Gentleman werd geldwolf

'EEN HERENBANKIER in Londen is tegenwoordig even zeldzaam als een herenboer op het Engelse platteland. De dag in de City begint om zeven uur 's morgens in plaats van negen uur, 70 procent werkt meer dan zestig uur per week en een glas bronwater heeft de plaats ingenomen van de...

Dit schrijft Philip Augar in The Death of Gentlemanly Capitalism. Hij kan het weten, want hij werkte twintig jaar lang in de City, het financiële district van Londen. Toen hij in 1978 zijn carrière begon, was de City nog een domein van de Britse upper-class. In trui geklede bankiers waren ondenkbaar, iedereen droeg het traditionele krijtstreeppak. Er waren honderden verschillende financiële firma's: zakenbanken, beurscommissionairs en hoekmansbedrijven met strikt gescheiden taken. Ze kenden uitsluitend Britse (familie-)eigenaren en hadden ook vrijwel alleen Brits personeel in dienst.

De loyaliteit aan het bedrijf was groot. 'Het was financieel ook niet aantrekkelijk om een andere werkgever te zoeken. Door het hoge belastingtarief hield je van een salarisverhoging van tienduizend pond niet meer dan 1700 pond over', schrijft Augar.

Woorden als 'ontslag' en 'overtolligheid' bestonden niet. Deals en transacties konden nog mondeling worden bezegeld. De bazen kregen koffie en thee geserveerd door butlers met witte handschoenen en ontvingen hun klanten in kantoren met klassieke meesters aan de wand. Vrijdagmiddag toog iedereen vroegtijdig naar zijn buitenhuisje.

Tweeëntwintig jaar later wordt er vrijdagavond in de City overal nog gewerkt. De lange lunches zijn ingeruild voor een snelle sandwich. Het hoogste belastingtarief is gedaald tot 40 procent. De vele honderden verschillende firma's uit 1978 zijn nu opgegaan in enkele tientallen machtige combinaties met namen als Morgan Stanley Dean Witter, Goldman Sachs, Merrill Lynch, UBS Warburg, Citigroup SSSB, Deutsche Bank en Dresdner Kleinwort.

Hun belangrijkste overeenkomst is dat ze geen van alle meer Britse heren als eigenaar hebben. Loyaliteit bestaat niet meer. De auteur, die bij het sollicatiegesprek in 1978 slechts drie vragen hoefde te beantwoorden - universiteit? (Cambridge), contacten in de City? (geen), hobby's? (heel veel) - heeft in zijn uitputtende jacht op het grote geld een lange reeks van bazen versleten.

Twee jaar geleden besloot Augar zijn lucratieve baan - inkomen boven één miljoen pond per jaar - op te geven teneinde een boek te schrijven over zijn tumultueuze periode in de City en de ondergang van de Britse herenbankier. In de ruim twee decennia dat hij in de City actief was, werd driehonderd jaar Britse bankierstraditie weggevaagd. Het boek wil antwoord geven op de vraag waarom de Britse zakenbanken, ondanks het grote thuisvoordeel, de deregulatie en mondialisering van de financiële markten niet hebben kunnen overleven.

Tot nu toe werd algemeen aangenomen dat de Amerikanen na de Big Bang van 1986 - de grote hervorming van de Londense beurs waarbij de effectenhandel in een klap werd geautomatiseerd en geopend voor buitenlandse partijen - het heft in de City onmiddellijk in handen namen: ze kwamen, zagen en overwonnen. Maar Augar stelt - gebaseerd op vele jaren praktijkervaring en zorgvuldig onderzoek - dat dit niet het geval is. Het omslagpunt lag pas tien jaar later.

De auteur behandelt chronologisch en heel secuur de structuurverandering en machtsverschuiving in de City sinds het begin van de jaren tachtig. De start van de Amerikaanse zakenbanken in Londen verliep volgens hem aanvankelijk zeer moeizaam. 'Het waren de grote Britse banken als HSBC, Barclays en NatWest die het eerst op de Big Bang anticipeerden en op grote schaal commissionairs en hoekmansbedrijven opkochten.'

Zij waren ook het beste voorbereid op deze deregulatie, waarbij in een klap vaste tariefsstructuren werden afgeschaft en financiële instellingen zich op elkaars terrein mochten begeven. De Big Bang - 'het resultaat van de ideologische overtuiging van de regering-Thatcher en de angst van de Londense beurs in internationaal opzicht te worden overtroefd' - was al in 1983 aangekondigd.

Barclays kocht in de aanloop de beurscommissionair De Zoete & Bevan en het hoekmansbedrijf Wedd Durlacher, HSBC nam James Capel over en Midland deed hetzelfde met Simon Montagu. Naast de algemene banken voor wie de City een nieuw en braakliggend terrein was, versterkten ook de zakenbanken zich. Zo kocht Warburg de grote beurscommissionair Rowe & Pitman. Morgan Grenfell die begin 1970 nog tweehonderd werknemers telde, was aan de vooravond van de Big Bang uitgegroeid tot een kolos van tweeduizend werknemers en een balanstotaal van vier miljard pond.

'Het probleem was dat de Britse herenbankiers niet gewend waren om zulke grote geïntegreerde en gecompliceerde organisaties te leiden. Veel Britse managers hadden geen ervaring met de risico's van grote transacties als megafusies, blokhandel en miljardenemissies. Groepen mensen waren bij elkaar gezet zonder dat er echte teams werden gevormd', concludeert Augar.

De concurrentie was echter klein. Amerikaanse zakenbanken beschouwden Londen in 1983 nog als het Siberië van het 'zakenbankieren'. Ze opereerden terughoudend en aarzelend. Pas na het begin van de Big Bang tuigden ze hun vestigingen in de City op tot pan-Europese kantoren. Ze moesten daarvoor ook personeel hebben. Headhuntersbureaus - 'Je kent mij niet, maar. . .' - zorgden voor de eerste belangrijke cultuuromslag. De gentleman veranderde in een geldwolf.

'In het verleden zou niemand overstag zijn gegaan voor dergelijke aanbiedingen', betoogt Augar in zijn boek. 'Maar doordat de firma's grote vennootschappen waren geworden, veranderden ook de carrière-perspectieven. Het was in nieuwe organisaties niet langer meer mogelijk om partner te worden. Korte termijnbeloningen werden daardoor belangrijker dan lange termijnperspectieven.' De nieuwe status was geld. Een Britse commissionair die zich laatdunkend uitliet over de povere inrichting van een Amerikaanse zakenbank, werd van repliek gediend: 'Jullie werken in paleizen, wij leven erin.'

Maar in ruil voor de bonussen moest er ook harder worden gewerkt. De Amerikaanse zakenbankiers maakten veel meer uren. 'De eerste trein vanuit Haslemere in Surrey's brokerbelt vertrok om 7.15 uur naar Waterloo. Op dat moment waren de Amerikaanse bankiers al aan het werk. British Rail besloot daarop voor Britse bankiers een trein om 6.44 uur te laten rijden.'

Gebrek aan discipline en ervaring brak Morgan Grenfell als eerste op. Market-making (het zelf posities innemen op de beurs) kostte de bank door laksheid en onkunde scheppen met geld. Tot overmaat van ramp raakte de bank in een schandaal verzeild rond de overname van Guinness. In 1988 werd Morgan Grenfell overgenomen door Deutsche Bank. Dit werd op dat moment afgedaan als een incident. Niemand in Londen maakte zich nog ongerust: Amerikaanse banken als Chase Manhattan, SecPac en Citicorp., die na Big Bang in de City waren neergestreken, bliezen in Londen eveneens de aftocht. 'De Britten waren niet in staat om het verschil te onderkennen tussen potentiële verliezers en toekomstige winnaars. Ze staarden zich blind op de banken die de pijp aan Maarten gaven. Maar Amerikaanse zakenbanken als Morgan Stanley en Goldman Sachs waren er op dat moment al in geslaagd hun thuiscultuur naar Londen te verplaatsen en daar een gezonde zaak op te bouwen.'

Deze Amerikaanse banken voldeden aan de wensen van internationaal opererende beleggers en bedrijven: ze boden hun klanten mondiale ideeën, mondiale distributie en vooral een overvloed aan kapitaal. 'Bij zakenbankieren geldt de regel dat je alleen een markt kunt domineren die kleiner is dan jezelf. De Amerikanen hebben toevallig op Wall Street de grootste effectenmarkt ter wereld.'

Eind 1994 stonden Morgan Stanley en Goldman Sachs niettemin pas op de negende en tiende plaats op de Londense ranglijst. Precies op dat moment gooide Warburg - het vlaggenschip van de Britse zakenbankvloot - de handdoek in de ring. De bank had enorme verliezen geleden op de internationale obligatiemarkt en kwam na mislukte fusiegesprekken met Morgan Stanley in handen van een Zwitserse bank. Tegelijkertijd ging Barings bankroet doordat het hoofdkantoor in Londen geen controle had op de activiteiten van een handelaar in Singapore. Het Nederlandse ING raapte de brokstukken op.

Deze twee debacles leidden tot paniek bij banken als Barclays en Natwest die ineens schrokken van de grote risico's van de effectenmarkt en besloten hun zakenbank af te stoten, 'terwijl ze veel dichter bij het succes waren dan ze zelf dachten'. Nu opende ook de rest van het Amerikaanse en Europese bankwezen de jacht in Londen. Smith New Court, Kleinwort Benson, Schroders en Robert Fleming vielen in buitenlandse handen.

'Eind 1994 leken de Amerikaanse banken op de terugtocht, eind 2000 hadden ze de City in hun greep. Dat had te maken met talent en kapitaal, maar vooral ook met gebrek aan lef, management en ambitie bij hun Britse concurrenten', schrijft Augar. Hij vindt dat de City zich ook veel te gemakkelijk bij de uitverkoop van zijn banken heeft neergelegd in de overtuiging dat economisch nationalisme een achterhaald fenomeen is. 'Eigendom is wel degelijk belangrijk. Het geeft invloed. Op het hoofdkantoor voelt het altijd anders dan op een bijkantoor', aldus Augar, die vreest dat Londen in de toekomst als financieel centrum dezelfde bijrol zal krijgen als Frankfurt of Parijs.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden