Gemoedelijke herinneringen aan een lang vergane jeugd Beschermd milieu en verloren geloof vormen het thema van gedichten L.F. Rosen

In Al het aardsch geluk is een sobere dichter aan het woord, met een licht archaïsch trekje: 'aardsch.' L. F....

Dezelfde moeder die op 'wasdag, strijkdag' vroeger zo actief was, is later een ouwetje dat moet worden rondgereden in 'Met moeder op kerkepad. Een ansicht':

We rijden haar van kerk naar kerk,

dikke voeten weet u wel,

laten haar alleen met de bruine

portretten van dominee

zus en zo, die grote zeldzame oesters

zijn voor haar.

Maar ook het rijke roomse leven

versmaadt zij niet. Hun hel

toch minder koppig? Hun zilver

mooier.

Hij heeft zelf inmiddels het geloof der vaderen vaarwel gezegd, zo valt op te maken uit de laatste regels. Het is moeders geloof, zij is 'als maat van God: Zijn breed-/ te en Zijn lengte eindigt bij haar schouderpaar.'

In een ander gedicht, 'Dies Irae', is die boodschap nog onomwondener leesbaar: Wat had u dan verwacht? Een teerhartige God/ die in een klare vioolpartij ondertussen/ de ene snik en zucht na de andere slaakt?/ Dat was maar een belofte voor de pruimentijd.// Er staat een storm waar het orkest had moeten staan.

In veel van zijn gedichten is Rosen bezig zijn gelovige verleden af te sluiten, maar ironischerwijze moet hij het daarom steeds oproepen. Hij beleeft daaraan zoveel genoegen dat je je al lezend gaat afvragen of hij er wel echt vanaf wil en of de titel wel zo ironisch is als hij lijkt. Spot die 'sch' van 'aardsch' met het huiselijk geluk van de kindertijd? Uiteindelijk niet; het drukt eerder vertedering uit bij het gemoedelijk herinneren aan een lang vergane jeugd. Die invalshoek en dat sentiment doen denken aan Rien Poortvliet, aan de linnenkasten en tobbes uit de crisistijd. Maar Rosen is nota bene in 1953 geboren!

Meestentijds vertelt Rosen veelbetekenende episodes uit zijn jeugd en later leven. Vader overleed in de eerste bundel, hier mijmert zoonlief bij zijn nagelaten kleren: 'Ze hangen nu al jaren in mijn kast./ Ik draag het dienstbaar grijs, zijn stof-/ en regenjas.' Ook beklaagt een jonggestorven broertje zich, vanuit het graf, dat hij 'verpakt moet als kind', ook nu hij al lang volwassen is. En aan het eind van deze bundel ligt moeder op de intensive care:

Een dag of wat daarna lag zij

in echoland, omringd door stille

vuren.

Alles stond nu op het leven aan. Elk

gerucht een vonk.

Een hikkend apparaat dat uit haar

schouder dronk.

In dit wier van levend draad naar

dode spier

ging haar borstkas even op een kier.

En ze sterft: 'Onder het strakgetrokken laken zie ik het schraalste/ bekken reiken naar het licht.'

Het blijft in Rosens bundels veelal bij een naverteld leven, met alle emoties van dien. Zeker de naïeve kinderblik vol opwinding en verwarring komt mooi uit de verf.

Rosen heeft zo nu en dan prachtige beelden. Zo typeerde hij zijn eigen thematiek in zijn eerste bundel, Adel uit 1994, al als 't achterlicht van een wegfietsende God'. En in de nieuwe bundel, in het gedicht 'Pleinvrees', staat ook zo'n fraai beeld: 'Een tollend hoofd verschijnt ter rechterzij./ Rijpe vrucht. Bedrading laat al los.'

Toch zijn de bundels van deze schijnbaar oude dichter eerder gelige familie-albums met geslaagde en minder geslaagde kiekjes, dan portfolio's van een fotograaf met artistieke ambities.

L.F. Rosen: Adel (1994) en Al het aardsch geluk (1995). Van Oorschot, Amsterdam. Prijs per bundel ¿ 24,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden