Getuigenis van de vijand

Amerikaanse verslaggevers, fotografen en filmers bepaalden het beeld van de oorlog in Vietnam. Het (propagandistische) werk van hun Vietnamese tegenpolen, bedoeld voor vlugschrift of partijkrant, drong tot het Westen niet door....

e oorlog in Vietnam was de eerste media-oorlog in de geschiedenis. Elke grote Amerikaanse krant, tv-station of persbureau had een kantoor in Saigon en een ploeg verslaggevers, filmers en fotografen aan het front. Ze beschikten over de modernste apparatuur; hun stukken, films en foto's vlogen de dag dat ze gemaakt werden de wereld nog rond. Ze leverden het laatste nieuws voor de kranten en het tv-journaal ongecensureerd en onopgesmukt, ongekend hard ook, genadeloos.

Ze kregen de ruimte van de legerleiding om zich vrij te bewegen en waren altijd daar waar de actie was; bij elk offensief en tegenoffensief, en niet op veilige afstand maar zo dicht mogelijk bij de strijd zelf - naast de mariniers in een schuttersputje, mee op patrouille in de jungle, in de open deur van een gevechtshelikopter. De bloedige verschrikking van het slagveld en de guerrillaoorlog die ze lieten zien, zou Hollywood pas jaren later realistisch weten te benaderen in films van Stanley Kubrick, Oliver Stone en Francis Coppola.

Hun oorlog werd in Amerika zelf een breakfast-war. Het thuisfront zag op ontbijt-tv en in de ochtendkranten familieleden en vrienden creperen en in shellshock raken, en de bodybags zich opstapelen op het vliegveld voor de laatste reis naar huis. Het Witte Huis en het Pentagon zouden de pers die ruimte later nooit meer geven. Het rauwe nieuws werkte demoraliserend en voedde het protest op de campus, de poppodia en in de huiskamer. Een land in oorlog wil altijd liefst alleen overwinningsbeelden laten zien en slachtoffers bij voorkeur slechts aan de kant van de vijand.

Die genadeloze beelden uit Vietnam hebben er in grote mate toe bijgedragen dat de stemming in de VS omsloeg naar een besef dat er in Vietnam niets te winnen viel. Amerika haalde zijn troepen ten slotte naar huis. De teruggekeerde veteranen wachtte geen Victory Day of Ticker-Tape Parade zoals hun vaders en ooms aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, maar een diepe onverschilligheid en zelfs regelrechte afkeer. Het land wilde die oorlog zo snel mogelijk vergeten.

De beelden die de omslag hielpen bewerkstelligen, hebben zich in ons geheugen gegrift. De monnik die zich, in lotushouding gezeten, met benzine overgoot en in brand stak. Het naakte meisje, de kleren door napalm van het lijf gescheurd, dat gillend wegrent voor de pijn en het geweld van een luchtbombardement. De wriemelende mierenhoop van wanhopige mensen op een ladder naar het dak van de Amerikaanse ambassade bij de val van Saigon, vechtend voor een plek in de laatste reddingshelikopter. En die eindeloze reeks foto's van wanhopige, om een medic gillende, gewonde GI's en marines onder vuur. Zij zijn de iconen van die oorlog geworden. Wat CNN nu bewerkstelligt met zijn live-verslagen - America at War -, zo werkten die foto's toen.

Die foto's en tv-beelden lieten alleen één kant onbelicht - die van de vijand.

Bijna dertig jaar nadat de laatste Amerikaanse soldaten Vietnam verlieten, zijn de tegenspelers van hun beeldmakers in het vroegere Noord- en Zuid-Vietnam opgespoord. In het boek Another Vietnam. Pictures of the War from the Other Side maken we nu voor het eerst kennis met het spiegelbeeld in het werk van Noord-Vietnamese en Vietcong fotografen, en dat laat een totaal andere oorlog zien. Alles was anders aan de andere kant - en niet alleen in ideologische zin, maar in werkelijk alles. Natuurlijk wisten we dat, of we konden het vermoeden, toch zijn die altijd voor ons verborgen gebleven beelden een openbaring.

Op de eerste plaats voerden het Noord-Vietnamese leger en de Vietcong-strijders in het zuiden een andere oorlog dan de Amerikanen. Zij vochten voor de bevrijding en hereniging van hun eigen land, en niet in een ander werelddeel voor handhaving van een vanuit de Koude Oorlog bedachte scheidslijn tussen Oost en West.

'Zij vochten voor de overwinning', zegt de inleider van het boek, de Amerikaanse Vietnamveteraan Henry Allen, met zoveel woorden en kennelijk nog steeds vol wrok over de afloop. 'Wij vochten voor een oplossing van een politiek complex. Het is makkelijker voor een overwinning te vechten, denk ik. Jammer alleen, dat ze er zo weinig mee hebben gedaan.'

In Another Vietnam, samengesteld door Doug Niven die de overlevende Vietnamese fotografen opspoorde, voert Tim Page, een van die beroemde Vietnamfotografen van toen, de gesprekken met zijn collega's van de andere kant - vriendelijke, bejaarde mannen inmiddels, tussen de zestig en tachtig jaar oud. Page ziet vele overeenkomsten tussen hem en hen, maar in werkelijkheid zijn het er maar weinig, en ze zijn uitsluitend van menselijke aard. Beide partijen zagen de dood in ogen tijdens gevechtshandelingen en verbroederden met de soldaten met wie ze optrokken. Ze voelden zich één met de jongens aan het front, met die Band of Brothers. Verder zijn er alleen maar verschillen.

De Vietnamese fotografen werkten niet voor onafhankelijke kranten of nieuwsbureaus, maar voor de partij en voor een ideaal. Hun werk verscheen in de krant van de partij en in de krant van het leger, in het blad De Pionier voor de nieuwe jeugd, in vlugschriften en op posters - soms gedrukt op een pers die in het oerwoud was verborgen of in een ondergronds bunkercomplex. Ze droegen de lijn van de beweging uit, in socialistisch-realistische zin, zoals die in de jaren dertig door Maxim Gorki voor Stalin was ontworpen en in Vietnam door Ho Tsji Minh, de vader van de revolutie, verder was ontwikkeld naar Vietnamees model.

En zo zien we beelden langstrekken, die we uit films van Eisenstein en uit foto's van Rodtsjenko kennen, vol lichtharpen en beelddiagonalen die de ondoordringbare jungle openbreken en een blik werpen op de dageraad van een nieuwe reëel socialistische toekomst. Met jonge pioniers en pioniersters, die blijlachend rekruten begeleiden op weg naar een heroïsche overwinning.

Page's tegenpolen stelden zich, met gebalde vuist, in dienst van de partijpropaganda met beelden van heldhaftige soldaten en soldates en boerenkameraden, die na elk Amerikaans bombardement onverstoorbaar verdergaan met het verbouwen van rijst of het herstel van een verwoeste weg of brug. Toch ontstijgen die beelden gaandeweg dat karakter, zeker als ze gemaakt zijn in het heetst van de strijd. Je ziet er nu doorheen. De fakkel van toen is allang gedoofd, en de oude revolutionaire heilsboodschap aandoenlijk geworden. Ze hebben een documentair karakter gekregen als een beeld van een tijd die voorgoed voorbij is, geschiedenis geworden.

Veel vaker nog hadden ze, toen al, een heel andere toon, menselijk en betrokken, en komt die heldhaftigheid alleen tot uitdrukking in het besef van de fotografen dat ze vochten voor hun eigen toekomst en uit liefde voor hun land. De Vietnamese fotografen lieten Page nu ook foto's zien die ze toen ideologisch ontoelaatbaar vonden en nooit hebben ingeleverd, maar die ze altijd bewaard hebben als getuigenis van de tijd waarin ze leefden.

Hun foto's deden dienst als een wapen in de strijd, om de bevolking thuis een hart onder de riem te steken, en af en toe om het buitenland te laten zien wat de Amerikanen in Vietnam aanrichtten, de verwoesting van de bossen bijvoorbeeld met het ontbladeringsgif Agent Orange. Ze waren alleen geen partij in die mediaoorlog met de nieuwsvoorziening van het Westen. De Vietnamese fotografen konden alleen maar dromen van het nieuwste type kleinbeeldcamera, met telelenzen en een motordrive. Ze moesten het doen met oude Russische toestellen of Oost-Duitse van het type Praktica of Kiev. Ze konden niet beschikken over een eigen jeep of Honda. Soms konden ze aan een fiets komen, een oude Peugeot uit de Franse koloniale tijd nog, of als ze geluk hadden een nieuwe Favorit uit Tsjechië. Meestal moesten ze alles lopend doen, door het oerwoud of baggerend door de modder van de roemruchte Ho Tsji Minh Route, onder vrijwel constante bombardementen van Amerikaanse B 52'ers.

Ze waren volledig op zichzelf aangewezen, zonder draadloze verbindingen of koeriers. Het oerduister van de jungle-nacht was hun donkere kamer, een bergbeek hun spoelbak. Chemicaliën mengden ze ter plekke zelf. Elk beeld dat ze fotografeerden werd zorgvuldig berekend omdat filmrolletjes schaars waren. Flitsapparatuur hadden ze niet. Als er geflitst moest worden, haalden ze het kruit uit een geweerpatroon, strooiden het op een hoopje en lieten dat ontbranden.

Als hun missie was volbracht, moesten ze hun films zelf naar hun redacties brengen. Soms een clandestien handdrukpersje in de buurt, maar vaker nog naar Hanoi, dat ze maar te voet, op de fiets, of liftend moesten zien te bereiken, vaak over afstanden van vijf-, zeshonderd kilometer.

Hun foto's hebben het Westen nooit bereikt. Ze verschenen in de officiële kranten in het Noorden en in clandestiene vlugschriften in het Zuiden. Ze werden in het blad Viet Nam Pictorial vanuit Hanoi wel internationaal verspreid, maar vooral onder ambassades van bevriende landen. Ze werden ingezonden voor internationale tentoonstellingen, maar ook voornamelijk in landen van het Oostblok, in China en Cuba.

Na die oorlog - die in 1975 met de val van Saigon eindigde, waarmee de hereniging van Noord- en Zuid-Vietnam een feit werd - is er met deze foto's nooit meer iets gedaan. Toen Page en zijn helpers ernaar gingen zoeken, troffen ze hun vondsten bij de fotografen nog vaak aan in de buitgemaakte munitiekisten van het Amerikaanse leger die ze toen gebruikten, want die waren in dat tropische klimaat absoluut ongedierte-vrij.

Al die foto's waren klein afgedrukt, verbleekt en vervaagd. Aan fotopapier was toen nauwelijks te komen geweest, later was het er nooit meer van gekomen om er nog iets mee te doen. Het land had zich gericht op hereniging, heropvoeding en wederopbouw en keek niet meer om naar die oorlog. Maar hun negatieven bleken, in die donkere kamer van jungle-nacht en wilde bergbeek, nog even scherp en helder gebleven al toen.

Ze vertellen ons nu het andere verhaal van die oorlog. We kijken in de binnenkant van de beruchte tunnelcomplexen, waar de Amerikaanse soldaten als de dood voor waren. We zien de Ho Tsji Minh Route, vol verkeer en eeuwig in herstel, die wij alleen uit luchtfoto's kenden en die elke keer weer moesten bewijzen dat de vijandelijke aanvoerroute nu toch voorgoed verwoest was. We beleven hoe de bevolking de oorlog doorstond en de vrouwen, op de akkers en in de visserij, het werk van de mannen overnamen.

We zien, tegenover het beeld van het gevecht om die laatste reddingshelikopter uit Saigon dat we kenden, de visie van de andere kant. Van een stad die langzaam ingesloten wordt door de Vietcong-guerrilla's op hun zwaarbeladen fietsen en door de tankbataljons van het Noord-Vietnamese leger. Ze hoefden niet veel meer te doen dan het spoor te volgen, dat wegvluchtende Zuid-Vietnamese soldaten achter zich lieten in allerhaast weggeworpen uniformstukken en legerkistjes, waarvan ze zich ontdeden uit angst om als vijandelijk soldaat te worden ontmaskerd.

De Amerikaanse fotografen toonden de horror van de oorlog, hun tegenpolen de hoop. Het is juist dat wat de veteraan Henry Allen in zijn inleiding tenslotte toch trof en tot begrip bracht. Hij zag zichzelf door deze beelden weer als het jongetje dat naar de foto's keek in het familiealbum van zijn vaders oorlog, die van 1940-'45, 'toen de mannen dapper en rechtvaardig waren'. 'Yes!' zei het kind in hem bij het bladeren door dit boek. 'That's the kind of war I want to fight in when I grow up.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden