Gered door de kogel

Over John F. Kennedy zijn veertigduizend boeken geschreven. Rond zijn vijftigste sterfdag pogen nieuwe auteurs niettemin het beeld weer bij te stellen - naar gitzwart dan wel gunstig. Een van die biografieën is de beste tot nog toe.

BERT LANTING

Een half jaar voor de noodlottige dag in Dallas hoorde president John F. Kennedy dat David Herbert Donald, een groot Lincoln-kenner, Washington zou aandoen voor een lezing. Kennedy nodigde hem meteen uit in het Witte Huis om een voordracht te houden over wat iemand tot een groot president maakt. Zou Lincoln evengoed de geschiedenis zijn ingegaan als een groot president als hij niet vermoord was?

Donald beaamde dat Lincoln het 'geluk' had dat hij op het hoogtepunt van zijn roem was gestorven.

De episode uit het boek De laatste honderd dagen van JFK van Thurston Clarke illustreert hoe geobsedeerd Kennedy was met het beeld dat hij zou nalaten. Bijna iedere Amerikaanse president maakt zich daarover zorgen, maar Kennedy spande de kroon. Al lang voor hij in het Witte Huis terechtkwam, verslond hij de ene na de andere biografie van politici die hij bewonderde.

Op het eerste gezicht heeft het geholpen. Als Amerikanen gevraagd wordt wie zij als de grootste Amerikaanse presidenten beschouwen, eindigt JFK steevast ergens in de top van lijst. Maar historici en politicologen vellen een minder gunstig oordeel over hem. Begin deze eeuw werd een groep van 78 vooraanstaande Amerikaanse staatsrechtgeleerden, politicologen en historici naar hun mening over Kennedy gevraagd: JFK eindigde maar net boven de middenmoot.

Toch is vijftig jaar na de moord op Kennedy, op 22 november 1963, de fascinatie met JFK nog steeds niet geweken. Een slordige veertigduizend boeken zijn over hem geschreven en ter gelegenheid van zijn vijftigste sterfdag is er een nieuwe golf binnengespoeld.

Het is alsof Lee Harvey Oswald de tijd heeft stilgezet, toen hij in Dallas de fatale schoten loste. Het beeld is blijven staan: de brede grijns, Jackie in haar modieuze kleren, het onschuldige gezin, de belofte van een betere toekomst.

Kennedy werkte zorgvuldig aan zijn imago: hij wisselde soms wel vier keer per dag van pak en droeg nooit een portemonnee in zijn broekzak. Dat stond onelegant. De rest deed Jackie, zoals hij zelf erkende tijdens een bezoek aan Frankrijk: 'Ik ben de man die Jacqueline Kennedy vergezelde naar Parijs en ik heb ervan genoten.'

Het is een wonder dat het idyllische beeld van Camelot, zoals Jackie het Witte Huis onder Kennedy afschilderde, stand heeft weten te houden in de stroom van onthullingen over Kennedy's onverzadigbare honger naar seks. Vijfendertig jaar later werd een andere president bijna uit het Witte Huis verjaagd wegens een stiekeme affaire met een stagiaire, maar JFK overleefde al zijn affaires, ook al wisten het Witte Huis-personeel en de geheime dienst ervan. Tegenover de Britse premier Harold Macmillan klaagde hij zelfs openlijk dat hij 'vreselijke hoofdpijn' kreeg als hij een paar dagen geen seks had gehad.

Waarschijnlijk heeft zijn gewelddadige dood hem postuum onkwetsbaar gemaakt. Uiteindelijk stierf hij als een martelaar, al werd hij het slachtoffer van een loser: Oswald, een man wiens leven mislukt was en die uiteindelijk besloot zijn naam te vestigen door een 'grootse daad' te verrichten.

De blijvende fascinatie met JFK heeft er ook mee te maken dat zijn dood door velen nog steeds als een onopgeloste moordzaak wordt gezien. De commissie-Warren concludeerde in 1964 dat Oswald op zijn eentje had geopereerd, maar dat lijken nog maar weinig mensen te geloven.

Daarbij speelt mee dat het voor de meeste mensen uiterst onbevredigend is dat zo'n mislukkeling als Oswald een dramatische draai aan de geschiedenis heeft kunnen geven, zoals de historicus Robert Dallek slim opmerkt in zijn An Unfinished Life - John F. Kennedy 1917-1963. Het onderzoek van de commissie-Warren heeft ook zo veel vragen opengelaten dat het bijna onvermijdelijk was dat het oplossen van de moord op Kennedy een massaal gezelschapsspel zou worden.

Er zijn duizenden boeken over wat zich die 22ste november precies op Dealy Plaza heeft afgespeeld en de enige theorie die niet is onderzocht is waarschijnlijk dat Oswald uit noodweer handelde. Moskou, de Cubaanse leider Fidel Castro of juist Cubaanse ballingen, de maffia, de FBI, de CIA, zelfs zijn opvolger, Lyndon B. Johnson - allemaal zouden ze achter de moord op Kennedy hebben gezeten. Een overtuigend bewijs heeft geen van de boeken ooit kunnen leveren.

Ook de nieuwste studie over het werk van de commissie-Warren - Anatomie van een aanslag - De definitieve geschiedenis van het onderzoek naar de moord op John F. Kennedy' van Philip Shenon - geeft geen antwoord op de vraag wie er achter de moord zat. Shenon komt wel tot de conclusie dat de CIA achteraf heeft verdoezeld hoeveel ze wist van de contacten die Oswald in Mexico-City met sympathisanten van Castro had gehad.

De meeste Kennedy-biografen zijn het erover eens dat de Cubacrisis Kennedy's finest hour was. Ondanks de adviezen van zijn oorlogszuchtige generaals hield hij zijn rug recht. Hij koos voor een aanpak die de deur openliet voor een compromis met Moskou en wist daarmee een kernoorlog te vermijden. Maar de rest van zijn politieke erfenis stond bij zijn dood nog maar in de grondverf.

De belangrijkste wet van de jaren zestig, de Civil Rights Act, die een einde maakte aan de rassenscheiding in de Verenigde Staten, was het werk van zijn opvolger, president Johnson. In het boek Profiles in Courage, waarvoor Kennedy de Pulitzerprijs kreeg, had hij ooit nog politici bezongen die hun politieke carrière op het spel hadden gezet voor hun morele overtuigingen. De meeste historici zijn het erover eens dat het Kennedy zelf aan die politieke moed ontbrak.

Aanvankelijk bleef hij zorgvuldig uit de buurt van zwarte burgerrechtenactivisten uit vrees dat hij de steun van de zuidelijke Democraten zou verliezen voor zijn kandidatuur voor het Witte Huis. Pas toen de Texaan Johnson ook een gooi naar het Witte Huis besloot te doen, gooide Kennedy het roer om en besloot hij zijn hengel uit te werpen in de vijver van het progressievere electoraat.

Hij bleef zo voorzichtig dat een medewerker volgens de historicus Michael Beschloss klaagde: 'Het probleem met die mooie, gepassioneerde Kennedy's van jou is dat ze nooit hun passie laten zien.'

De Freedom Riders die naar het Zuiden gingen om voor de rechten van de zwarten op te komen en daar door Ku Klux Klan-aanhangers en de politie werden afgerost, vond Kennedy vaak ook maar een 'pain in the ass'.

Uiteindelijk was het niet zozeer uit morele overtuiging als wel uit angst dat de zwarten voor geweld zouden kiezen, dat hij zijn politieke gewicht achter de Civil Rights Act zette. Het klinkt wrang, maar misschien was zijn dood wel zijn grootste bijdrage aan de strijd tegen de rassenscheiding: sommige aarzelende Congresleden stemden uit respect voor de vermoorde president voor de historische wet.

DRIE ESSENTIËLE KENNEDY-BOEKEN

Seymour Hersh: The Dark Side of Camelot (Back Bay Books; 1997)

De titel zegt het al: dit boek van de befaamde onderzoeksjournalist Seymour Hersh gaat vooral over de minder fraaie achterkant van Camelot, het hof van JFK.

Hersh, die naam maakte met zijn onthullingen over het bloedbad in My Lai tijdens de oorlog in Vietnam, laat in dit boek weinig heel van het romantische beeld van JFK dat de familie Kennedy in stand probeerde te houden.

De president wordt afgeschilderd als een roekeloze seksmaniak, die zijn medewerkers een eindeloze stroom dames liet aanvoeren om aan zijn behoeften te voldoen. De publicatie van Hersh' boek lokte een storm van verontwaardigde reacties uit. Achteraf blijkt dat Hersh er wat de seksuele escapades van JFK betreft niet ver naast zat.

Hoe roekeloos JFK te werk ging, blijkt wel uit zijn relatie met Ellen Rometsch, een 29-jarige Duitse. Toen FBI-directeur J. Edgar Hoover zijn broer Robert Kennedy, destijds minister van Justitie, waarschuwde dat zij mogelijk voor de Oost-Duitse geheime dienst werkte, zorgde deze ervoor dat zij met stille trom op het vliegtuig naar huis werd gezet.

Het beeld dat Hersh schildert van de president is pikzwart. Kennedy dankte zijn verkiezingszege aan een deal met de maffia-baas Sam Ganciana uit Chicago; hij lokte de Cubacrisis uit met zijn eeuwige plannen om Fidel Castro uit de weg te ruimen; en hij was er alleen maar op uit politieke munt te slaan uit de krachtmeting met de Sovjet-Unie. Alles bij elkaar genomen komt Hersh tot de conclusie dat de zo bejubelde John F. Kennedy eigenlijk een grotere bedrieger was dan Richard Nixon, de man die door het Watergateschandaal gedwongen werd het Witte Huis te verlaten.

Robert Dallek: John F. Kennedy 1917-1963 - An Unfinished Life (Back Bay Books; 2003).

Een pil van 850 pagina's, maar tot nog toe de beste biografie van Kennedy. De historicus Dallek kreeg als eerste inzage in de medische dossiers van de vermoorde president. Achter het gebronsde uiterlijk van Kennedy ging een lichaam schuil dat gesloopt werd door allerlei aandoeningen. De lijst van medicijnen die de president kreeg toegediend om hem overeind te houden is duizelingwekkend. Een kandidaat met zoveel gezondheidsproblemen zou nu waarschijnlijk nooit het Witte Huis halen. Destijds hield Kennedy's entourage zijn gezondheidsproblemen zorgvuldig geheim. Toch ziet Dallek Kennedy's kwalen vooral als een bewijs van diens enorme wilskracht.

Dallek besteedt ruim aandacht aan JFK's relatie met zijn ambitieuze vader Joseph Kennedy, die hem de politiek in duwde nadat zijn oudste zoon Joe was omgekomen. 'Ik ben hier alleen om Joe's schoenen te vullen', klaagde JFK tegen vrienden toen hij in 1946 campagne voerde voor het Congres. 'Als hij nog leefde zou ik hier nooit aan mee hebben gedaan.'

Kennedy's zwakke kanten komen ruim aan bod - zijn rokkenjagerij, maar ook zijn foute beslissingen zoals de rampzalig verlopen Varkensbaai-operatie en zijn pogingen om de Cubaanse leider Fidel Castro uit de weg te laten ruimen. Veel belangrijker vindt Dallek het optreden van Kennedy tijdens de Cubacrisis, toen hij de oproepen van zijn generaals om Cuba te bombarderen weerstond en daarmee waarschijnlijk de wereld van een atoomoorlog redde.

Het relaas over de aarzelingen die Kennedy's adviseurs hadden over diens bezoek aan Dallas is bekend. Toch lopen je de rillingen over het lijf als je weer leest over de advertentie die de rechtse John Birch Society bij wijze van welkom in een Texaanse krant had geplaatst. Kennedy werd daarin afgeschilderd als een communistenvriend die rechtgeaarde Amerikanen liet vervolgen.

'We gaan vandaag naar halvegarenland', concludeerde Kennedy tegenover Jackie. 'Maar als iemand me vanuit een raam met een geweer wil neerknallen, kan niemand hem toch tegenhouden, dus waarom zou je je daar zorgen over maken?'

Thurston Clarke: De laatste honderd dagen van JFK (2013).

Uit het Engels vertaald door Frits van der Waa.

De Bezige Bij, 400 pagina's; euro 29,90.

Hoe moeilijk Kennedy te vangen is, illustreert Thurston Clarke meteen aan het begin zijn boek, aan de hand van een anekdote over de Amerikaanse schilderes Elaine De Kooning (ja, de vrouw van). Zij stond bekend als de snelst werkende kunstenares van de Oostkust en had daarom de opdracht gekregen een portret van de ongeduldige president te maken. Haar onderwerp liet zich tijdens het poseren van zo veel kanten zien - inclusief zijn uitdagende kruis - dat ze vier dagen nodig had. Maanden later lag haar atelier bezaaid met schetsen en stonden er 38 portretten langs de muren. Het lukte haar maar niet het wezen van deze raadselachtige figuur te pakken te krijgen.

In dit boek volgt Clarke Kennedy op de voet terwijl hij onderweg is naar die fatale dag in Dallas. De schrijver spaart Kennedy niet. Zijn beschrijving van hoe opdringerig Kennedy wordt als hij bezoek krijgt van een jonge historica, doet wel erg sterk denken aan het gedrag van de Franse politicus Dominique Strauss-Kahn. Ook Kennedy vond eigenlijk dat grote staatslieden recht hadden op dergelijke veroveringen.

Uiteindelijk is het beeld dat Clarke van de president geeft heel gunstig. Zijn betoog komt erop neer dat Kennedy in de laatste maanden van zijn leven druk bezig was zichzelf opnieuw uit te vinden. Als Oswald geen einde aan zijn leven had gemaakt, zou hij de geschiedenis in zijn gegaan als een groot president, die de Civil Rights Act erdoor had gejaagd en - anders dan zijn opvolger Johnson - de VS uit het moeras van Vietnam had gehouden.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden