Gerdi Verbeet is sinds 2015 voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Tussen 2006 en 2012 was ze voorzitter van de Tweede Kamer

InterviewVoorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei

Gerdi Verbeet: ‘De oorlog is een beeldhouwwerk met wisselende perspectieven’

Gerdi Verbeet is sinds 2015 voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Tussen 2006 en 2012 was ze voorzitter van de Tweede KamerBeeld Wouter le Duc/Lumen

In elke levensfase had de Duitse bezetting een andere betekenis voor Gerdi Verbeet, voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Maar wat altijd bleef: ‘Het gevoel dat je bij de Dodenherdenking onderdeel bent van iets groters.’

Net als voor de meeste Nederlanders in het coronajaar 2020, was de Nationale Dodenherdenking voor Gerdi Verbeet (1951) ooit een huiselijke aangelegenheid. In haar kinderjaren verliep het ritueel van 4 mei als volgt: haar vader, leraar op een basisschool, zette haar tegen acht uur ’s avonds op de vensterbank van haar ouderlijk huis in Amsterdam-West. Vanaf deze standplaats zag zij dat de straatverlichting aanging, en na een of twee minuten stilte weer werd uitgezet. ‘Mijn vader werd ontzettend chagrijnig als iemand tijdens die gewijde stilte door de straat fietste. Als kind ervoer je de zwaarte van het moment. Je was deelgenoot van de ernst en de bewogenheid van je ouders. Je voelde je serieus genomen door de volwassenen.’

Herdenken en vieren: ook dat kan best thuis
‘Mensen die het écht kunnen’, mogen dit jaar op 4 mei in hun eigen tuin de taptoe blazen. En we kunnen virtueel bloemen leggen bij een oorlogsmonument.

Aan de oorlog werd zeer geregeld gerefereerd, maar er werd maar zelden over gesproken, zegt Verbeet, voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. ‘Voor de volwassenen was de oorlog nog te aanwezig om erover te praten. Je kreeg er als kind flarden van mee, maar eigenlijk werd ons niets over de oorlog verteld. De oorlog was een compilatie van persoonlijke herinneringen. Die waren nog niet tot geschiedenis gestold. Het verleden was nog zo nabij. De laatste levensmiddelen waren pas net ‘van de bon’, zoals het heette: ze waren weer vrij verkrijgbaar. De stad lag er nog haveloos bij. De soepkar kwam nog in de straat: een houten kar met een grote pan soep erop. Voor een schappelijk bedrag kon je soep in je eigen pannetje laten scheppen.’

De oorlog was nog actueel in die zin dat Verbeet ‘van bijna iedereen in Amsterdam wist of-ie goed of fout was geweest’. Die kwalificaties nam zij over van haar vader. ‘Of het nu ging om leraren op mijn school of om winkeliers in de stad: van allen wist hij of ze zuiver op de graat waren geweest. Bij foute winkeliers deden we geen boodschappen. Geen denken aan. Maar kinderen van foute ouders werd niets nagedragen. Met hen mocht ik wel spelen, zij het niet bij hen thuis.’

‘Verraders’: zo werden destijds de mensen genoemd die aan de verkeerde kant van de geschiedenis hadden gestaan. En verraders waren lang niet altijd als zodanig herkenbaar, maakte Verbeet op uit een oorlogsanekdote van haar tante Ton. Die bood familie, vrienden en kennissen gelegenheid om bij haar naar Radio Oranje te luisteren – de illegale ‘stem van strijdend Nederland’. ‘Tijdens een van die bijeenkomsten ging ze koffie zetten, of iets wat daarvoor doorging. Op weg naar de keuken stootte ze in het smalle gangetje een jas van de kapstok. Ze raapte de jas op en zag aan de binnenkant van de revers een NSB-speldje. Een van de aanwezigen was dus fout. Het voorval had verder geen ernstige consequenties, maar voor de betrokkenen was wel duidelijk: verraders kunnen zich in ons midden bevinden.’

Ontgoocheling

Voor haar vader, een in 1916 geboren sociaal-democraat van de oude stempel, had de oorlog ook levensbeschouwelijke consequenties. ‘Anders dan mijn katholieke moeder, die zich pas na de oorlog tot de sociaal-democratie bekende, droeg mijn vader de ballast met zich mee van het gebroken geweertje (het symbool waarmee, overwegend, linkse mensen tussen beide wereldoorlogen ageerden tegen de bewapening, red.). Voor hem was het een enorme ontgoocheling dat arbeiders in de oorlogvoerende landen tegen elkaar ten strijde waren getrokken. Hij had, de Eerste Wereldoorlog ten spijt, altijd het geloof gekoesterd dat het proletariaat de vrede zou kunnen waarborgen.’

De Tweede Wereldoorlog beroofde hem van dat geloof. ‘Hij heeft altijd spijt gehad van de slechte staat waarin het Nederlandse leger in 1940 verkeerde. En van zijn eigen naïviteit. Hij zwoer zijn pacifisme dus af, en werd een trouw atlanticus.’ Dit bracht met zich mee dat hij na de oorlog, als dienstplichtig militair, geen bezwaar maakte tegen zijn uitzending naar Indonesië. ‘Hij was daarnaartoe gegaan met de illusie dat hij mensen zou bevrijden. Toen mijn broer Martin en ik hem daar later kritische vragen over gingen stellen – wij vonden natuurlijk dat hij had moeten weigeren – benadrukte hij dat hij foerier was geweest, en dus niet rechtstreeks bij krijgshandelingen was betrokken.

‘Daarmee heeft hij zijn onbehagen echter niet kunnen wegnemen. Eind jaren zestig, na de eerste onthullingen over oorlogsmisdrijven, heeft hij zijn Indiëspeldje (de decoratie voor militairen die in de dekolonisatieoorlog hebben gevochten, red.) afgelegd. Maar daar kreeg hij ook weer spijt van, dus na een tijdje heeft hij het speldje weer opgedaan. Hij wilde niet duiken. Hij wilde zijn kameraden niet afvallen.’

Voor het overige liet vader Verbeet weinig twijfel bij zichzelf toe. ‘Op de lagere school mocht ik geen klaar-over zijn, want daarmee zou ik betaalde arbeid verdringen. Evenmin mocht ik kinderpostzegels verkopen, want dat was charitas. En charitas zou tot de kerntaken van de overheid moeten behoren.’ Alles in haar ouderlijk huis ademde dienstbaarheid aan hogere idealen. Dit sloot alle vormen van frivoliteit uit: parfum, modieuze kleren, stripboeken, de boeketreeks of de avonturen van meisjesboekenschrijver Leni Saris.

Met deze wereldlijke genoegens maakte Verbeet pas kennis nadat Johanna Blanes in haar leven was gekomen: een immer opgewekte vrouw die een benedenwoning voor het gezin in Slotervaart had georganiseerd nadat vader Verbeet door een hersenbloeding was getroffen. ‘Zij, tante Johanna, was de zon in mijn jeugd. Als haar dochter een jurkje kreeg, dan maakte ze er ook een voor mij. En van háár kreeg ik lakschoenen met bijpassend ceintuur – dingen die we nu niet meer mooi hoeven te vinden. En bij haar mocht ik de boekjes lezen die bij mij thuis taboe waren.’

Politieke bewustwording

Tante Johanna en haar man Gaby waren ‘Joodse mensen’. En van ‘Joodse mensen’ had Verbeet, dochter van bewust levende sociaal-democraten, tot op dat moment nog nooit gehoord. Ook niet in verband met de Duitse bezetting. Pas op de middelbare school, het Cartesius Lyceum, werd haar duidelijk dat ‘Jodenvervolging’ een eufemisme was voor volkerenmoord op ongekende schaal. ‘Tegen die achtergrond maakte de opgewektheid van tante Johanna een nog grotere indruk op mij. Haar eigen familie is weliswaar redelijk gespaard gebleven – zijzelf overleefde de oorlog in de onderduik – maar van de familie van haar man was vrijwel niemand teruggekomen, zoals het destijds werd uitgedrukt. De mensen waren niet vermoord, nee, ze waren niet teruggekomen.’

Gerdi Verbeet keek met haar ouders op hun eerste televisie naar de Nationale Dodenherdenking op de Waalsdorpervlakte: mannen in overalls bij een klok met een donkere klank, en nabestaanden van slachtoffers die zwijgend langs de voormalige executieplaats trokken. Ze keken naar De bezetting, de van 1960 tot ’65 uitgezonden televisieserie van dr. Loe de Jong. Verbeet las Het achterhuis, het dagboek van Anne Frank. En met een Joodse vriend woonde zij de herdenking van de Februaristaking van 1941 bij de Dokwerker bij. ‘Dat was een onderdeel van mijn politieke bewustwording en de losmaking van mijn ouders, want voor hen was die herdenking vooral een aangelegenheid voor communisten. Zij hadden daar dus niets te zoeken.’

Later kwamen de vragen waarmee zij en haar even linkse broer hun ouders de maat namen. ‘Zo vroegen we onze moeder: ‘Heb jíj die ariërverklaring getekend?’ ‘Ja’, zei ze. ‘Die legde de pastoor gewoon ter ondertekening aan je voor.’ Hij zei: ‘Je bént toch niet Joods? Nou, dan kun je rustig tekenen.’ De vraag wat dit voor de Joden betekende, kwam niet aan de orde. Mijn broer en ik vonden dat onbegrijpelijk, want wij wisten natuurlijk alles het best. Wij waren streng in ons oordeel over de oudere generatie. Over keuzes die wij nooit hebben hoeven maken.’

Herdenking

‘Voor mij is de oorlog een soort beeldhouwwerk’, zegt Verbeet. ‘Je loopt eromheen, het perspectief verandert voortdurend, je kijkt er steeds op een andere manier naar, je ziet steeds nieuwe dingen. Als 10-jarige versta je iets anders onder vrijheid dan als je bijna 70 bent, zoals ik.’ Dit impliceert niet dat de manier van herdenken moet meeveranderen. ‘Als je de vorm al zou wíllen veranderen, zou dat heel geleidelijk moeten gebeuren. Na het overlijden van de laatste ooggetuigen blijft het gesprek over de oorlog gaande. Ook de mensen die na de oorlog zijn geboren, hebben een oorlogsverhaal. Zij zijn opgegroeid met ouders en grootouders die door de oorlog zijn getekend.

‘Natuurlijk is de Tweede Wereldoorlog een heel natuurlijke aanleiding voor een gesprek over oorlog en vrede in het algemeen. Over vrijheid en onvrijheid, en over de vier vrijheden van Franklin Delano Roosevelt. Maar op de Dam zullen we, ook in de toekomst, vooral de Tweede Wereldoorlog moeten blijven herdenken. Daarbij kunnen we niet volstaan met dankbaarheid voor onze vrijheid, maar zullen we strijdbaar moeten zijn. Want de democratie en de rechtsstaat zijn in grote delen van de wereld al lang niet meer vanzelfsprekend. Zelfs hier, in Nederland, is ‘democraat’ in sommige kringen een scheldwoord. De Utrechtse tramschutter creëerde een tegenstelling tussen moslims en democraten. Wat erg voor goedwillende moslims, om zo als antidemocraten te worden weggezet!’

De plechtigheid op de Dam wordt al in belangrijke mate gedragen door mensen die de oorlog niet hebben meegemaakt: in de filmpjes die tijdens de kranslegging worden getoond, vertellen kinderen en kleinkinderen de oorlogsverhalen van hun ouders of grootouders. ‘Het mooist vind ik dat mensen het logisch vinden wat er op de Dam gebeurt’, zegt Verbeet. ‘Dat zit ’m in de continuïteit van de enscenering. Die maakt de aanwezigen en de televisiekijkers deelgenoot van iets groters. Dat ontgaat zelfs kinderen niet. ‘Het hoeft van ons niet léúk te zijn’, zei een van hen in een enquête over de Nationale Dodenherdenking. Blijkbaar hebben kinderen het gevoel dat ik vroeger ook had als ik door mijn vader op 4 mei om acht uur ’s avonds op de vensterbank werd gezet.’

De kinderen hoeven niet eens een Nederlandse achtergrond te hebben om ontvankelijk te zijn voor het gevoel van 4 mei, denkt Verbeet. ‘Een meisje uit Afrika, ik meen Ghana, zei eens tegen me: ‘Maar mijn ouders wáren hier helemaal niet tijdens de oorlog.’ Ik zei: ‘Zal ik jou eens wat zeggen? Ik was er zelf ook niet.’ Daar keek ze van op, want in haar ogen ben ik natuurlijk al stokoud. ‘Maar mijn kleinkinderen krijgen dezelfde verhalen over de oorlog te horen als jij. Jullie zijn allemaal onderdeel van die geschiedenis.’ Gelukkig maar. Anders staan we straks met een handjevol mensen te kleumen op de Dam.’

Lees ook

Mijn Bevrijding
Nederland werd 75 jaar geleden bevrijd. Daarom presenteert de Volkskrant 75 verhalen over de mensen die erbij waren.

Nico moest met zijn klompen dreigen om de uitgehongerde stadsjongens van zich af te houden
De bevrijding van Zoeterwoude begon als een groot feest voor Nico van der Poel (86), totdat daar opeens een stel stadsjongens stond. ‘De Leidenaren waren pissig omdat wij nooit honger hadden gehad en zij wel.’

Merlyn en Peter overleefden als kleuters de onderduik, maar hun oorlog was nog lang niet voorbij
Als op 5 mei overal in Nederland de vlaggen uitgaan, zal het voor Peter Hein en Merlyn Frank opnieuw geen feest zijn. Als kleuters zaten ze ondergedoken, helemaal alleen. Die angstige tijd heeft de rest van hun leven getekend. ‘Ik ben veel te lang blijven zwijgen.’

Laten we juist dit jaar écht herdenken, zonder televisie
Nu we op 4 mei noodgedwongen thuisblijven, is dit hét moment om de twee minuten stilte wat bewuster te beleven, betoogt Maurits de Bruijn. Niet als toeschouwer, maar als actieve deelnemer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden