Gevoelige geschiedenis

Het Rijksmuseum stelt een aantal diorama’s uit Suriname ten toon als voorbereiding op een toekomstige Suriname-presentatie. Maar aan de vraag hoe om te gaan met het slavernijverleden heeft het museum nog weinig aandacht besteed....

Ze kostten ongeveer wat een slaaf kostte: een gulden of tweehonderd. De diorama’s die Gerrit Schouten (1779-1839), Surinaams-Nederlands kunstenaar, maakte in opdracht van rijke handelaren. Die namen ze mee naar Nederland of Engeland, om een beeld te geven van de plantages en het dagelijks leven in Suriname. Zoals de Engelse koopman William Leckie (1779-1824), handelaar in Paramaribo in allerhande ‘goederen’: van kabeljauw en kaarsen tot ‘restant slaven’. Het diorama dat hij bestelde, is zo precies dat het belangrijke historische documentatie is. Zijn groene huis springt eruit in de rij huizen aan de Waterkant. Een schoenmaker is in zijn winkel bezig, ernaast huist café de Zwaan. Indianen doen boodschappen bij A. H. de Vries. Blanke mannen maken een praatje, ‘roeinegers’ met hoge hoeden slaan in gelijk tempo een tentboot door het water.

De winkels hebben echt bestaan, de architectuur klopt. Dus je kunt er van uitgaan dat ook het leven op straat toen echt zo was, zegt conservator geschiedenis Eveline Sint Nicolaas van het Rijksmuseum. ‘Het geeft een goed beeld van het leven in die tijd. De kijkkast is een belangrijke informatiebron, want in 1821, een jaar nadat het diorama werd gemaakt, brandde het hele huizenblok af. Inclusief de handel van Leckie.’

Het is een van vijf diorama’s – poppenhuis-achtige 3d-voorstellingen – die het Rijks in de collectie heeft. Ze worden nu, tot 7 december, tentoongesteld. Omdat het Waterkant-diorama net is aangekocht. Maar ook als voorbereiding op de Suriname-presentatie in het toekomstige Rijksmuseum, dat volgens de laatste stand van zaken in 2013 opent.

Schouten verbeeldde in de diorama’s slavendansen, indianenkampen en heeft meerdere plantages zeer gedetailleerd uitgebeeld. Met piepkleine mensen, houtverwerkingsplaatsen, slavenhutten, moestuintjes en plantershuizen. Alles gemaakt van papier, dat hij verwarmde om het te kunnen ‘uitdeuken’ tot figuren met reliëf.

Diorama’s zijn in Nederlandse musea niet nieuw. Het Tropenmuseum heeft er meerdere in de vaste presentatie, en ook museum Bronbeek in Arnhem, museum van Volkenkunde in Leiden en museum Het Valkhof in Nijmegen hebben de 19de-eeuwse kunstwerken in huis. Ze zijn allemaal van Gerrit Schouten – er is geen andere maker van Surinaamse diorama’s bekend. Ook het Rijksmuseum had er al lange tijd twee in bezit.

Wat wél nieuw is, is de presentatie over de geschiedenis van Suriname in het Rijksmuseum. In het gerenoveerde museum staat een historische presentatie gepland, die zo veel mogelijk met kunstwerken wordt ingericht. Daarin spelen deze werken, van een half-Surinaamse, half-Nederlandse maker, een belangrijke rol. Eveline Sint Nicolaas: ‘Het was in die tijd in Suriname uitzonderlijk om kunstenaar van beroep te zijn.’

Tot voor kort was er weinig interesse. Pas sinds 1998 speelt Suriname een rol in de presentaties van het Rijksmuseum. Toen er dat jaar een herinrichting van de historische afdeling opende, was voor het eerst Suriname een klein onderdeel. Omdat er weinig kunstwerken zijn overgebleven uit de West, zegt Eveline Sint Nicolaas. Maar ook omdat er eenvoudigweg voor 1998 niet systematisch verzameld werd: ‘We hebben weinig; een landkaart op zijde, een schilderij van een plantage, Wedgewood-servies over de afschaffing van de slavernij, nog enkele andere dingen. We zijn veel actiever gaan verzamelen.’

Weinig objecten en weinig verzamelwoede; dit geldt in het Rijksmuseum eigenlijk voor alle voormalige Nederlandse koloniën en gebieden. Suriname, de Antillen, Zuid-Afrika. Alleen van Indonesië bezit het museum wat meer werk: er waren daar in de koloniale tijd meer kunstenaars.

Toch hangt en staat het Rijksmuseum vol herinneringen aan de koloniën. Neem de mooie Maria Trip van Rembrandt: tweede generatie mensenhandelaars. Er zijn voorwerpen die geruild werden voor slaven, en portretten van kopstukken van de West-Indische en Oost-Indische Compagnieën. Maar in de vaste opstelling van beroemde meesters word je daar als bezoeker niet van bewust gemaakt. Bij zulke werken staat niet: ‘slavenhandelaar’ of ‘onderdrukker in Indië’.

De geschiedenis van de landen die vroeger tot het Nederlandse gebied behoorden, is een gevoelige. Die wordt wel tentoongesteld, maar nauwelijks in het Rijksmuseum. Daarvoor moet de bezoeker naar de antropologische en volkenkundige musea. Of, verderop in Amsterdam, het Nationaal Instituut Nederlands slavernijverleden en -erfenis (NiNsee). Waar burgemeester Job Cohen op film uitlegt dat zijn Amsterdamse ambtswoning de oorspronkelijke woning was van Paulus Godin, bewindvoerder van de West-Indische Compagnie en de Sociëteit van Suriname. Waar Bredero wordt geciteerd die de slavenhandel verfoeide en Nederlandse Surinamers verhalen uit mondelinge overlevering vertellen. Waar kortom nadrukkelijk een gedeelde geschiedenis wordt getoond.

Het Tropenmuseum en het NiNsee in Amsterdam, het Volkenkundig museum in Leiden, en het Wereldmuseum in Rotterdam houden rekening met het perspectief van bezoekers die wortels hebben in de voormalige Nederlandse gebieden. Wordt het niet tijd dat het Rijksmuseum dat ook gaat doen?

Eveline Sint Nicolaas benadrukt dat ze wil ‘dat Surinamers in Nederland zich kunnen herkennen in de presentatie’. Maar intensieve samenwerking met deskundigen, historici of antropologen van Surinaamse afkomst is er nog niet van gekomen. ‘De presentatie van de diorama’s en het boek zijn een soort visje dat we uitgooien. Ik ben benieuwd naar de reacties’.

Musea in het buitenland van vergelijkbare statuur als het Rijksmuseum hebben meer ervaring. Het Victoria and Albert Museum in Londen, wiens verzameling misschien wel de grootste koloniale buit ter wereld is, organiseert al jaren tentoonstellingen waarin wordt geprobeerd de geschiedenis in breed perspectief te tonen. Zoals vorig jaar de tentoonstelling Uncomfortable Truths, the shadow of slave trading on contemporary art & design, waarin vragen aan bod kwamen als: waarom wordt slavernijgeschiedenis gezien als zwarte geschiedenis, en niet als geschiedenis van alle Britten? Er werd hedendaagse kunst getoond waarin gereflecteerd wordt op het slavernijverleden. Ook musea in de VS, zoals het Metropolitan Museum in New York en de Freer Art Gallery in Washington hebben aandacht voor de traumatische geschiedenis in breed perspectief.

Het Rijksmuseum staat nog aan het begin van een nieuwe fase, zegt Sint Nicolaas. Er moeten in de collectie meer stukken komen en ook recentere, uit de 20ste eeuw. ‘Anders lijkt het net of we nu nog koloniën hebben’.

Het besef is doorgedrongen dat het verleden doorleeft in het heden, zoals Cohen in de presentatiefilm in het NiNsee zegt. Maar of daarmee in de toekomstige presentaties beide perspectieven – kolonisator en gekoloniseerde – te vinden zijn, moet blijken. Volgens Eveline Sint Nicolaas vormen de beperkte beschikbare objecten een obstakel. En: ‘Er moet wel een connectie zijn met de Nederlandse aanwezigheid’. De diorama’s zijn vooralsnog de kroongetuigen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.