het Amsterdamse bureau Heren 5 een troosteloze galerijflat in Leidschendam omgebouwd tot een comfortabel en modern ensemble, met een uitkragende woontoren boven op de oude flat. Interessant is ook wat het jonge bureau Fact Architects heeft gepresteerd: van 335 studentenwoningen die ergens op een gribusplek achter het spoor in Amsterdam moesten worden neergezet, wist het in houtbouw een herbergzaamgebouwengroep te maken.


Inventief is ook wat Onix deed: dit bureau was betrokken bij de herbestemming tot kunstenaarsateliers van een oude Turfcentrale in Veendam, Groningen. De meeste ateliers staan in de oude hal, maar er is ook een losse, kubusvormige, die meteen een proefproject is voor een bredere toepassing: goedkope woningen. Op basis van dit ontwerp kunnen in de omliggende dorpen vrijstaande starterswoningen worden gebouwd van nog geen 50 duizend euro per stuk.


De jonge architect Martin Groenesteijn nam in Baarn een soortgelijk eigen initiatief. Hij besteedde zijn vrijgekomen tijd aan een zelfverzonnen puzzel: hoe maak je een optimaal aanpasbaar huis. Een perceeltje in Baarn was zijn proeftuin en hij liet zich door niemand minder dan Gerrit Th. Rietveld inspireren.


Het ingenieuze huis dat er nu staat, lijkt van buiten wat op een rijtjeswoning, maar heeft binnen verspringende etages rond een centrale, open trap. Dat geeft bij de inrichting een enorme vrijheid. Dit eerste experiment bewoont hij zelf, maar op het kavel ernaast gaat hij een tweede huis bouwen, voor de verkoop.


Het grootste probleem van deze tijd blijft in het jaarboek onbesproken. Dat is dat dit soort succesverhalen in deze huidige tijd incidenten blijven. De grootste opgaven: het leeglopen van het platteland, de onbetaalbaarheid van de woningen en de leegstand van kantoren (6,5 miljoen vierkante meter) zijn te groot voor architecten alleen. Wat dat betreft had de redactie van het jaarboek haar eigen aanbeveling uit de inleiding ter harte moeten nemen. Daar wordt het onomwonden gesteld: 'De ruimtelijke ordening en de vastgoedwereld zijn terug naar af, terug naar de existentiële vragen: hoe zijn we hier terecht gekomen? En voor wie doen we het ook alweer?'. 'De wereld is zo ingrijpend veranderd dat geen enkele partij het zich kan permitteren om de oude kunstjes te blijven opvoeren.'


Het wordt tijd dat het jaarboek deze raad ter harte noemt, en zelf breekt met het opvoeren van de vertrouwde kunstjes. Wat dat betreft is het tekenend hoe het jaarboek in de loop van bijna 25 jaar is veranderd. Oorspronkelijk was het hoofddoel van het toen nog door de overheid geïnitieerde jaarboek om Nederland te doordringen van het belang van architectuur. Projecten werden thematisch geordend om gericht belangstelling te wekken (bijvoorbeeld woningbouw en scholen); de architecten werden slechts bescheiden vermeld. De laatste jaren wordt de volgorde gekozen aan de hand van de beginletters van het betreffende architectenbureau. Het is als het ware een wedstrijdje geworden voor architecten, voor wie een plekje op de glossy pagina's meer bekendheid en dus meer kans op werk betekent.


De uitgekozen architecten zijn daar wel mee gediend, maar voor Nederland als geheel heeft het jaarboek nu veel minder waarde. Het zou al helpen als het in de projectbeschrijvingen niet meer enkel om de architecten gaat. Er zou een veel breder inzicht moeten worden gegeven in alles wat voor het positieve resultaat een rol heeft gespeeld: de initiatiefnemers, de invloed van gebruikers en alles wat verder bijdroeg aan het ontstaansproces.


Het jaarboek zou dan weer een voortrekkersrol kunnen spelen - zoals het oorspronkelijk (in 1987) ooit deed, toen het daadwerkelijk hielp om architectuur, na jaren bescheiden dienstbaarheid, als een vlinder uit die benauwde cocon te helpen kruipen. Het jaarboek zou juist nu moeten laten zien dat architectuur niet enkel om architecten draait, maar slechts kan floreren als er ook opdrachtgevers en overheden met visie zijn, die de voorwaarden creëren voor wat architectuur vermag. Het is, met andere woorden, niet meer de tijd om enkel te signaleren. Het past nu om stelling te nemen en op de bres te springen. En dan niet alleen om architecten aan het werk te helpen, maar om, als vanouds, weer bij te dragen aan een betere inrichting van Nederland.


Architectuur in Nederland, Jaarboek 2010/11; Samir Bantal, Jaap Jan Berg, Kees van der Hoeven, Anne Luijten. NAi Uitgevers, Nederlands/Engelse editie. ISBN 978-90-5662-806-2, € 39,50

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden