Gered van de fatale erosie

Ze verpulverde, verbrokkelde en dreigde in schoonheid te sterven. Maar de Sint Jan, pronkstuk van de gotiek, is in haar oude luister hersteld.

Door Raoul du Pré

Langdurig monnikenwerk zit er bijna op.

Twaalf jaar lang al staat ze in de steigers. Twaalf jaar lang zijn al haar stenen stuk voor stuk van nabij bekeken, betast, beoordeeld, gedemonteerd, gerestaureerd of vervangen. Twaalf jaar lang ging elk beeld, elke waterspuwer, elke pinakel, elke balustrade door de handen van de steenhouwers. Twaalf jaar lang stonden hoog boven de Bossche binnenstad elke dag twintig tot dertig man aan haar te bikken, te slijpen en te zagen. En nu, na al die jaren, is zowaar bijna het moment gekomen dat kerkmeester Herman Lerou het hardop durft te zeggen: ‘Steigers weg! De Sint Jan is bijna klaar. Ze kan er weer vijftig jaar tegenaan.’

Als die steigers straks echt neergaan, in september, zal Lerou (1942) een trots man zijn. Want dan weet hij, als opdrachtgever namens het kerkbestuur, dat 2010 in de annalen van de kathedraal met hoofdletters zal worden geschreven als het eindpunt van de voortdurende oplapoperatie die goedbeschouwd al in 1858 begon. Het eindpunt ook van een project dat uitgroeide tot een van de imposantste restauraties in de Nederlandse geschiedenis.

Maar nu maakt Lerou nog even van de steigers gebruik om de buitenwereld van dichtbij te laten zien wat een monnikenwerk het restauratieteam onder leiding van architect Frans Sturm sinds 1998 heeft verricht om de kathedraal in haar oude luister te herstellen. Hij staat er soms zelf nog van te kijken: ‘Toen ik begon had ik geen idee wat me te wachten stond.’

Wat het kerkbestuur wél wist, was dat er iets moest gebeuren. Want het bouwwerk, waarvan de eerste steen rond 1370 werd gelegd, dreigde langzaam maar zeker aan erosie ten onder te gaan. Op foto’s uit de vorige eeuw is dat goed te zien: de Sint Jan oogt er als een immense wegsmeltende druipkaars. Lerou: ‘Laten we haar in schoonheid sterven of gaan we er iets aan doen? Dat was al decennia de vraag.’

Halverwege de jaren tachtig werd de situatie ronduit gevaarlijk. De kathedraal begon letterlijk af te brokkelen: hele ornamenten, handen en hoofden van beelden verpulverden, braken af en kwamen naar beneden rollen. Een fikse herfststorm werd een levensgroot gevaar.

De oorzaak: om te beginnen het klimaat. Nederland blijkt een slecht land voor een kathedraal van dit kaliber. De gestage afwisseling van zon, neerslag, vorst en dooi vragen het uiterste van de natuursteen. Daarnaast waren er constructieproblemen. Niet de oorspronkelijke bouwers maar de restaurateurs in later jaren gingen, ongewild, in de fout. Uit onderzoek is gebleken dat opeenvolgende generaties bij het herstelwerk 35 verschillende soorten natuursteen verwerkten. Het oorspronkelijke materiaal was niet meer voorhanden of werd niet meer geschikt bevonden.

En zo verschenen, vooral vanaf 1859, bedenkelijke soorten tufsteen aan de gevels: prima van kleur en heel goed bruikbaar voor het verfijnde beeldhouw- en profielwerk. Maar ook binnen enkele decennia al onderhevig aan ernstige slijtage en afbrokkelende korsten. Dat veel stukken aan elkaar werden bevestigd met ijzeren pennen hielp ook niet mee: ijzer roest, zet uit en drukt de stenen van binnen uit elkaar. Na de Eerste Wereldoorlog maakte ook nog de Duitse Ettringer-tufsteen zijn opwachting en toen ging het echt mis. Deze vulkanische stenen zijn uiterst poreus, waardoor water binnendringt als in een spons. De schade van vorst aan zulke stenen is niet te overzien.

Net toen de noodzaak tot redding voor iedereen evident was, had de Sint Jan mazzel: het tweede paarse kabinet had honderden miljoenen guldens over en besloot de mensheid wat na te laten als herinnering aan de voorspoed van die dagen. De Sint Jan werd een van de uitverkoren ‘kanjermonumenten’ die meer zou krijgen dan gewoon weer een opknapbeurt met de moed der wanhoop.

En méér is het geworden. Wie met Herman Lerou over de steigers van het noordertransept loopt, duizelt het bij de gedachte aan het werk dat is verricht. Aan deze zijde, waar de nood het hoogst was, is de Sint Jan steen voor steen afgepeld en minutieus weer in elkaar gezet. Als een legokasteel. Letterlijk elk gevelelement is van z’n plaats geweest. ‘Alles wat niet nog minstens 50 jaar mee zou kunnen, moest vervangen of gerestaureerd – dat was het uitgangspunt. Lerou: ‘De stenen werden losgezaagd, met heel fijne steenzaagjes, of losgeweekt met een welpasta. Elk exemplaar werd genummerd, gefotografeerd en met z’n exacte locatie op onze website gezet. Iedereen die iets met de restauratie te doen had, wist op elk moment precies waar welk blok was, wat er mee moest gebeuren en waar het daarna heen moest.’

De stenen gingen onder de beitel of werden exact gekopieerd in steenhouwateliers. Het verfijnde werk aan de ornamenten en de gevelbeelden was in handen van beeldhouwer Ton Mooy. In zijn atelier werden de zwaar verweerde beelden opgekalefaterd of helemaal opnieuw gehakt uit duurzame Britse Portlandstone. Exacte kopieën waren vaak niet meer mogelijk: Mooy greep voor zijn ontwerpen terug op bewaarde fragmenten uit vroeger tijden en op de iconografie van historische figuren zoals hertogen, koningen en keizers.

Beneden, aan de voet van het noordertransept, staan de laatste beelden inmiddels te wachten om terug naar hun plaats te worden gehesen. Zij krijgen straks, bij de officiële oplevering eind dit jaar, gezelschap van één gebeeldhouwde engel die als een icoon van onze tijd zal worden vormgegeven – een herinnering aan de restauratie van 2010. En onze verre nazaten zullen nóg iets van ons horen: de restauratieploeg heeft ergens in de gevel een fles nagelaten met daarin een antwoord aan de schrijvers van de flessenpost die in 2005 werd gevonden achter een van de gevelbeelden.

Het bleek een echo uit de oorlog, toen de kathedraal ook al in de steigers stond: ‘Op den 12 november 1940 hebben Aloisius Johannes Baert en Franciscus Herst, steenhouwers aan de restauratie van de St.Janskerk, terwijl de Duitsche bommenwerpers over onze stad vlogen en duizende menschen door het oorlogsgeweld sterven moesten, deze flesch hier in gemetseld. Dengene die deze flesch vind wenschen wij een gelukkig leven. En we hopen dat het leven dan beter mag zijn dan nu. HOU DOE WOR.’

Lerou hoopt dat ons antwoord, uit onze tijd, voorlopig niet wordt gevonden. Het is wel even mooi geweest met die eeuwige restauraties, al zal de Sint Jan nooit onderhoudsvrij zijn. Maar toch. ‘Al was het maar voor één jaar. Stel je voor: één jaar geen steigers tegen de Sint Jan! Dat zou een prachtig cadeau zijn voor de stad.’

null Beeld
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden