Geweld tegen terrorisme helpt Amerika weinig

De VS gaan bij de bestrijding van het terrorisme uit van de illusie dat niemand aan de lange arm van Amerika kan ontsnappen....

NA DE bomaanslagen op de Amerikaanse ambassade in Kenia en Tanzania, op het World Trade Center en in Riyadh en Dhahran, Saudi-Arabië, in 1995 en 1996, moeten de Amerikanen de werkelijkheid onder ogen zien: ze moeten zich realiseren dat meer van dergelijke aanvallen onvermijdelijk zijn en misschien zullen worden uitgevoerd met nog krachtiger wapens.

De bescherming van ambassades en andere officiële locaties moet uiteraard worden opgevoerd. De Amerikanen zijn dat verplicht aan hun medeburgers die hen in het buitenland vertegenwoordigen.

Maar bevolking en regering moeten nog een andere werkelijkheid onder ogen zien: bij een 'hardere' bescherming van potentiële officiële Amerikaanse doelen, zullen de terroristen zich simpelweg richten op niet officiële, 'zachte' doelen, zoals bedrijven, scholen, of toeristen.

De dreiging kan misschien afgewenteld worden van de Amerikaanse overheid, maar niet van de Amerikanen zelf.

Amerika's probleem bij de bestrijding van het terrorisme is vooral politiek en strategisch van aard. Het is gelegen in een combinatie van mythe, misleiding en gedraai, een combinatie die in stand wordt gehouden door zowel de regering als het Congres, door zowel Democraten als Republikeinen, die kennelijk geen van alle eerlijk kunnen zijn tegenover het Amerikaanse volk.

Hieronder volgen een paar waarheden die de overheid niet onder ogen wil zien.

De meeste Amerikaanse contra-terroristische successen werden behaald op eenlingen, zoals de schutter die in 1993 twee mensen doodde bij het hoofdkantoor van de CIA, of op het voetvolk in de lagere regionen van terroristische organisaties.

Mislukkingen - bijvoorbeeld om degenen die het Pan Am-toestel boven Lockerbie opbliezen voor berechting Libië uit te krijgen, of om van de Saudische regering meer informatie los te krijgen over de bomaanslagen van 1995 en 1996 - zijn het gevolg van welbewuste, maar niet openbaar gemaakte beslissingen van de overheid inzake politieke prioriteiten.

Om degenen die de Pan Am 103 opbliezen Libië uit te krijgen, zou je de Libische regering een ultimatum moeten stellen waarin je eist dat de twee op korte termijn aan een rechtbank in Engeland of Schotland worden overgedragen, omdat dat anders het Amerikaanse leger, langzaam maar zeker, eerst de Libische militaire macht en vervolgens de Libische olie-industrie in een smeulende ruïne zal veranderen.

Natuurlijk zou Amerika in dat geval zijn zaakjes helemaal alleen moeten opknappen en de smaad van vrijwel de gehele internationale wereld over zich afroepen.

Als je de Saudi's wilt laten vertellen wat ze naar alle waarschijnlijkheid weten over buitenlandse verantwoordelijkheid voor de aanslagen in Riyadh en Dhahran, zou je het politieke, economische en veiligheidsspel heel hoog moeten spelen - moet je enorm veel pressie uitoefenen - en dat kan langdurige negatieve gevolgen hebben voor de Amerikaanse-Saudische relatie en de Amerikaanse aanwezigheid in de Golf.

In beide gevallen heeft de Amerikaanse regering, en dat is misschien wel zo verstandig, besloten om niet zo bot te werk te gaan.

De eerste waarheid in een contra-terroristisch beleid is dus dat je te maken hebt met strijdige nationale prioriteiten. Het politieke en inderdaad moeilijk in het openbaar te bespreken dilemma is of het aantal Amerikaanse slachtoffers van het terrorisme acceptabeler is voor de overheid dan de politieke en economische gevolgen, en die voor de veiligheid, die een veel militantere aanpak van het terrorisme kan hebben.

Nog een onplezierige waarheid waar de Amerikaanse overheid niet van wil horen, is het feit dat Amerika bij een militantere aanpak van het terrorisme in vrijwel alle gevallen zou zijn veroordeeld om alleen tot gewelddadige actie over te gaan.

Geen enkele andere mogendheid zal zich bij Amerika voegen in een kruistocht tegen het terrorisme - in werkelijkheid zijn er 'bevriende' regeringen die hun land tegen het terrorisme beschermen door het op een akkoordje te gooien met terroristische groeperingen en hen operationele vrijheid te bieden.

Een derde waarheid is dat uit wraak geboren geweld, hoe massaal ook, vrijwel altijd zal leiden tot meer geweld. Zo wordt beweerd dat Ronald Reagans aanval op Libië in 1986 Kadhafi tot inkeer bracht en in feite een einde maakte aan het Libische terrorisme. Dat is niet waar.

Volgens een groot aantal deskundigen was de Libische bomaanslag op de Pan Am 103 in 1988 in feite een vergeldingsactie voor de bomaanval op Libië in 1986 en hebben er na 1986 waarschijnlijk nog meer Libische terroristische acties plaatsgevonden.

Er is geen snelle, schone, afdoende manier om wraak te nemen voor wat de terroristen ons hebben aangedaan. Waar de oorlog tegen het terrorisme op uit draait is een 'lange strijd in het schemergebied', met een beperkt aantal slachtoffers aan de kant van de terroristen, af en toe pijnlijke verliezen aan Amerikaanse zijde, en talloze slachtoffers die tussen beide partijen bekneld raken, zoals we in Afrika hebben gezien.

De pijnlijke vraag waarmee het Amerikaanse volk en de Amerikaanse regering zich, net als in het midden van de jaren tachtig, geconfronteerd zien, is of een oorlog tegen het terrorisme de hoogste prioriteit in het buitenlandse beleid verdient.

Een oorlog waarin bredere Amerikaanse politieke, economische en veiligheidsbelangen zouden worden opgeofferd aan Amerika's eigen jihad of heilige oorlog tegen de terroristen.

Dit brengt ons bij de laatste werkelijkheid die we onder ogen moeten zien: hoe moeten wij, Amerikanen, reageren op terroristische acties zoals in Saudi-Arabië, Kenia en Tanzania?

We zullen dit soort acties nooit helemaal kunnen voorkomen. Wat we wel kunnen doen, is onszelf beter beschermen en terroristen voor de rechter brengen. Maar het allerbelangrijkste is: kiezen voor een beleid en een strategie waarmee we op den duur het terrorisme van zijn wortels kunnen beroven.

We kunnen werken aan een vrede in het Midden-Oosten waarin we geen knieval maken voor de obstructiepolitiek van de Israëlische premier Benjmin Netanyahu en diens verraad aan de erfenis van Yitzhak Rabin.

We kunnen een voorzichtige dialoog aangaan met president Mohammed Khatami van Iran, in plaats van zijn militante binnenlandse tegenstanders in de kaart te spelen, voor wie anti-Amerikaanse terrorisme een kwestie is van 'twee vliegen in een klap' slaan.

We kunnen in het Midden-Oosten de mensenrechten en de politieke vrijheid bevorderen, zoals we destijds deden in de Sovjet-Unie en nu proberen te doen in Azië.

We kunnen daarnaast geweld gebruiken tegen regeringen of groeperingen die het terrorisme steunen of in het geval van individuele personen, hen arresteren en voor de rechter brengen, om te laten zien dat onze arm zo ver reikt als ons geheugen. En om te laten zien dat degenen die zogenaamde martelaars het vuile werk laten opknappen zelf tot martelaar zullen worden of in een Amerikaanse cel zullen belanden.

Deze mengeling van geweld en diplomatie, van geduld en planning, vanuit het pijnlijke besef dat er nog meer slachtoffers zullen vallen, is emotioneel niet bevredigend. De dorst naar wraak of gerechtigheid wordt er niet mee gelest; het biedt geen bedrieglijk simpele antwoorden op complexe problemen en moeilijke keuzes. In werkelijkheid is het echter de enige duurzame koers.

Maar zelfs deze aanpak van het terrorisme zal stranden als Amerika geen strategie weet te formuleren voor haar omgang met de wereld buiten de eigen grenzen. Een contra-terroristische strategie heeft alleen kans van slagen als de Amerikaanse leiders accepteren dat de Verenigde Staten zich niet kunnen isoleren van de rest van de mensheid.

Als ze accepteren dat ze de rest van de wereld niet kunnen behandelen als politieke speelbal of als iets waar je tijd in steekt wanneer dat jou uitkomt. Als ze aanvaarden dat ze zich niet kunnen onttrekken aan de verantwoordelijkheden, de kosten en de offers die het leiderschap van de wereld met zich brengt.

Republikeinen en Democraten moeten ophouden zich te verbergen achter opiniepeiligen waaruit zou blijken dat Amerikanen niet houden van buitenlandse verplichtingen, met name die waarbij bloed kan vloeien. In deze eeuw waren Amerikanen nooit erg enthousiast over het aangaan van buitenlandse verplichtingen.

Het heeft de leiders in Washington - dat geldt zowel voor de president als voor het Congres - altijd veel moed en visie gekost om de Amerikaanse bevolking te overtuigen van de noodzaak voor de VS om zijn internationale belangen te behartigen, zelfs wanneer dit bij tijd en wijle veel slachtoffers en geld kan kosten.

Aan dergelijk leiderschap heeft het de afgelopen jaren, bij de president en het Congres, jammerlijk ontbroken.

Het anti-Amerikaanse terrorisme zal nog lange tijd een vast onderdeel van onze wereld vormen. Echt leiderschap zou de Amerikanen helpen de ware aard van deze slepende oorlog te begrijpen en wijzen op het belang van consequent Amerikaans leiderschap en betrokkenheid bij een snel veranderende wereld.

De echte leiders - en dat geldt voor Republikeinen zowel als Democraten - zouden het Amerikaanse volk eerlijk en zonder huichelachtig gedraai of vooringenomenheid vertellen wat zich werkelijk afspeelt in een wereld die we wel domineren, maar niet naar onze hand kunnen zetten.

Robert M. Gates was lid van de Nationale Veiligheidsraad onder vier presidenten en directeur van de CIA onder president George Bush.

The New York Times/de Volkskrant

Vertaling: José van Zuijlen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden