'Gewone' en andere gereformeerden

'PAPA, ALLEMAAL andere pakjes, en d'r zijn ook vrouwen bij', riep de 6-jarige Matanne Post toen zij met haar vader voor het eerst een dienst in een 'gewone' gereformeerde kerk bijwoonde....

Voor de kleine meid was het een cultuurschok van jewelste, die vader Post in het eerste hoofdstuk van zijn dissertatie memoreert. Post deed historisch-sociologisch onderzoek naar de verschillen tussen drie gereformeerde denominaties in Nederland, die - kind'ren van één Vader tenslotte - ooit als loten aan dezelfde stam ontsproten, maar in de loop van deze eeuw volledig van elkaar vervreemdden.

De kloof tussen Gereformeerde Bond en Christelijke Gereformeerde Kerken aan het ene, orthodoxe uiterste van het protestantse spectrum, en het omvangrijker geheel van de Gereformeerde Kerken aan de andere, vrijzinniger kant lijkt inmiddels vrijwel onoverbrugbaar geworden. Dat had die kleine Matanne, ook zonder preek, dus goed in de gaten.

Gereformeerden vrijzinnig? Het is maar net vanuit welk standpunt men het beziet. Gezien vanuit de strenge en rechtzinnige 'bonders' en christelijk-gereformeerden vormen die 'gewoon' geheten gereformeerden - dat zijn de nazaten van Abraham Kuyper - het toonbeeld van losbandigheid en frivoliteit. Vanuit het perspectief van de laatsten behoren de eerste twee groeperingen weliswaar tot dezelfde familie, maar lijden deze achterneven en -nichten aan een beklagenswaardig gebrek aan talent om met hun tijd mee te gaan.

Uiteraard zijn dat volstrekt subjectieve plaatsbepalingen. Maar objectief valt met recht vast te stellen dat de gewone gereformeerden zich inderdaad in steeds modernistischer richting zijn blijven ontwikkelen. De sterke maatschappelijke betrokkenheid die vooral dankzij de onvermijdelijke Kuyper van begin af aan in hun geloofsopvatting besloten lag, is daarvan vooral de motor gebleken. Deze gereformeerden lijken nu de gematigd progressieve hervormden, die in al hun bonte variëteiten nog steeds de grootste protestantse denominatie in Nederland vormen, zelfs voorbijgestreefd. In zijn proefschrift tracht Post de vinger te krijgen achter de oorzaken van deze verschillen in ontwikkeling.

Eerst de zaken maar eens op een rij. Want alleen al de naamgeving van de drie geloofsrichtingen (er zijn er trouwens nog wel meer in deze rechtzinnig-reformatorische hoek) roept verwarring op. En dat niet alleen bij wie weinig of geen weet heeft van wat zich op het kerkelijk erf allemaal afspeelt ter rechterzijde van het egaal grijze Samen-op-Weggebeuren.

Het grootst mogelijke misverstand begint al bij de zogeheten Gereformeerde Bond. Dat is, anders dan de naam doet vermoeden, een orthodoxe groepering binnen de Nederlands Hervormde Kerk.

Net als de Gereformeerde en de Christelijke Gereformeerde Kerken is de Bond opgericht uit onvrede met een hervormde volkskerk die in de ogen der orthodoxie almaar vrijzinniger werd. Anders dan gereformeerden en christelijk-gereformeerden bleven de bonders echter stijfkoppig actief binnen dat gewraakte kerkverband, vanuit de illusie dat zij wellicht het modernistisch tij nog zouden kunnen keren.

Gereformeerden en christelijk-gereformeerden dachten daar anders over. Zij verlieten de hervormde moederkerk in 1834 (de 'Afscheiding'), respectievelijk 1886 (de 'Doleantie'). Kort na die laatste kerkscheuring smeedden de dolerenden samen met een deel van de afgescheidenen van 1834 in 1892 de Gereformeerde Kerken in Nederland. De overige afgescheidenen bleven zelfstandig onder de naam Christelijke Gereformeerde Kerk. Sindsdien zijn de wegen van deze groeperingen nogal uiteen gaan lopen.

Posts verklaring voor de wijze waarop dat gebeurde, is simpel. De maatschappij is in de loop van de twintigste eeuw ingrijpend veranderd; de groeiende welvaart en de sterk toegenomen communicatie-, informatie- en transportmogelijkheden hebben de samenleving als het ware gehomogeniseerd. Kenmerkend voor bonders en christelijk-gereformeerden is dat zij zich door een zelfgekozen isolement stelselmatig van deelname aan deze ontwikkeling hebben onthouden. Dat zij daardoor gedoemd waren een minderheid te blijven zonder maatschappelijke invloed van enige betekenis, was de prijs die zij welbewust betaalden voor het zo zuiver mogelijk houden van de eigen identiteit.

De gereformeerden van Kuyper daarentegen lieten dat zuiverheidsideaal varen. Zij aanvaardden de wereld zoals die was en voortdurend veranderde, en namen daaraan zelfs met zekere gretigheid deel. Het van oorsprong verticaal gedachte geloofsideaal (de directe relatie met God daarboven als het enige dat telt) kantelde en het horizontale perspectief (vanuit het geloof de medemens willen bevrijden uit sociale kluisters en Gods schepping zuiveren van onrechtmatigheden) kwam ervoor in de plaats.

Posts analyse is juist. Maar hij legt wat weinig nadruk op het feit dat het maatschappelijk engagement - het sterke streven naar politieke invloed bijvoorbeeld, en het oprichten van eigen maatschappelijke organisaties - van meet af aan een onlosmakelijk onderdeel is geweest van Kuypers tamelijk totalitaire, gereformeerde ideologie. Dat is een cruciaal onderscheid ten opzichte van de bonders en christelijk-gereformeerden, die zich vrijwel uitsluitend op de leer concentreerden; een essentieel verschil dus, dat in deze studie helaas enigszins onder de mat dreigt te verdwijnen.

Volgens Post zijn de Gereformeerde Kerken na de twee grote kerkscheuringen die zij in deze eeuw nog doormaakten (de 'kwestie Geelkerken' in 1926 en de 'Vrijmaking' onder Schilder in 1944), bovendien huiverig geworden voor het nemen van kerkelijke tuchtmaatregelen tegen dissidenten in de eigen gelederen. Daardoor heeft dit kerkverband zich ontwikkeld tot een pluriforme organisatie waarin veel zo niet alles mag worden gezegd.

Het is pikant dat uitgerekend dankzij deze pluriformiteit en openheid de gereformeerden nu als gangmaker fungeren voor het Samen-op-Wegproces, waarin hervormden en gereformeerden verwoede, maar niet altijd even succesvolle pogingen doen om de breuk uit de vorige eeuw te lijmen. Hetzelfde proces dat door de gereformeerde bonders binnen de hervormde kerk wordt gedwarsboomd vanwege de vermeende lichtzinnigheid der gereformeerden.

Ooit waren de bonders één van geest met deze gereformeerden, met wie zij zij aan zij streden tegen de hervormde moederkerk. Die kerk is voor de bonders echter nog steeds een heilig instituut, want in hun eigen onnavolgbaar taalgebruik een 'planting Gods'. Zoiets verkwansel je niet aan zich gereformeerd noemende lieden bij wie 'de ruif der genade' veel te laag is komen te hangen.

Het is 'een weerbarstige materie', om met Post te spreken, die zelf omwille van zijn huwelijk van 'gewoon gereformeerd' bonder werd (hoe leg je zoiets uit aan je zesjarige dochter?). En het zal dan ook niet iedereen gegeven zijn in de ban te raken van deze deels in sociologenjargon, deels in knoestig reformatorisch proza gescheven studie over een onderwerp van doorgaans gering geachte importantie.

Maar het is fascinerende lectuur voor wie geboeid wordt door dit soort gelovigen die omwille van een onveranderlijk geachte waarheid bereid zijn maatschappelijk isolement, inclusief de bijbehorende spot en stigma's, voor lief te nemen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden