alternatieve feiten

Geschiedenis doceren in een tijd van fake news

Ze geven al heel lang het vak geschiedenis, maar de regels van het spel zijn wel sterk veranderd sinds hun vakkennis moet wedijveren met ‘de alternatieve feiten’ die hun leerlingen links en rechts vergaren.

Jan Vermeulen, Liesbeth Dirks en Jan de Vries Beeld Pauline Niks

De ene leerling laat plompverloren weten Hitler ‘een geweldige vent’ te vinden. De ander weet zeker dat 9/11 van Amerikaanse makelij is. Het Palestijns-Israëlische conflict is bijna onbespreekbaar. De krant is een nieuwsbron als alle andere. En Trump heeft tenminste durf.

Dit zijn zo de opvattingen waaraan geschiedenisdocenten dagelijks worden blootgesteld. De Volkskrant sprak met drie van hen, allen veteranen, over hun ervaringen met leerlingen die er hun eigen opvattingen over de werkelijkheid op nahouden.

Jan de Vries (62) geeft al les sinds 1981, ooit op ‘probleemscholen’ in Utrecht, nu aan het Liemers College in Zevenaar. Jan Vermeulen (47) is docent aan het Driestar College in Gouda. Liesbeth Dirks (59) is docent aan het Schoonhovens College in Schoonhoven. In 2016 was zij, op voorspraak van haar leerlingen, geschiedenisdocent van het jaar.

Over één ding zijn ze het eens: de huidige leerlingen zijn in de kern dezelfde als hun voorgangers in de jaren tachtig. De Vries: ‘Pubers die heel graag willen leren maar die dat niet per se op school willen doen. Dat is het spel dat je speelt: ‘Jullie willen hier misschien niet zijn, maar wij zorgen ervoor dat jullie toch iets meekrijgen.’’

Maar de leerlingen kijken wel door een heel ander venster op de wereld dan hun voorgangers van tien, twintig jaar geleden. ‘Daar houd je in de les rekening mee’, zegt Dirks. ‘Waarbij je wel de indruk moet vermijden dat vakkennis ook maar een mening is’, vult Vermeulen aan. ‘Dat maakt het vak, zeg maar, uitdagender.’

Oude docenten, jonge leerlingen

Dirks: ‘Je beseft als oudere docent niet altijd hoe jong je leerlingen zijn. Die fout hebben we allemaal weleens gemaakt. Dat we zeiden: ‘Jongens, weten jullie dat nog wel?’, en dat je het dan blijkt te hebben over een gebeurtenis van voor hun geboorte.’

De Vries: ‘De leerlingen met wie we drie jaar geleden over de actualiteit van toen discussieerden, zijn nu van school af. We kunnen hun niet meer vragen: ‘Hoe heb je dat toen beleefd?’ Wij worden ouder, maar onze leerlingen blijven even jong. Je kunt heel lastig de langetermijnontwikkelingen met hen bespreken, want de volgende generatie staat op de stoep.’

Vermeulen: ‘Pubers leven op de golven van hun emotie. Dingen zijn snel heel urgent maar ook heel snel weer geschiedenis. De taak van ons is dus ook om juist de continuïteit te laten zien en niet alleen maar de hypes.’

De Vries: ‘Over IS en de terreuraanslagen hebben ze het allang niet meer. Destijds betrokken de leerlingen dat heel sterk op zichzelf. Zo van: ‘Wij zouden naar de kerstmarkt in Düsseldorf gaan, moeten we dat nog wel doen?’ Maar de actualiteit wordt steeds sneller geschiedenis. Sneller dan vroeger, toen de waan van de dag soms nog wat langer duurde dan een dag. De val van de Muur is prehistorie voor hen. 9/11 hebben zij niet meegemaakt. Ze kennen de gebeurtenissen, maar voelen hun beladenheid niet meer.’

Vermeulen: ‘Daarom zijn verhalen zo belangrijk voor het geschiedenisonderwijs: de kinderen aan de hand van lotgevallen van individuen meenemen naar tijden die hun vreemd zijn. De zes miljoen Holocaustslachtoffers zijn voor de kinderen een abstractie. Dan helpt het enorm om het verhaal van individuele slachtoffers te vertellen. Na een half uur zijn ze helemaal stil. Dat zijn gave momenten. Dan kom je binnen.’

Dirks: ‘De Holocaust is oude geschiedenis voor die kinderen geworden. Wij hebben daar nog gevoelens en emoties bij, maar die leerlingen helemaal niet meer. Dat realiseerde ik mij een paar jaar geleden toen twee jongens van havo 5 na de les op mij afstapten en plompverloren zeiden: ‘Die Hitler was wel een geweldige vent.’ Die had ik niet zien aankomen. Dus ik zei: ‘Vertel.’ Wat bleek: ze hadden de dag tevoren een documentaire gezien over de inval in Rusland. Daar kwam alles samen wat veel jongens interesseert: de Tweede Wereldoorlog, tanks, wapens. En ze waren helemaal enthousiast over het vakmanschap van Hitler. Dus ik ze: ‘En de Holocaust dan?’ Tja, die Holocaust was natuurlijk minder, maar als veldheer was Hitler toch wel een bink. Hitler staat even ver van hen af als Napoleon of Attila de Hun. Dit gaf mij het inzicht: ik moet dus heel anders met die onderwerpen omgaan.’

De Vries: ‘Dan stuit je wel op de grens van die mooie multiperspectiviteit: het gegeven dat je elk thema van verschillende kanten kunt belichten. Er zijn thema’s waarvan je gewoon moet kunnen zeggen: luister eens, het zit gewoon zó in elkaar. Met een lofzang op Hitler ga je niet alleen feitelijk, maar ook moreel-menselijk een grens over.’

Beladen thema’s

De Vries: ‘Leerlingen met een niet-westerse achtergrond kijken wel heel anders naar de Nederlandse Opstand, de VOC, Jan Pieterszoon Coen en straten die naar hem zijn vernoemd. Maar tot heftige emoties leidt dit niet. Voor problematische straatnaamborden hebben mijn leerlingen een mooie polderoplossing bedacht: handhaaf de naam van Coen gewoon, maar voeg daaraan toe dat hij welvaart bracht voor de Nederlanders maar verderf voor de Indonesiërs.’

Dirks: ‘Dit is voor álle leerlingen een vervanmijnbedshow. In zekere zin een veilig onderwerp.’

De Vries: ‘Zodra het gaat over Zwarte Piet of slavernij neemt de betrokkenheid sprongsgewijs toe. Dan vallen al snel opmerkingen te beluisteren als: ‘Ik mag toch wel boos zijn?’ Of: ‘Ik mag toch wel zeggen wat ik vind of voel?’ Je zit meteen in het andere kamp als je feiten onderzoekt. Ik heb dus ook besproken hoe discussies over dit soort thema’s verlopen. Hoe gaan we met meningen en met feiten om?’

Vermeulen: ‘Waar discussies beginnen met ‘ik vind’, zonder enige onderbouwing of feitenkennis, is het mijn taak om eerst wat feiten op een rijtje te zetten voordat we gaan roepen. Eerst informatie tot ons nemen. Daarna mag je er iets van vinden en mag je je onderbuik laten spreken.’

Dirks: ‘Maar het spel is ook dat je een veilige sfeer creëert waarin leerlingen dat onderbuikgevoel ook durven uiten. Die sfeer moet je krijgen in de klas.’

De Vries: ‘Dat wordt heel lastig als het over Israël en de Palestijnen gaat. Dat is bij leerlingen met een moslim-achtergrond bijna niet te doen. Ervaring is dan een groot goed. Je kunt makkelijker de klas tot stilte brengen door te laten zien dat je op een heleboel verschillende manieren tegen zo’n thema kunt aankijken.’

Dirks: ‘Op Israël en de Palestijnen is de metafoor van de olifant van toepassing. Je laat mensen met een blinddoek aan een olifant voelen, en ze zien allemaal iets anders voor zich. Dat laat je ze eigenlijk doen als het om het Midden-Oosten gaat. Eerst de bronnen bekijken, dan pas conclusies trekken en discussiëren. Kijken naar het grotere geheel. Je laat van de sfeer in de klas afhangen hoe je zo’n onderwerp aansnijdt: begin ik bij de Holocaust, of begin ik in een verder verleden?’

Nepnieuws en alternatieve bronnen

Dirks: ‘Ik heb onlangs eens uitgezocht hoe mijn vwo’ers aan nieuws komen, en dat viel mij eigenlijk best mee. ‘Van mijn ouders’, hoorde ik opmerkelijk vaak. Of: ‘Ik schuif aan bij het Journaal als mijn ouders kijken’. Eén leerling zei: ‘Ik volg het nieuws via Facebook, maar maakt u zich geen zorgen: ik weet dat het niet klopt.’ Dat vond ik dan wel weer geruststellend. De krant werd vaker genoemd als nieuwsbron dan ik had verwacht. Maar voor hen is een krant een krant. Het onderscheid tussen een kwaliteitskrant en de Metro kunnen ze vaak niet maken. Vroeger beschikten kinderen ongeveer over dezelfde nieuwsbron. Nu zijn die bronnen veel diverser.’

Vermeulen: ‘Daardoor komen ook complottheorieën de klas binnen. Zo hoor je opmerkelijk vaak dat de Amerikanen zelf achter 9/11 zitten. En de moord op Kennedy prikkelt de fantasie ook nog steeds. Van Kennedy weten ze niets, maar wel dat de moord een complot was.’

Dirks: ‘Bij die alternatieve bronnen gaat het niet zozeer om de actualiteit. Zo wist een van mijn leerlingen te vertellen dat Zwolle in 1945 door één Canadees is bevrijd. Dat leek me een broodje aap. Maar het verhaal bleek nog te kloppen ook: een Canadese korporaal heeft in zijn eentje de Zwolse binnenstad schoongeveegd. Op internet stuiten ze vaak op dit soort weetjes.’

De Vries: ‘Deze ochtend had ik weer zo’n geluksmoment dat mij eraan herinnerde hoe fijn het nog altijd is om geschiedenisdocent te zijn. ‘Een leerling van havo 5 zei: ‘Ik las vanochtend dat Alva Nederland maar een raar landje vond om in te vechten.’ Kijk, dan maak je in gedachten een vreugdesprongetje. In de eerste plaats omdat zo’n jongen de NOS-site raadpleegt, maar ook omdat hem daar dankzij het geschiedenisonderwijs dingen opvallen die hem anders wellicht zouden zijn ontgaan. Ik heb Tom, zo heet die jongen, dus naar voren geroepen om hem te laten vertellen over Alva die in een drassig gebied strijd moest voeren tegen taaie tegenstanders, waarbij de parallel met Asterix en Obelix natuurlijk meteen in het oog sprong.’

Donald Trump

De Vries: ‘Naar aanleiding van het optreden van Trump hebben we het in de klas vaak over nepnieuws gehad. En over Verlichting en populisme. Die begrippen zijn sinds de verkiezing van Trump veel minder abstract dan voor die tijd.’

Dirks: ‘Maar je moet op school niet aankomen met: die Trump is vreselijk. Daar zijn leerlingen allergisch voor. Als ik over Trump begin, houd ik altijd rekening met de stemming in de klas jegens hem. En veel leerlingen vinden Trump razend interessant. Exotisch.’

Vermeulen: ‘Vooral in het begin oogstte hij veel waardering. Omdat hij zo anders was en vanwege zijn durf.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.