Gevangenen zijn zielig noch eng

Van de 600 gevangenen in Nieuw Vosseveld te Vught is de helft tussen 18 en 23 jaar. Onder hen zitten veel ernstig gestoorden....

Van de gebroken neus die een gevangene hem sloeg, is niets meer te zien. Paul Koehorst (51), directeur van de op een na grootste gevangenis van Nederland, oogt als een leraar die alleen maar zijn hoofd om de deur hoeft te steken en de klas houdt op met keten.

Alerte ogen, snelle grappen. 'Hij heeft een grote bek, maar hij maakt het ook waar', zeggen insiders in het gevangeniswezen. Zelf verklaart hij zijn ontspannen houding uit het feit dat hij 'in de gevangenis geboren is'. Zijn vader was directeur van tal van huizen van bewaring.

Iedere ochtend vertrekt uit Nieuw Vosseveld in Vught een klein, zwaar beveiligd konvooi: Johan V. ('de Hakkelaar') en zijn collega Koos R. worden uit de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) overgebracht naar de rechtbank in Amsterdam. Slechts op een plaats in Nederland is zo'n hermetisch gesloten gevangenis in een inrichting: in Vught. 33 Cellen waarin elk fysiek contact met de buitenwereld onmogelijk is. Zelfs familiebezoek zit achter veiligheidsglas. Bewaarders die een cel binnengaan, moeten volgens streng EBI-voorschrift numeriek in de meerderheid zijn. In geval van gijzeling gaan alle deuren elektronisch op slot en ook het personeel zit dan in de val. 'Wat doe je als je collega er aan komt met een pistool op zijn hoofd? Dan maak je de deur open. Dat kan hier niet meer. Niemand heeft de sleutel. Er zijn langdurige en ingewikkelde procedures nodig om het gebouw weer te openen. De gedetineerden weten dat.'

Het voor Nederland ongekend strenge regime is van begin af aan fel bekritiseerd. De Coornhert Liga bestempelt het als 'inhumaan'. 'Wij hebben hier niet om gevraagd', zegt Koehorst. 'Het zijn de extreem gewelddadige uitbrekers die er om vroegen.'

Als jongetje van tien voetbalde hij met de gedetineerden in de gevangenis waarvan hij nu alweer dertien jaar directeur is. Zijn vader was er adjunct, van 1955 tot '57. De directeurswoning was op het terrein ('achter het prikkeldraad'), bij het naar school gaan passeerde hij bewakers met karabijnen. Die stonden er ook nog toen hij in 1983 directeur werd. Hij verbood ze gericht te schieten op uitbrekers. 'We hadden hier toen nog niet zulke zware jongens zitten als nu. Zeventig tot tachtig procent van de ontvluchtten was binnen een week terug.' Nu staat er een hoge muur vol elektronische bewakingsapparatuur om het hele terrein.

Koehorst sr. trok midden jaren vijftig in Vught een beleid dat toen als vernieuwend gold. Een topambtenaar van Justitie die later minister van Onderwijs zou worden, Veringa, had het bedacht: onderwijs en vorming in de gevangenis. De filosofie dat detentie gericht moest zijn op een 'betere' terugkeer in de maatschapij, won veld.

Veertig jaar later laat Koehorst jr. de gedetineerden in de metaalwerkplaats tralies smeden, voor Nieuw Vosseveld en andere gevangenissen. De 'openheid' kostte te veel gesneuvelde ruiten. En erger. Begin jaren negentig was er een lange reeks ontsnappingen waarbij gevangenispersoneel gegijzeld en gewond werd. 'Ik ging me schamen dat ik bij het gevangeniswezen werkte', zegt Koehorst.

Er ging geen verjaarsvisite meer voorbij zonder grappen over die domme gevangenisdirecteuren die de boeven niet binnen konden houden. Koehorst was toen al een kleine tien jaar directeur van Nieuw Vosseveld, een bosachtig terrein met lage barakken en in het midden een bunker uit de Tweede Wereldoorlog. Hij had nooit veel gevoeld voor een extra beveiligde afdeling waar extreem vluchtgevaarlijke gevangenen opgesloten konden worden, maar uit irritatie over de gijzelingen sloeg zijn stemming om. Hij bood het ministerie de bunker aan, als tijdelijke oplossing. Het werkte: uit de bunker, Tijdelijke Extra Beveiligde Inrichting genaamd, is tot nu toe niemand ontsnapt.

'De ontwikkeling binnen de gevangenis is altijd een afspiegeling van wat zich in de maatschappij afspeelt', zegt hij. 'Heeft de maatschappij problemen met verharding en verruwing, dan hebben wij dat hier binnen ook.'

Als kind is hij het land door geschopt, van Winschoten tot Middelburg en Maastricht. Dat bracht het carrièrebeleid van het gevangeniswezen mee. De twee eerste klassen van de lagere school deed hij al op drie verschillende scholen. 'Met de watersnood, in 1953, zat ik in Winschoten. Dat weet ik nog omdat ik me herinner waar de radio stond waaruit de berichten over de watersnood kwamen. Maar voor het einde van het schooljaar verhuisden we alweer naar Zwolle.' Talloze keren moest hij zijn plek veroveren als 'nieuwe' in een vreemde klas.

Door al die verhuizingen heeft hij veel sociale intelligentie ontwikkeld. 'Sluw word je daarvan. Wel belangrijk hoor. Ik maak mensen mee die heel intelligent zijn, maar niet in staat om in te spelen op de omgeving. Die verliezen het, met al hun intellect.'

Zijn vader eindigde zijn carrière als directeur in Den Bosch. Paul deed daar de laatste étappe van het gymnasium - zijn derde, na Middelburg en Maastricht - en ging daarna in militaire dienst. Bij de welzijnsofficier leende hij populaire grammofoonplaten om in het weekend voor de gevangenen te draaien. Zijn verzoekplatenprogramma leverde hem veel persoonlijke contacten op. Toen zijn opleiding aan de militaire academie niet kon doorgaan wegens zijn min vier-brilleglazen, solliciteerde hij bij het gevangeniswezen. 'Gewoon, omdat ik een baan moest vinden. Je solliciteert makkelijker in een wereld die je vertrouwd is.'

Zo begon de carrière van Koehorst jr. in 1967. Het beleid van die jaren noemt hij 'lief'. Dat kon, want er waren nog geen drugssyndicaten. Harde criminelen uit het buitenland waren er ook nauwelijks, laat staan een 'allochtonenprobleem'.

Over de vraag wat het werk in de afgelopen dertig jaar zoveel moeilijker gemaakt heeft, hoeft hij geen seconde na te denken: 'Niet de allochtonen, wel de drugs. De verharding van de criminaliteit is te danken aan de drugs.'

Een Marokkaanse boef verschilt in zoverre van een Hollandse boef dat de normen en waarden van thuis niet meer kloppen met wat hij op straat leert. 'De Hollandse jongen die hier zit, heeft de normen overtreden, maar hij kent ze wel. De Marokkaan niet, die is in verwarring.'

Zeventig procent van de gedetineerden van Nieuw Vosseveld komt uit Marokko, Turkije, de Antillen, Suriname 'en nog een heleboel andere landen'. De veronderstelling dat een tweede-generatie-gevangenisdirecteur makkelijker een tweede- generatie-Hollandse boef begrijpt dan een nieuwkomer uit een andere cultuur, wuift Koehorst weg. 'Flauwekul. Ik begrijp ze best. We weten waar de problematiek zit. We moeten ze in het gareel houden, consequent de normen van ''buiten'' voorhouden. Dat gebeurt met straffen en belonen. Het is heel moeilijk hen ons normenstelsel bij te brengen. In feite moeten we in de gevangenis van voor af aan beginnen met opvoeden. Talloze mensen zijn daar mee bezig. Niet in de laatste plaats de bewaarders.'

Het werk is door de buitenlanders niet speciaal moeilijker geworden, herhaalt hij. Mensen die een gevangenisstraf ondergaan zijn voor hem 'gewoon', want hij is met ze opgegroeid. Hij vindt ze niet eng en 'zeker niet zielig.'

'Met uitzondering van de ernstig gestoorde gevangenen: die vind ik wel zielig. Er is in iedere gevangenis een toenemend percentage nensen die behandeld zouden moeten worden. Vroeger zouden zij in een psychiatrische inrichting gezeten hebben.' In de jaren zeventig hebben die inrichtingen hun gesloten afdelingen voor langdurig verblijf gesloten. Behandelen van geestesziekten moest voortaan in open afdelingen of ambulant. Wie niet de discipline kon opbrengen om zich regelmatig bij de kliniek te melden, viel uit de boot. Koehorst: 'Toen begon de vicieuze cirkel waar nu steeds meer ernstig gestoorde jongeren in zitten. Ze vervallen tot criminaliteit, worden opgesloten, zitten hun straf uit, begaan opnieuw een misdaad, worden weer opgesloten. Het gevangeniswezen heeft deze ernstig gestoorde gedetineerden veel te weinig te bieden.'

Van de 600 gevangenen in Nieuw Vosseveld is de helft tussen de 18 en 23 jaar. 'Onder deze jong volwassenen zijn verontrustend veel gestoorde jongeren die zorg behoeven. Ik kan ze alleen een observatiecel bieden, af en toe. En ik heb onvoldoende personeel om uit te vinden wat er met hen aan de hand is.'

Ernstig gestoorde jongeren die gevangenis in, gevangenis uit gaan, worden tijdbommen. Daar is iedereen het over eens. Toch mogen gevangenissen niet behandelen: dat is voorbehouden aan tbs-klinieken. Koehorst: 'Het aantal tbs-plaatsen wordt aanzienlijk uitgebreid, maar nog lang niet genoeg.'

In zijn jeugd waren er altijd wel een paar 'gekken' in de gevangenis. 'Zij slikten messen en vorken in. We noemden hen psychopaten.' Toen hij in 1967 begon te werken, als directie-assistent in Breda, was het aantal 'psychopaten' in de gevangenis nog overzichtelijk. 'Maar de maatschappij werd steeds ingewikkelder en het aantal mensen dat het niet kon bijhouden, werd groter. Ze zijn ziek, ze ontsporen. Dat los je niet op door ze op te sluiten in een prikkelarme omgeving.'

De maatschappij riep om meer cellen en die zijn er gekomen. Koehorst heeft bepaald niet dwarsgelegen bij dat beleid: Nieuw Vosseveld groeide onder zijn directeurschap van 140 naar - volgend jaar - 670 plaatsen. Dat vindt hij wel zo'n beetje de grens. Boven alles houdt hij vast aan de verdeling in laagbouw-units en, daarbinnen, paviljoens van maximaal twaalf gedetineerden. Hij is teleurgesteld over de manier waarop in de jaren tachtig nieuwe gevangenissen gebouwd werden. Veel te veel grote vleugels. Negentiende-eeuws, noemt hij dat. 'Massaal mensen opbergen is funest want in de massa heerst het recht van de sterkste.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.