Gerhard Richter kiest voor alles

In de loop van de meer dan veertig jaar dat Gerhard Richter schildert, heeft hij alles onderzocht: van fotorealisme tot monochroom grijze doeken, van kleurstalen tot uiterst ingewikkelde abstracten....

Weinig schilders zo complex als Richter. Zijn hele oeuvre refereert aan de meest uiteenlopende inzichten, theorieën en filosofieën.

Het leverde een mooi plaatje op tijdens de opening van de tentoonstelling van Gerhard Richter in Düsseldorf. Omringd door een legertje fotografen poseerde de schilder geduldig voor elf glasplaten die hij als een kunstwerk aan het begin van de expositie tegen een muurtje had gezet. Richter kon er zelf ook wel om lachen: hoe zijn gezicht elfvoudig in het glas weerspiegelde, steeds vager naarmate de afstand groter werd. Zo wazig zelfs dat het schijnsel ervan op een van zijn schilderijen begon te lijken.

Want met dat soort schilderijen werd hij in 1963 bekend: eerst uiterst precies in olieverf nageschilderd van een krantenfoto of reclamefolder. En vervolgens vervaagt hij de afbeelding met een brede kwast, zacht aaiend over het oppervlak. Alsof je naar een voorstelling kijkt door brillenglazen met min tien.

Wat er door zo'n bril (nog) te zien valt, is wellicht de meest bizarre keuze van onderwerpen die de schilderkunst kent. Naast foto's van landschappen en zeegezichten gebruikte Richter afbeeldingen van een dode man onder een rotsblok, acht vermoorde leerlingverpleegsters, naakte studenten, wolken, Brigitte Bardot met haar moeder, Onkel Rudi in een nazi-uniform, tafels, stoelen en rollen toiletpapier.

Er is geen touw aan die keuze vast te knopen. En feitelijk komt dat beeld ook overeen met de vraag die Richter (1932) vanaf het begin van zijn carrière bij herhaling in zijn dagboek optekende: 'Wass soll ich noch malen?'. Om uiteindelijk tot het denkbeeldige antwoord te komen: alles!

Een antwoord dat bij Richter zo letterlijk mogelijk genomen moet worden. In de loop van de meer dan veertig jaar dat hij nu werkzaam is, heeft hij - inderdaad - alles onderzocht waartoe de schilderkunst in staat moet worden geacht. Het hele palet van mogelijkheden is door hem afgegraasd: van vaag fotorealistische schilderijen tot monochroom grijze doeken, van kleurstalen zoals de huisschilder ze gebruikt tot uiterst ingewikkelde abstracties. Zelfs met spiegels en glasplaten weet hij nog een picturale wereld op te roepen.

Bovendien begon hij in 1976 zijn 'atlas' van foto's te exposeren, een verzameling die nu moet zijn gegroeid tot tienduizenden afbeeldingen. Ook hierbij geldt de tot wanhoop drijvende veelzijdigheid van onderwerpen: uitgemergelde joden in een KZ-Lager, vrouw met kind aan de borst, kaarsen, bloemen en stadsgezichten.

Weinig schilders zo complex als Richter. Zijn hele oeuvre, dat buiten zijn fotocollectie tot nu toe bestaat uit zo'n drieduizend werken, refereert aan de meest uiteenlopende inzichten, theorieën en filosofieën. En aan de meest uiteenlopende stromingen binnen de kunstgeschiedenis.

Gekke schilder ook. Er zit bij hem, als het gaat om stijlopvattingen, geen ontwikkeling in zijn oeuvre. Hij heeft zijn manier van werken door de jaren heen uitgekristalliseerd, verfijnd en geprofessionaliseerd, maar in wezen nauwelijks veranderd. Eerder verbreed. Er zijn alleen maar meer mogelijkheden bijgekomen.

Weinig kunstenaars zijn tegelijk zo eenduidig en eenvoudig: alles speelt zich in zijn werk aan de oppervlakte af. In het schijnsel van de buitenkant. Niet voor niets noemt hij zichzelf 'een materialist uit beginsel'.

Richter is eigenlijk de kunstenaar van de basiselementen: verf, linnen, kwasten, glas, spiegels en fotoafdrukken. Vandaaruit denkt hij en bouwt hij zijn werk op. Vergelijkbaar met de manier waarop Arnold Schönberg binnen de muziek het tonale systeem uit elkaar haalde en opnieuw in elkaar zette, maar dan vanuit de losse noten, zonder herkenbare melodische samenhang.

Zo combineert Richter zijn ingrediënten om tot een schilderij te komen. De ene keer kan het leiden tot iets abstracts, de andere keer tot iets figuratiefs. Maar wie denkt dat die schilderijen iets te maken hebben met de werkelijkheid daarbuiten, tuimelt in het gat dat Richter voor hem gegraven heeft.

Alle beelden die hij maakt zijn even artificieel. En elke verwijzing naar de realiteit is slechts gebaseerd op een visuele overeenkomst. En dus in eerste instantie vaag, vals en vertekend. 'Schijn is mijn levensthema', schreef de schilder op 20 november 1989 in zijn dagboek. 'De schilder ziet de schijn der dingen en herhaalt deze, dat wil zeggen, zonder de dingen zelf neer te zetten.'

Het hele idee dat de kunst een gebeurtenis werkelijkheidsgetrouw kan afbeelden - waardoor het ook nog eens een aardige portie waarheidsgehalte verkrijgt - is bij Richter passé. Richter wil de link met de buitenwereld niet leggen. Maar hij zou het wel kunnen: zijn schildertechniek is zo perfect dat hij alles zou kunnen naschilderen, zonder problemen.

Maar wie alles wil schilderen, schildert eigenlijk niets - thematisch gezien. Richter is allergisch voor inhoud, voor betekenissen, meningen, bedoelingen. Of om het breder te zeggen: hij moet niets hebben van ideologieën. Van geen enkele ideologie - 'ze zijn overbodig en levensgevaarlijk'. Na de grote mislukkingen van deze eeuw, de opkomst en ineenstorting van het nazisme, het Vietnam-debacle en de ondergang van de communistische heilstaat gelooft hij er niet meer in.

Het zal wel te maken hebben met zijn afkomst: geboren en opgegroeid in Dresden, voormalig Oost-Duitsland. Daar begon hij als reclameschilder, volgde er de kunstacademie en vandaaruit reisde hij in 1959 naar de tweede Documenta-tentoonstelling in Kassel, waar hij onder de indruk raakte van de abstracte schilderijen van Pollock en Fontana.

Het opende zijn ogen. Reden waarom hij in 1961, op 29-jarige leeftijd, naar Düsseldorf vluchtte, een paar maanden voordat de Muur werd gebouwd. Als student aan de Düsseldorfse academie richtte hij met Sigmar Polke (ook uit de DDR gevlucht) en de latere galeriehouder Konrad Lueg de stroming van het Kapitalisch Realisme op, een Duitse variant van de Engelse en Amerikaanse pop art. Maar ook een hilarisch commentaar op het socialistisch realisme in de Oost-Europese en Russische kunst, dat Richter en Polke voor hun vlucht naar het westen aan den lijve hadden ondervonden.

Die afkeer van ideologieën komt het meest pregnant naar voren in de vijftien schilderijen die Richter maakte van de Rote Armee Fraktion, in 1988. Directe aanleiding voor de serie was de onduidelijke dood van de RAF-leden Jan-Carl Raspe, Andreas Baader en Gundrun Ensslin in de Stammheim gevangenis in Stuttgart. Op 18 oktober 1977 werden Baader en Raspe in een cel gevonden met een schotwond in het hoofd; Ennslin opgehangen aan een van de tralies.

Richter schilderde hun levenloze lichamen, aangevuld met details uit hun gevangeniscellen, een jeugdportret van (de al eerder omgekomen) Ulrike Meinhof, portretten van een nog levende Ensslin en een schilderij van de begrafenis, op grond van zwart-witfoto's die hij had gekregen uit het politiearchief.

De eerste presentatie van schilderijenserie leidde tot een grote controverse, met als belangrijkste verwijt aan Richter dat hij zich opstelde als een RAF-sympathisant. En dat terwijl hij, hoezeer ook gefascineerd door het fanatisme van de Baader Meinhof-groep, alleen maar wilde laten zien waartoe alle ideologieën uiteindelijk leiden: de dood.

De argwaan van Richter voor ideologieën geldt ook voor alle beeldende ideologieën. Door in zoveel mogelijk verschillende stijlen te schilderen, lijkt hij te willen zeggen dat stijl geen noodzakelijke oorsprong heeft. Geen genealogie. Stijlen zijn er gewoon en ze kunnen op elk moment gebruikt worden, losgekoppeld van hun ontstaansgeschiedenis.

In een inmiddels legendarisch geworden interview met de criticus Benjamin Buchloh werd dat duidelijk. Terwijl Buchloh Richter erop probeert te wijzen dat de kunst, via Cézanne, Picasso, Mondriaan, Pollock en Marden, er haast een eeuw over heeft gedaan om abstract te worden, antwoordt Richter dat die opvatting hem 'volkomen vreemd' is.

De klassieke indeling van stijlen zegt hem niets (net zo min als het onderscheid tussen fotografie en schilderkunst). En dat is strijdig met de kunsthistorische praktijk. Want die is er in toch in eerste instantie op gericht een lineaire ontwikkeling te laten zien. Een ontwikkeling die bovendien in de diepste zin Hegeliaans van opzet is: van materie tot geest, van ambacht tot kunstenaarschap, van collectief tot individualisme.

Om daartoe te geraken hebben kunsthistorici keuzes en modellen gemaakt, op grond van wat in die historische ontwikkeling relevant was - met uitsluiting van die kunstenaars en stromingen die er niet in pasten. Met als uiteindelijk resultaat een overzicht van Renaissance, via maniërisme, barok, classicisme, naar de negentiende eeuw. Met zijn steeds groter wordende omloopsnelheid van stromingen, bewegingen en stijlen: realisme, impressionisme, post-impressionisme en neoclassicisme. Om maar te zwijgen over wat er in de twintigste eeuw heeft plaatsgevonden. De ontwikkeling is de afgelopen vijftig jaar zo snel gegaan, met zo'n acceleratie van over elkaar tuimelende stromingen, dat de geschiedenis zichzelf begon in te halen en in zijn eigen staart beet.

Het oeuvre van Richter is het levende bewijs van hoe die geschiedenis als een harmonica in elkaar is gegeschoven. Om uiteindelijk tot een kritisch punt te komen waardoor van een ontwikkeling helemaal geen sprake meer is. Richter is in wezen anti-Hegeliaans. Anti-historisch. Hij keert zich tegen het vooruitgangsdenken en omarmt het idee van de gelijktijdigheid. Reden waarom hij zichzelf 'extreem conservatief' noemt en kiest voor de meest 'bourgeois' kunstvorm: de schilderkunst.

De man heeft in zijn leven, als een spons, zoveel verschillende richtingen en opvattingen opgezogen, dat je haast aan zijn betrouwbaarheid gaat twijfelen. Want ook dat speelt op de achtergrond mee: de klassieke opvatting dat iedere kunstenaar er maar één stijl om na kan houden. Omdat stijl en persoonlijkheid een onscheidbare siamese tweeling vormen.

Niet bij Richter dus. Als hij 's morgens zijn atelier binnenloopt en zijn pantoffels aantrekt, kan hij even goed besluiten een abstract als een realistisch schilderij te maken. Richter schildert zoals de meesten (in het Westen) tegenwoordig eten: de ene dag Indonesisch, de volgende dag Italiaans, Frans of bij McDonald's. Omdat de verschillende gerechten uit de wereldkeuken gewoon voor handen zijn, en de ingrediënten ervoor bij elke supermarkt en kruidenier eenvoudig in de schappen liggen. Ingrediënten waaruit Richter als meesterkok de meest wonderlijke en sublieme maaltijden bereidt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden