Geschiedenis is geen koopwaar

Het schrijven van de geschiedenis van bedrijven is een aparte branche geworden. Wim Wennekes constateert echter dat wetenschappelijk geschoolde bedrijfshistorici te veel rekening houden met hun opdrachtgevers, terwijl het hun taak is de waarheid aan het licht te brengen....

EEN biografie van het Natuurkundig Laboratorium van Philips, in de wandeling doorgaans het Natlab genoemd, daar kan niemand tegen zijn. Het is goed wanneer de buitenwereld en ook de hoofddirectie van Philips, door lezing van zo'n boek ten diepste doordrongen raken van het belang van het Natlab voor verleden, heden en toekomst van niet alleen het Philipsconcern, maar ook voor verleden, heden en toekomst van de gehele samenleving.

Wat in 1914 begon als een bedrijfslab dat aan de verbetering van de kwaliteit van gloeilampen ging werken, ontwikkelde zich tot een fascinerende wetenschappelijke proeftuin, waarin talloze bestaande technieken werden verbeterd en op uiteenlopende gebieden octrooien werden verworven.

Laat het rijtje, het is maar een greep, eens op u inwerken: radio-elektronenbuizen, röntgen- en andere medische apparatuur, grammofoons, neon-reclame, lasapparatuur, filmprojectoren, geluidsregistratie, ultra-korte golfzenders en -ontvangers, auto- en veldtelefoons, hoogtezonnen, elektronenmicroscopen, meet- en regelapparatuur, hogedrukkwiklampen voor zoeklichten, radio-telegrafische uitrustingen voor het vliegverkeer, televisie, staafmixers, koffiezet-apparaten en zo voort...

Daarnaast, of eigenlijk in de eerste plaats, deed het Natlab volkomen nieuwe ondekkingen die tot revolutionaire in eigen huis ontwikkelde producten leidden, zoals het elektrische scheerapparaat, de geluidscassette, video, cd en bijhorende afspeelapparatuur.

Dat alles was alleen mogelijk dankzij het feit dat de directie van Philips het Natlab in de afgelopen 85 jaar enorme researchbudgetten ter beschikking stelde en haar onderzoekers de vrijheid liet ook kostbare onderzoeken te doen op terreinen waarvan het resultaat (een uiteindelijk product) lang niet gegarandeerd was.

Juist dit vrije, zuiver wetenschappelijk onderzoek, waarbij niet voortdurend werd gedacht aan de commerciële toepassingen, leidde vaak tot de grootste ontdekkingen, die Philips enorme omzetten en winsten bezorgden en waarmee tevens de samenleving gediend was. Deze ruime visie, op een soms onafzienbaar lange termijn, verdient grote hulde!

Zeker in deze tijd, waarin korte termijnvisie en winstmaximalisatie grote delen van het bedrijfsleven in de greep hebben, en allerwege wordt gezocht naar mogelijkheden om fors op bedrijfsbegrotingen te bezuinigen, is het goed het belang van research, liefst met ondersteund harde bewijzen, te benadrukken.

Niet bekend

Recent hebben Shell en Akzo aangekondigd het mes in de research te zetten, zijnde een van de grootste kostenposten. Een boek zoals Blanken dat graag wil zien verschijnen kan wellicht de ogen openen en directies voor ondoordachte bezuinigingen behoeden.

Dit gezegd hebbend rijzen bij mij vragen. Zoals: wie gaat dit boek schrijven, wie gaat dit betalen, en gaat degene die gaat betalen dan eisen stellen aan degene die het gaat doen?

Op zichzelf zou ik er niets tegen hebben wanneer de auteur van de Natlab-biografie Ivo J. Blanken zou heten. Sinds 1988 houdt hij zich namelijk, als opvolger van A. Heerding, bezig met de voltooiing van de Philipshuisgeschiedenis, die inmiddels vier kloeke delen telt. De twee laatst verschenen delen staan op naam van Blanken en graag breng ik hem alle hulde voor de ijver waarmee hij de bedrijfsarchieven heeft nagevlooid, voor zijn heldere schrijfstijl en voor de wijze waarop hij de stof over goed gecomponeerde hoofdstukken heeft verdeeld.

En tóch zou ik het geen goed idee vinden wanneer Blanken - los van de vraag of hij dat wil of daar de tijd voor heeft - de biografie van het Natlab zou schrijven.

Mijn bezwaar tegen Blanken, en tegen veel andere wetenschappelijk geschoolde bedrijfshistorici, is namelijk dat zij gek genoeg niet uit zijn op het publiceren van de waarheid en niets dan de waarheid, maar dat zij zowel uit eigen vrije wil als op last van hun broodheer of opdrachtgever dingen achterhouden, en dat zijn meestal dingen die een bedrijf niet graag aan het daglicht gebracht ziet, maar waarover ik wél graag zou willen lezen.

Voor zover de waarheid al ooit volledig is te achterhalen, is het mijns inziens de taak van de historicus zich daarvoor tot het uiterste in te spannen, net zover te gaan als de onder het stof vandaan gehaalde archiefstukken hem toelaten. Blanken, historicus-in-loondienst, doet dat niet.

Zijn werk wekt de indruk wetenschappelijk verantwoord te zijn en op sommige punten is de inhoud bevredigend volledig en openhartig, maar wie enigermate thuis is in de historie van Philips ontdekt ernstige hiaten in die geschiedschrijving, telkens betrekking hebbend op zwarte bladzijden die het bedrijfsimago zouden kunnen schaden.

Neem de praktijken van de Philips Bedrijfspolitie, bestaand uit agenten in uniform en burger, die in de jaren dertig intimiderend en soms met harde hand optraden om het oproerige werkvolk in en om Eindhoven in toom te houden. De journalist Frans Dekkers wijdde daaraan in 1982 een heel boek, dat veel onvolkomenheden bevat, maar dat in essentie to the point is: Philips was in Eindhoven een staat in de staat.

In het derde deel van de Philips-huisgeschiedschrijving wordt echter met vrijwel geen woord gerept over het doen en laten van de bedrijfspolitie. In Blankens bibliografie wordt de studie van Dekkers niet eens vermeld. Toen ik Blanken tijdens mijn eigen onderzoek voor De aartsvaders op de man af vroeg waarom niet, was het antwoord dat ook Hoogovens, havenondernemingen en de Limburgse mijnen over een bedrijfspolitie beschikten, en dat het dus niets bijzonders was.

In deel 4 over Philips in oorlogstijd laat Blanken eveneens veel onbesproken waarover ik juist méér had willen weten. Maar laat ik niet al mijn pijlen op Blanken richten. Steeds méér wetenschappelijk geschoolde bedrijfshistorici lijken er geen moeite mee te hebben alsr bedrijven in ruil voor een zak geld wensen uiten, eisen stellen en over hun schouders meelezen, schrappen en bijsturen.

Een van de grootste dienstverleners op dit gebied, het is al een hele branche geworden, is het aan de Rotterdamse Erasmusuniversiteit verbonden Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis. Dit institituut produceert bedrijfsgeschiedenissen 'op contractbasis' en stelt daarbij een aantal wetenschappelijke eisen (zoals vrije toegang tot de archieven) maar zodra het op publicatie aankomt en bepaalde passages op bezwaren stuiten, valt er met het Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis te praten.

In het ernstigste geval - wanneer beide partijen niet tot een compromis komen - wordt besloten het manuscript niet te drukken en in kluis te houden. Ter vergoeilijking wordt in Rotterdam gezegd dat dankzij de door opdrachtgevers beschikbaar gestelde fondsen studenten in de gelegenheid worden gesteld volledige bedrijfsarchieven te bestuderen. Maar wat heeft dat voor zin wanneer dat niet tot volledige publicatie leidt? En waarom word ik in de (door het Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis vervaardigde) historie over 100 jaar Heidemij niet fastoenlijk geïnformeerd over de activiteiten van deze firma als bunkerbouwer gedurende WO 2.

Opdrachtgevers kunnen ook terecht op andere wetenschappelijke adressen met soms rekkelijke beginselen: aan de Universiteit van Utrecht bij voorbeeld, en bij het Amsterdamse NEHA (het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief) - instituten die aan de lopende band bedrijfsgeschiedenissen in opdracht en op maat vervaardigen.

Los van bemoeizucht draagt zulke 'contract-research' het gevaar in zich dat uitsluitend de geschiedenissen worden geschreven van bedrijven die dat zélf gaarne wensen. Bedrijven die geen of minder makkelijk wetenschappers in hun archieven toelaten (c.q. betalen voor hun geschiedschrijving) worden onderbelicht of in het geheel niet beschreven, en dat zijn lang niet altijd de minst interessante. Alsjeblieft: laat de wetenschap vrij blijven of weer worden, altoos nieuwsgierig en ongebonden, zoals het hoort.

Een biografie over het Natlab moet daarom naar mijn mening níet door Philips worden betaald (tenzij het bedrijf geen beperkingen oplegt) en ook zie ik als auteur niet graag een historicus die zijn oren naar Eindhoven laat hangen.

Wat wil Philips uit de Natlab-geschiedenis wel en niet gepubliceerd zien? Met een gedetailleerde beschrijving van de totstandkoming van het elektrische scheerapparaat en de staafmixer heeft het concern vermoedelijk geen enkele moeite, maar wat te denken van Natlab-onderzoek ten behoeve van het militair-industriële complex? En hoe wordt in een biografie van het Natlab omgegaan met pogingen om bij concurrenten bedrijfsspionage te plegen ten einde op die manier achter andermans geheimen te komen? En als er lijken in de kast liggen , of als zich bij het Natlab schandalen van jawelste hebben voorgedaan, wat dan?

Graag wil ik de discussie openen over de vraag of wetenschappelijk geschoolde bedrijfshistorici zich niet eens moeten gaan bezinnen op het gemak waarmee veel vakgenoten zich door hun financiers laten ringeloren. Tevens zou ik willen pleiten voor de totstandkoming van een Nationaal Economisch-Historisch Fonds, gevoed met donaties en subsidies van bedrijfsleven en overheid, waarmee waarlijk onafhankelijke bedrijfsgeschiedenis door waarlijk onafhankelijke historici kan worden beschreven. Op een geschiedenis van alleen maar Hollands Glorie zit ik in ieder geval niet te wachten. Ik wil de waarheid weten en niets dan de waarheid.

Wim Wennekes is publicist.

Dit artikel is gebaseerd op diens referaat op het congres 'De biografie als genre in de wetenschapsgeschiedenis', gehouden op 27 en 28 november in Groningen. Wennekes trad daarbij op als referent van Ivo Blanken, die een inleiding hield over 'Philips en de wetenschap.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden