Gemengde gevoelens

Gemengd wonen is in Nederland een groot goed. Lukt hier wel wat in Londen zo jammerlijk faalt? De Rotterdamse wijk Katendrecht bewijst hoe weerbarstig de praktijk is.

Noem het voortschrijdend inzicht, zegt Jacob van Rijs, medeoprichter van een van Nederlands meest spraakmakende architectenbureau's MVRDV. Tien jaar geleden ontwierp dat bureau de Silodam, een kek gekleurd appartementengebouw op een toplocatie, in het centrum van Amsterdam aan de oever van het IJ met daarin én dure penthouses én, dat was opmerkelijk, sociale huurwoningen. Een paar jaar later ontwierp MVRDV het Parkrandgebouw. Eveneens een kek appartementengebouw, rond een grote opengewerkte binnentuin. Ditmaal in het achterstandsstadsdeel Geuzenveld/Slotermeer. Maar desondanks toch ook met grote duurdere koopappartementen en sociale huurwoningen.

'In de Silodam', zegt Van Rijs, 'moesten de huurappartementen aan de kade een aparte eigen toegang hebben van de opdrachtgever. Dat werden bruggetjes. En de koopwoningen bereik je middels een centrale entreehal. In het Parkrandgebouw is er één toegang voor alle bewoners. Daar sta je allemaal met elkaar in de lift, kopers en huurders. Dat is natuurlijk veel beter.'

In Nederland is het mengen van sociale huur- en koopwoningen, van arm en rijk een ankerpunt in het stedebouwkundig beleid. Gemiddeld is het ongeveer zo dat er in een buurt, wijk of stad, 30 procent huur- en 70 procent koopwoningen zijn. Waarom dat zo is? Niet architecten bepalen dat of ontwikkelaars, maar gemeenten, overheden. 'Dat is een politieke keuze', zegt architect Jeroen Geurst van het bureau Geurst & Schulze dat onder meer in de Rotterdamse achterstandswijken Katendrecht en Delfshaven duurdere koopwoningen bouwde. 'In Nederland zijn we sowieso erg van de planning. We denken dat we alles kunnen plannen. Dus ook de sociale cohesie. In het buitenland komt het allemaal wat toevalliger tot stand.'

Zoals in Londen bijvoorbeeld. Ook daar woont arm en rijk pal naast elkaar. En dat gaat niet zonder slag of stoot, zo bleek begin deze maand uit de rellen die er plaatshadden. Het grote verschil met Nederland: de verschillen tussen arm en rijk zijn er veel extremer. En er mist dus zoiets als een traditie van planning. Daar geen stadsarchitect á la Berlage of Hausmann die de stad (Amsterdam respectievelijk Parijs) in een klap zijn karakteristieke aangezicht gaf. Londen groeit, zoals ze daar zeggen, van hickeldy pickeldy, volgens 'de manier van doe maar wat'.

Waar Parijs de slechte wijken buiten de Périférique wist te houden, is het in Londen juist andersom. In Londen heb je zelfs nabij het centrum in populaire wijken als Notting Hill en Kensington naast heel dure straten ook heel slechte. De vaak problematische council estates (gemeenteflats met huren van rond de 200 euro voor de allerarmsten zonder werk) liggen verspreid door de gehele stad. En niet zelden, zoals bijvoorbeeld op de gerenoveerde historische zuidoever van de Thames, pal naast luxe appartementencomplexen met dito bars en restaurants. Sociale cohesie is ver te zoeken. Het is living apart together.

De Nederlandse architectuurhistoricus Wouter Vanstiphout, hoogleraar Design as Politics aan de TU Delft, schetste naar aanleiding van de rellen in een Engelse krant een oorzakelijk verband tussen stedelijke vernieuwing, zoals in Londen nu vanwege de komende Olympische Spelen, en opstand bij de onderklasse. 'Na stadsvernieuwing is de conclusie altijd: kijk, nu zijn de mensen in dat gebied hogeropgeleid, er zijn minder werklozen, de bevolking is etnisch gemengder dan voorheen, dus het functioneert allemaal beter. Maar dat zijn maar demografische cijfers: de mensen (onderklasse, red.) zijn gewoon weggetrokken.' Vaak noodgedwongen, omdat stadsvernieuwing altijd gepaard gaat met verhoging van de huren en huizenprijzen. Probleem: dus niet opgelost.

In Nederlandse dorpen of steden daarentegen gebeurt nooit zomaar wat. Groei, krimp, uitbreiding, inbreiding - alles wordt hier netjes georganiseerd en geordend volgens masterplannen, ontwikkelingsstrategieën en deelplannen. En mengen is daarin een constante factor, zowel in de oude als in de nieuwe stad. Geurst: 'Daar ligt een sociale opvatting aan ten grondslag. We willen voorkomen dat steden verloederen en dat vinexwijken alleen voor de elite worden.'

Toch rijst ook hier de vraag: heeft het 'differentiëren in woningtypologieën' zoals het in jargon zo mooi heet, wel het gewenste effect? Het mag dan een te eenzijdige bevolkingssamenstelling in bepaalde wijken doorbreken, maar mengen de verschillende groepen in het dagelijks leven ook echt? Werkt mixen integratie en verbetering van de leefbaarheid in de hand? Of is het, net als in Londen, juist het perfecte recept voor afgunst en scheve gezichten?

Emeritus hoogleraar en stadssocioloog Rob Engelsdorp Gastelaars is niet optimistisch: 'Het resultaat van menging valt tegen: ruimtelijke nabijheid van verschillende bevolkingsgroepen helpt niet of nauwelijks tegen ongelijkheid. Natuurlijk zijn er altijd mensen die uit een soort idealisme anderen helpen met de taal of met het invullen van een belastingformulier, maar in het algemeen geldt toch: soort zoekt soort. Wat vaak wel verbetert door de komst van hogeropgeleiden is het voorzieningenniveau.'

Het gemengd wonen in Nederland kent verschillende gedaanten. Je hebt gemengde gebouwen á la de Silodam. Gemengde straten, zoals Geurst bijvoorbeeld ontwierp in de Haagse vinexwijk Ypenburg, met om en om vier huizen koop en vier huizen huur. En je hebt complete wijken die gemengd zijn: architectenvilla's in de naoorlogse volksbuurt Roombeek (Enschede), frisse laagbouw met voor- en achtertuin in hoogbouw-Bijlmer, of fantastische kluswoningen voor pionierende gezinnetjes op prachtwijk Katendrecht (zie De Praktijk).

Ook sociale nieuwbouw ziet er lang niet meer uit als onooglijke jarenzestig-flats. 'Huurwoningen zijn steeds minder als zodanig te herkennen', constateert ook Van Rijs. Hij zegt zelfs: 'Eigenlijk bestaat sociale woningbouw niet meer.' Hoewel de sociale woningmarkt op dit moment door de crisis behoorlijk op slot zit, heeft Nederland de laatste decennia een solide naam opgebouwd als het gaat om hoogwaardige, vernuftige sociale woningbouw. 'Architecten en opdrachtgevers gebruiken het woord sociale woningbouw ook niet meer. Het wordt vermeden omdat het stigmatiserend is. We hebben het over kleine en grotere woningen, over woningen met een goede of een minder goede ligging. En je hebt mensen met een hypotheek en mensen met subsidie. Het kwaliteitsniveau van nieuwbouwhuur is ook nauwelijks lager meer dan van koopwoningen.'

Complexen op toplocaties á la de Silo (maar ook op de Kop van Zuid in Rotterdam, of langs de Amsterdamse Zuidas) zijn allang geen uitzondering meer. Sterker nog: tot voor de crisis werd met de verkoop van nieuwe of gerenoveerde huurwoningen door woningbouwverenigingen grof geld verdiend. Ook sommige huurwoningen in de Silodam werden verkocht: 'Het is zo'n goede locatie, aan het water, dat die huizen heel veel waard werden', aldus Van Rijs.

Toch zijn er ondanks de verbeterde bouw ook in Nederland voorbeelden bekend waar het mengen minder goed uitpakt dan op de tekentafel is voorzien. Neem Ypenburg. Ook hier werd de 30-70 procentsverhouding aangehouden. En toch waren de eerste deelplannen nog niet opgeleverd of de conflicten tussen huurders en eigenaren dienden zich al aan, herinnert Geurst zich. 'In het eerste deelplan hadden ze alle sociale huur in een straat geconcentreerd. Daar werden de overlast gevende gezinnen uit de achterstandswijken van Den Haag naartoe overgeplaatst. Dat zorgde voor enorme problemen, zelfs zo dat kopers weer vertrokken. Wonen in een huis met een voor- en achtertuin die je moet onderhouden, dat moet je leren. Dat is iets heel anders dan wonen op drie hoog achter in Transvaal of Schilderswijk. Je moet rekening met elkaar houden. Vinex staat voor rust en stilte. De irritatiegraad is er veel groter dan in de stad. Mensen maken zich al druk als de overbuurman zijn busje voor hun deur zet. Sociale cohesie is er niet van de een op de andere dag. Dat moet groeien.'

Over de vraag of het mengen makkelijker is in bestaande stad dan in nieuwbouwprojecten, oftewel of het halen van rijkere mensen naar achterstandsbuurten makkelijker is dan het brengen van de armeren naar vinexwijken, verschillen de meningen. Van Rijs: 'Het beste is als het op een organische manier gebeurd. Maar opnieuw beginnen, is uiteindelijk makkelijker. Upgraden van de armere mensen naar statusverhogende nieuwe buurten.'

De ervaring van Geurst is juist dat het beter werkt om duurdere huizen neer te zetten in een oude wijk, zoals zijn bureau deed in Delfshaven met de veelbesproken Oosters geïnspireerde gated community Le Medi. 'De rijkere mensen die daarop afkomen, kiezen heel bewust voor avontuur. Die vinden die mix van mensen juist interessant.

Maar hoe het leven in de door hun ontworpen omgeving er precies aan toe gaat - dat moet je architecten niet vragen. Geurst weet zich met moeite de naam van de wijk op Ypenburg te herinneren: 'Ik dacht Vogelweide. Dat komt: bij ons is de werknaam Deelplan 5, die vinexnaam is later bedacht.' En Van Rijs, die overigens op Ypenburg ook een wijk ontwierp van dure waterwoningen naast felblauwe en knalgroene huurrijtjeshuizen, weet 'eigenlijk ook niet hoe het daar sociaal gezien werkt'.

Stadssocioloog Engelsdorp Gastelaars weet het wel, uit de onderzoekspraktijk. 'Met het eerste ideaal, dat laaggeschoolden door de toevoeging van hogeropgeleiden vooruit zouden worden geholpen, dat het niveau van scholen beter zou worden, is het echt misgelopen. Als een school te zwart wordt, rennen de blanken weg. En een tweede ideaal, dat er contact zou zijn tussen de verschillende groepen, valt ook tegen. Vrienden, al wonen ze in een andere wijk, zijn veel belangrijker dan contacten in de buurt. Buren komen elkaar misschien op zaterdag op het voetbalveld tegen, of ze zeggen elkaar gedag. Maar verder leven ze volstrekt langs elkaar heen.'

De Praktijk

Sociale woningbouw? Bestaat niet meer? Nou op Katendrecht, Rotterdam, nog wel hoor. En het is ook precies zoals je het je voorstelt. Aan de noordkant van het Kaappark staan drie middelhoge jarenzeventig-flats van grauwige baksteen met schotelantennes en te krappe balkons. Allemaal ontworpen door Carel Weeber (die van klassiekers als de Zwarte Madonna in Den Haag en de Paperclip in Rotterdam). In de langgerekte middelste flat, bijgenaamd de Slurf, woont op 2 hoog naar alle tevredenheid de familie Lachhab: Rabia (31), Mustapha (35) en hun twee jongens Islam (9) en Abderrahmane (4). Hun driekamerappartement 'met balkon en open keuken' kost 310 euro per maand inclusief huursubsidie. Rabia: 'Het past net.'

Negen jaar geleden zijn ze komen wonen op 'De Kaap', zoals Katendrecht al sinds haar roemruchte verleden als dé hoerenbuurt van 's werelds grootste haven, liefkozend wordt genoemd. 'We waren toen net getrouwd en ik was zwanger. Het is onze eerste woning.' Toen nog stond de flat aan een troosteloos kale en winderige vlakte, midden in wat onmiskenbaar een achterstandswijk was. 'Sindsdien is het heel erg veranderd', zegt Lachhab. In 2004 werd het Kaappark opgeleverd, een modern stadspark met skatebaan, basketbalveld en voetbalveld, bewaakte speeltuin, veel gras en een keurige hondenuitlaatstrook. 'Mijn oudste zoon speelt er vaak. Ik kan hem zo vanaf het balkon zien. Als ik de andere kant op kijk zie ik nog net de SS Rotterdam liggen. Heel mooi.'

Een beter voorbeeld van gemengd wonen dan hier op Katendrecht, met circa vierduizend inwoners, vind je niet in Nederland. Want inmiddels is de overkant van het Kaappark ook helemaal bebouwd. En hoe! Op de vrije kavels, die de gemeente tien jaar geleden uitgaf om gefortuneerde particulieren de wijk binnen te halen, is inmiddels de ene stadsvilla na de andere verrezen - de Porsche of Landrover voor de deur. Het bekendste huis, uit de architectuurbladen, is nummer 94, het Bodyhouse, waar geen wand in een hoek van 90 graden met de vloer staat. De huiseigenaren, zo weet een buurtbewoner, zijn Alpinisten. Vandaar.

In hetzelfde rijtje woont ook echtpaar Wieringa. Voor ruim een ton kochten Aad (59) en Piet (61) vanuit Friesland een kavel om voor nog eens 6,5 ton 'een groot zinkenhuis van vier verdiepingen met een sauna bovenop, en een lift binnen' te bouwen: 'echt ons droomhuis.' Aad: 'Tijdens de bouw kwamen kinderen uit de oudbouw vaak kijken. Die vroegen dan of wij hier echt maar met zijn tweeën gingen wonen? Oudere Katendrechters verbaasden zich ook: waarom juist hier, op Katendrecht? Maar ja, wij keerden terug naar onze roots. Onze beide opa's hadden een relatie met de haven. De een werkte bij de Holland Amerika Lijn en de ander bij Smit, een grote werf. Mijn moeder kwam hier al als kind en vertelde ons de geweldigste verhalen: hoe eng het hier was.'

Maar sinds 1998 gaat het de goede kant op met de Kaap. Sloot de politie het schiereiland, tussen de Maashaven en de Rijnhaven, in de jaren zeventig en tachtig nog regelmatig aan het begin af vanwege roofoverallen en schietpartijen, nu is het een echte hotspot aan het worden. Met de gerenoveerde SS Rotterdam als trekpleister. En met voor het eind van het jaar eindelijk een vaste verbinding (loopbrug) met het betere gedeelte van Rotterdam, de Wilhelminapier op de Kop van Zuid.

Het percentage goedkope huurwoningen (voorheen 99 procent) is inmiddels flink teruggedrongen. Verloederde arbeidershuizen en sociale woningbouw werden de afgelopen jaren of gesloopt of gerenoveerd of omgevormd tot koopwoningen. Zoals in de Tolhuislaan, schuin tegenover de Slurf. Daar is met succes geëxperimenteerd met zogeheten kluswoningen. De oude jarendertig-huizen waar lang zes hokkerige huurhuizen in zaten, zijn weer in oude stijl teruggebracht door mensen zoals Wendy Bohté (33) en Martijn Schoots (39). Ze betaalden 70 duizend euro voor het casco, dat ze nog eens voor 160 duizend euro verbouwden. 'Met 35 mensen hebben samen een heel blok opgekocht. We zijn een jaar bezig geweest', vertelt Bohté. Voor starters als zij is het klusproject niet alleen een buitenkans om voor een betaalbaar bedrag toch een ruime eengezinswoning van vier verdiepingen met een dakterras en een grote gezamenlijke achtertuin te krijgen (in de stad!). Het is ook een manier om hun steentje bij te dragen. 'We hebben allemaal heel bewust voor deze gemengde buurt gekozen.'

Sinds de stadsvernieuwing, die een ware uittocht onder de allerarmsten veroorzaakte, wonen er nu naast oud-Katendrechters (veelal 60 jaar en ouder) en allochtone gezinnen (nog altijd veel Chinezen, maar ook Marokkanen, een enkele Turk, en veel Antillianen) nu voor het eerst welgestelden op Katendrecht. Bakfietspubliek. Autochtoon, hoogopgeleid, tweeverdieners met beroepen als accountant of huisarts, gezinnen met kinderen, jonge ondernemers in veelal de creatieve sector. Het gevolg zijn bemoedigend statistieken. Inmiddels is de wijk op de Veiligheidsindex van Rotterdam (schaal tot 10) gestegen van 4.3 naar 7.5, boven het Rotterdams gemiddelde.

Maar er is ook een tweedeling. Joop Verschoof (61), als viervoudig Nederlandse kampioen karate een beroemde Katendrechter, zegt het voorzichtig. 'Je hebt nu een soort nieuw-Katendrecht en een oud-Katendrecht.' Hij zelf is niet van het soort van: vroeger was alles beter. Al hoort hij om zich heen wel mensen klagen over 'die nieuwen', 'de import', 'de yuppen' of 'de buitenstaanders'. En ook de nieuwkomers spreken ongewild van 'onze kant van de Kaap' (richting de zuidoever) en 'de andere kant' waarmee ze het oude hart van het eiland bedoelen waar nog altijd een groep kansarmen woont, werklozen, mensen in de bijstand zonder perspectief. Want niet overal ziet het er goed en prachtig uit als bij het klusblok. Kijk alleen al even 100 meter verderop in de Tolhuislaan. Daar gaan de mooie glimmende rode stoepsteentjes ineens over in oude slordige grijze stoeptegels. Daar worden diezelfde gevels nog wel ontsierd door kunststoframen en wanstaltige balkons van trespa.

Jan Knikker (44) en zijn echtgenoot Matthew Flinn (44) hebben dan ook slapeloze nachten gehad toen zij de overstap van de historische Haagse binnenstad naar deze Pracht-/ Krachtwijk maakten. Aangetrokken door het water en de bedrijvigheid van de haven met de robuuste graansilo's en fabrieken, hadden zij in 2008 de eengezinswoning (ontworpen door Geurst & Schulze) gekocht van papier. Maar ze hadden hun handtekening nog niet gezet, of de avondklok werd ingesteld voor kinderen. 'En onze eerste nacht hier was ook dramatisch. Midden in de nacht werden we door de brandweer uit ons huis gehaald. De auto van de buren was in de gemeenschappelijke garage in brand gestoken. Toen hebben we wel even gedacht: waar beginnen we aan!'

Maar inmiddels heeft het stel hun draai gevonden. 'De wijk wordt steeds beter.' Nu is zijn zorg eerder dat Katendrecht geen yuppengetto moet worden zoals de Kop van Zuid. 'Het moet wel gemengd blijven. Het is niet goed als de bevolking te homogeen wordt.' Neem bijvoorbeeld De Globetrotter, de school waar zijn pleegzoon op zit. Vroeger was dat een gemengde school. Maar sinds De Globetrotter is verhuisd naar de nieuwbouw op de zuidkant, wordt die school alsmaar witter. Knikker: 'De hoogste klassen zijn nog overwegend donker, in groep 5 is het nog fiftyfifty gemengd, maar in de lagere klassen is het overwegend wit. Het is meer dan integratie, het is een soort verdringingsproces.' En ondertussen wordt de andere school, De Schalm, alsmaar zwarter.

Beste belichaming van de vernieuwingsdrift is misschien wel het Deliplein. Helemaal gerenoveerd, al staat er ook weer veel leeg omdat het allemaal ook duurder is geworden. Tattoo Bob, al 42 jaar een begrip op Katendrecht, is inmiddels links en rechts ingeklemd door een restaurant dat luistert naar de naam Kwiezien, het duurzaam warenhuis' Izmooizo, Letterencafé Tsjechov & Co en een bloemenwinkel die Floral Design heet. Creatieve bedrijfjes, yogastudio's, kooklabs - je vindt het er allemaal. Het actiefst is Theater Walhalla, organisator van allerlei sociaal-culturele evenementen zoals de jaarlijkse Nacht van de Kaap, het Welkom Thuis-festival, of Taart met de Buren. Maar om te zeggen dat dit alles het contact tussen oud en nieuw ook echt bevorderd?

'Ze zullen het niet gauw zeggen, maar de echte Katendrechters moeten best wel wennen aan die nieuwe mensen', weet Ralph (33), zoon van Tattoo Bob. 'Ze organiseren heel veel dingen. Maar er komt alleen eigen publiek op af, mensen uit de culturele sector.'

Rabia Lachhab is wel heel tevreden over haar sociale contacten in de buurt. 'Alle vrouwen hier kennen me.' Als vrijwilligster bij de Vrouwenstudio is ze wel betrokken bij de mensen van het Deliplein, al komen er bij de Vrouwenstudio voornamelijk allochtonen. 'We organiseren allerlei activiteiten, zwemles, fietsles, Nederlandse les, voorleesmiddag voor kinderen, themaochtenden over opvoeden of huiselijk geweld.'

Aad Wieringa, eigenaar van een negental commerciële bedrijfjes, betreurt het dat er zo weinig contact is tussen oud en nieuw: 'Het is heel dubbel. Iedereen wil wel, maar de afstand is heel groot. Veel nieuwe bewoners gaan net als ik 's ochtends de wijk uit naar hun werk en komen aan het eind van de dag weer terug.'

Om toch iets toe te voegen aan de wijk heeft ze sinds twee maanden Van Wanten opgericht, 'een soort dienstencentrum voor mensen aan onze kant van de wijk die mensen zoeken voor klusjes uitgevoerd door mensen aan de andere kant. Schoonmaken, strijken of de vijver onderhouden. We hebben nu al zeven schoonmaaksters omgekat van zwart naar wit werk.' Niet alles hoeft bij te dragen aan je eigen portemonnee, vindt ze. 'Ik wil gewoon laten zien dat je de wereld echt kunt verbeteren. En het enige wat de wijk echt vooruit helpt, is het creëren van werk, laagdrempelig, voor de mensen uit de buurt.'

'De Kaap', zoals het schiereiland in Rotterdam-Zuid van oudsher in de volksmond heet, heeft altijd al een enorme aantrekkingskracht gehad op mensen van allerlei pluimage. Als dé hoerenbuurt van 's werelds grootste haven was Katendrecht in de jaren vijftig en zestig roemrucht van Singapore tot New Orleans. Thuishaven van zeelui, pooiers, hoeren, woonwagenbewoners en niet te vergeten Chinezen. 'Als je als kind zijnde over het Deliplein liep, schalde overal muziek uit de jukeboxen, overal waren mensen op straat', zegt Joop Verschoof (61), geboren en getogen op Katendrecht. 'De buurvrouw speelde de hoer, dat was heel normaal. Iedereen kende iedereen.' Totdat het vanaf de jaren zeventig rap bergafwaarts ging met de wijk. Dichtgetimmerde huizen en cafés, drugsoverlast, prostitutie en Antilliaanse hangjeugd teisterden de buurt. Tegen de tijd dat minister Vogelaar aantrad, stond de wijk zo'n beetje bovenaan haar lijst. Tegenwoordig is De Kaap druk doende om het imago van probleemwijk van zich af te schudden.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden