Opinie

'Gemeenteraad moet burgemeester kunnen afrekenen op zijn functioneren'

Pieter Broertjes, burgemeester van Hilversum, sprak vandaag de Ben Pauwlezing uit. 'Mijn bijdrage is een poging u aan te zetten tot nadenken en discussiëren over de wenselijkheid van vernieuwing van het openbaar bestuur en de rol van de lobbyist daarin.'

Wat volgt is de volledige tekst (de verkorte versie is hier te lezen).

Pieter Broertjes Beeld anp

Ik ben zeer vereerd voor u te mogen staan.

Na Niek Jan van Kesteren in 2012 en Thom de Graaf in 2013 is het vandaag mijn moeilijke taak te proberen het niveau van mijn twee voorgangers te benaderen en ervoor te zorgen dat u vanavond niet denkt dat u uw middag achteraf bezien toch beter had kunnen besteden. En - last but not least - iets te berde te brengen dat van enig maatschappelijk nut is. Mijn bijdrage is een poging u aan te zetten tot nadenken en discussiëren over de wenselijkheid van vernieuwing van het openbaar bestuur en de rol van de lobbyist daarin. Daarmee past mijn verhaal in de nog jonge traditie van de Ben Pauw lezing en draag ik hopelijk bij aan het verder versterken en uitbouwen van die traditie.

Mijn beste vriend en oud-collega Arendo Joustra, hoofdredacteur van Elsevier vergeleek onlangs mijn jarenlange werk in de journalistiek met dat van een glazenwasser. Je klimt op een ladder met een emmer sop, een spons en een trekker, je poetst en veegt en, vergeet dat vooral niet: je kijkt naar binnen, je ziet, je interpreteert en je vertelt er thuis over. En als ze thuis aan je verhalen twijfelen, dan zeg je: ik was niet alleen, we stonden samen op die ladder, mijn maat heeft het ook gezien en die kan mijn verhaal bevestigen.

Op die manier heb ik jarenlang naar het openbaar bestuur gekeken: van buiten naar binnen. Heb inderdaad op menige ladder gestaan, heb heel wat gezien en als ik dacht dat ik het niet goed zag dan poetste ik het raam wat beter schoon en haalde er een maat bij.

En nu is, sinds een paar jaar, mijn uitzicht honderdtachtig graden gedraaid. Ik sta nu binnen en kijk naar buiten en realiseer mij dat dezelfde wereld die ik meende inmiddels zo goed te kennen er toch heel anders uit kan zien. Is dat een kwestie van vertekening, zijn dat optische illusies?

Of zijn die twee perspectieven met elkaar te verenigen?

Ik ben nu drie jaar burgemeester, ben zij-instromer, nieuw in dit vak en ben er onbevangen in gestapt. Ik ben geen product van het systeem. Ik ben er niet schatplichtig aan of er de gevangene van. Daarom kan ik een oprechte verwondering over de werking van het binnenlands bestuur koppelen aan een expliciete wens, een oproep zo u wilt, om dat systeem aan te pakken en te verbeteren. Want dat moet er toch eens van komen. Ook aan de binnenkant moeten de ramen bij tijd en wijle worden gelapt om een helder uitzicht te behouden.

Ik wil u daarom vandaag meenemen in wat we zien als we van binnen naar buiten kijken.

De balans tussen democratische principes en doeltreffend en doelmatig bestuur is niet oké. Besluitvormingsprocessen zijn te ingewikkeld, er zijn te veel regels, te veel procedures en te veel actoren. In het woud van regels en procedures raken mensen de draad kwijt, niet alleen burgers maar ook bestuurders. Te vaak is niet meer herkenbaar wie nu eigenlijk waarover gaat.

Hier past een kleine anekdote over een bakker in de gemeente H. die geen vergunning kreeg om koffie in zijn zaak te schenken.

Waar mensen de draad kwijt raken worden fouten gemaakt en komen zaken daardoor te vaak terecht in het juridische domein. Als het helemaal mis is gegaan krijgen we parlementaire enquêtes of de lokale variant daarvan, raadsonderzoeken. Die wijzen steeds hetzelfde uit. Het gevonden antwoord bij de vraag 'whodunnit' is steevast 'they did it all together!' Dat is hoogst onbevredigend want er verandert niets door behalve dat er steeds meer controlemechanieken worden ingebouwd. Die versterken de bureaucratie en zijn soms erger dan de kwaal die ze geacht worden te bestrijden. Dit brengt met zich mee dat burgers zich weinig betrokken voelen.

Volksvertegenwoordigers krijgen onvoldoende greep op de politieke agenda. Kaderstelling blijkt veelal te moeilijk. Symptomen daarvan zien we als zij vanuit machteloosheid soms vluchten in incidenten en persoonlijke aanvallen en wat dies meer zij. We zien dat de volksvertegenwoordiging zich toelegt op controleren van de macht. Dan gaat het nogal eens over kleine en overzichtelijke dingen, wat gemakkelijker is en wat ook eenvoudiger scoort in de beeldvorming.
Al met al is ons democratisch systeem inmiddels een dichtgeregeld oerwoud waarin alleen een smal pad overblijft.

Dat pad moet verbreed.

Ik vind dat de onbalans tussen democratie en bestuur vooral een onbalans is tussen beelden en feiten. Het is interessant dat ik daarbij inderdaad twee manieren van kijken met elkaar kan verbinden, het perspectief van de ervaren journalist en het perspectief van de jonge bestuurder. Maar u had van mij vast niet anders verwacht.

Als journalist werk je vanuit een ideaal.

Je begint met feiten die nieuwswaarde hebben omdat die iets toevoegen of mogelijk zelfs iets onthullen. Je legt die feiten naast elkaar op tafel, je kijkt ernaar, je vraagt anderen ernaar te kijken en je gaat als het even kan over tot 'duiding'. Wat beteken die feiten? Wat zegt dat? Is dat goed, is dat slecht, is dat 'erg'? Zo ontstaan er op basis van feiten beelden. En dat loopt natuurlijk niet altijd goed af. Soms ontstaan er beelden naast de feiten die zo sterk zijn dat ze de feiten naar de achtergrond dringen. Het beeld wordt dominant. Feiten, of zo u wilt argumenten helpen dan niet meer.

Neem de vaak negatieve beeldvorming van de Publieke Omroep. Die staat in schril contrast met de feiten: het is een van de best renderende oproepen wereldwijd. Plus hoge kwaliteit en lage kosten (vergeleken met andere landen).

In het openbaar bestuur gaat het vaak precies andersom. Ook daar werk je vanuit een ideaal. Je wil de samenleving, zo niet de wereld veranderen en dat begint met een visie, een beeld van hoe je het hebben wil. Die visie zet je in een verkiezingsprogramma en eenmaal gekozen ga je haar omzetten in producties, in wetten en regels. En dan, u raadt het, komt een massieve zee van feiten je tegemoet. Vrijwel altijd belemmeren die de daadkrachtige uitvoering van politieke wensen, soms maken ze dat zelfs nagenoeg onmogelijk.

Journalistiek en politiek zijn symbiotisch, ze leven van elkaar, ze kunnen - en ik bedoel dat uiteraard alleen maar positief - elkaars bloed soms wel drinken. Ze zijn gehouden samen het smalle pad tussen beelden en feiten te bewandelen en daarbij elkaars hand vast te houden. Ze hebben beide belang bij transparant openbaar bestuur, wat letterlijk genomen betekent dat je er doorheen moet kunnen kijken.

Te veel feiten hindert de heldere communicatie over politieke doelen. Te veel beelden en we gaan nat na een confrontatie met feiten.

En hier ben ik bij de lobbyist beland.

Want op het smalle pad tussen beelden en feiten in ons democratische oerwoud, precies daar, waar journalist en bestuurder elkaars hand vasthouden en moeizaam voorwaarts duwen, daar doemt de lobbyist op. Ook hij heeft een belang bij een goede verhouding tussen beelden en feiten, bij transparantie. Ik verwijs graag naar Thom de Graaf, die in zijn Ben Pauw lezing van vorig jaar het belang van een transparante werkwijze voor de lobbyist zo goed in beeld bracht. En ziedaar, het duo op het smalle pad is een trio geworden. De journalist, de bestuurder en de lobbyist. Ze hebben elk hun eigen belang maar ze delen ook veel met elkaar.

De lobbyist en de bestuurder hebben veel gemeen.

Zonder lobby bereikt de bestuurder weinig. De bestuurder is in ieder geval zelf ook lobbyist. En zoals lobbyisten leren hun vak beter uit te oefenen door nauw contact met de politicus te onderhouden, zo kan de bestuurder - wil hij slagen in zijn politieke missie - zich maar beter goed verdiepen in de werkwijze van de lobbyist. Sterker, kan een politicus het zich eigenlijk wel veroorloven géén lobbyist te zijn?

Maar de lobbyist en de journalist hebben ook veel gemeenschappelijks.
De lobbyist creëert óf voor zijn opdrachtgever, óf voor de bestuurder maar als het even kan voor beide transparantie bij feiten en processen. Zo kan hij helpen het gat tussen de beelden en de feiten zo klein mogelijk te houden. Dat is ook wat journalisten doen, althans behoren te doen. Beide professies creëren feitelijke beelden, of reële beelden zo u wilt.

De belangen van bestuurder, journalist en lobbyist staan soms tegenover elkaar. Maar hun eigenstandige posities zijn heel goed dialectisch met elkaar te verbinden: zij delen het gemeenschappelijk belang van een doorzichtig openbaar bestuur. De moderne lobbyist zo goed als de moderne bestuurder en de moderne journalist moeten leven naar een gemeenschappelijk credo: in transparantie werken. Het oude model, graag en veelvuldig en met succes door CDA-politici gehanteerd, werkt niet meer: achter de schermen zaken fiksen zoals bijvoorbeeld bij de tabakslobby. De vuurwerklobby is een voorbeeld van het moderne beïnvloeden. De lobbyist komt gewoon inspreken bij de gemeenteraad van Hilversum en verschijnt op een hoorzitting in Den Haag. Dát is een transparante lobby, en het helpt absoluut om transparant bestuur tot stand te brengen. Dat proces valt helder te duiden door de journalist.

Kort samengevat:
Zonder feiten is er geen kennis.
Zonder kennis geen begrip.
Zonder begrip geen duiding.
Zonder duiding geen politieke sturing en geen bestuurlijk kompas.

Politieke sturing vergt duiding en uitleg, met een gezond feitencomplex als fundament onder de argumentatie. Ik sluit mij hier graag aan bij oud-minister en partijleider van D66, Hans van Mierlo. Hij vond standpunten vaak niet zo interessant en keek liever naar de redenering. In zijn lijn van denken ga ik vandaag dan ook vooral redeneren. Standpunten zijn dan voor morgen en overmorgen.

Zoals gezegd is ons democratisch systeem een dichtgeregeld oerwoud waarin alleen een smal pad overbleef. Dat pad moet verbreed en dat moet, leuk of niet, met een kapmes zoals dat in de jungle ook gaat.
Mijn uitgangspunt is dat in het democratisch bestel de politiek het verschil moet maken. Dat is niets minder dan een opdracht. De politici moeten dat pad openhakken. Journalisten en lobbyisten moeten daarbij helpen en corrigeren.

De soms grote discrepantie tussen feiten en beelden en de disproportionele complexiteit van het binnenlands bestuur moeten we aanpakken. Volksvertegenwoordigingen verdienen het dat zij hun uitgeholde doorzettingsmacht weer terug krijgen. Dat zal de herkenbaarheid van het bestuur ten goede komen en er aan bijdragen dat politieke partijen echt een verschil kunnen maken en dat verkiezingen weer ergens over gaan. Het geeft ernstig te denken dat de kiezer de verschillen tussen politieke partijen vaak niet meer ziet. Eén week vóór de laatste verkiezingen van de Tweede Kamer in 2012 hadden we 43 procent zwevende kiezers. Dat moeten wij niet normaal gaan vinden.

En zo kom ik tot een samenhangende agenda voor wezenlijke aanpassingen van het binnenlands bestuur met de volgende zeven redeneerlijnen.

1. Taakherschikking tussen overheden
Mijn eerste punt is dat te vaak onduidelijk is welke overheid ergens over gaat. In het eigentijdse jargon noemen we dat bestuurlijke drukte of bestuurlijke spaghetti. Dat vraagt om een wezenlijke herschikking van de verdeling van de taken over de verschillende bestuurslagen rijk - provincie - gemeente. Als het leidende adagium daarbij is dat het bestuur dichter naar de burger gebracht wordt, leidt dat tot taakoverheveling. Niet vanuit bureaucratische of financiële principes, maar vanuit functionaliteit en herkenbaarheid. Het 'wie gaat waarover en wie dus niet' moet weer helder worden.

Belangrijk aandachtspunt bij taakherschikking is dat wordt gewerkt vanuit het principe dat overheden elkaar niet in de weg lopen. Taken worden dan in beginsel op één niveau belegd zonder bemoeienis van andere overheden. Ik wil benadrukken dat er bij decentraliseren steeds twee kanten beoordeeld moeten worden. Als de gemeenten beleidsverantwoordelijk worden, dan is de rijksoverheid stelselverantwoordelijke. Niet alleen voor de gemeenten verandert er dan veel maar dat moet ook voor de rijksoverheid gelden. Ik sluit mij graag aan bij de voorzitter van de Raad voor het openbaar bestuur, Jacques Wallage die 'Den Haag' oproept het bij die nieuwe taakverdeling passende gedrag daadwerkelijk te tonen.

Consequentie van taakherschikking is dat het voor burgers meer dan nu verschil gaat maken in welke gemeente zij wonen. De ene gemeente regelt het immers zus en de andere zo. Dat is een goede ontwikkeling die door de lopende decentralisaties in het sociaal domein al in gang wordt gezet maar waarvoor uiteraard ook andere beleidsterreinen in aanmerking komen.

2. Schaal volgt taken
Het huidige onvermogen om een goed beargumenteerde discussie te voeren over de toekomst van de provincies moet worden doorbroken. Hetzelfde geldt voor het onvermogen om verantwoordelijkheid te nemen voor de toekomst van de gemeenten. Er dient een duidelijke koers te worden uitgezet in de richting van schaalvergroting. Door aanzienlijke decentralisaties wordt immers wel degelijk druk op die huidige gemiddelde omvang gezet. Nu is dat stiekeme sturing en dat moesten we maar niet blijven doen. Leidend beginsel voor de herinrichting van het binnenlands bestuur is in mijn ogen een juiste koppeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden aan het meest passende bestuursniveau. Dat is nu bepaald niet altijd zo. Veel maatschappelijke processen trekken zich niks aan van gemeentelijke of provinciale schaal. Daar moeten we goed naar kijken en op basis daarvan kan zinvol gesproken worden over aanpassing van de omvang van provincies en gemeenten. Als gemeenten te klein zijn om hun taken uit te oefenen volgt fusie en opschaling waarbij de nieuwe taken van de gemeenten de omvang bepalen. Overigens moet gemeentelijke opschaling op enigerlei wijze gepaard gaan met een respectvolle omgang met de lokale identiteit van dorpen en kernen binnen zo'n nieuwe grotere gemeente. Dan kan de winst van de opschaling gecombineerd worden met meer zeggenschap bij binnengemeentelijke decentralisatie. Dat zou pas win-win zijn.

Ik ontkom er niet aan hier iets te zeggen over de recent gemiste kans in Gooi en Vechtstreek.

Deze regio heeft telkenmale laten zien noodzakelijke beleidsinspanningen op regionaal niveau niet te kunnen realiseren. Het resultaat is een volledig gebrek aan voortgang in de strategische agenda. Daar zou iets aan kunnen en moeten worden gedaan. De negen betrokken gemeenten, de provincie en de minister zouden de handen ineen moeten slaan.

Keer op keer zijn rapporten verschenen die pleiten voor verregaande gemeentelijke herindeling. Maar de herindelingsadviezen blijven telkens liggen onder het mom dat de tijd daarvoor nog niet rijp is. Dat gaat al tientallen jaren zo. De gemeenten willen, uitgezonderd Hilversum, hun autonomie niet opgeven, de provincie heeft geen doorzettingsmacht en de minister blijft op zijn handen zitten.
En nu is er dan een zogenaamde doorbraak: Bussum, Naarden en Muiden gaan fuseren en over de verdere ontwikkelingen moeten we, volgens een recent adviesrapport, 'met elkaar in gesprek'. Dat mag even duren, want pas op de 'lange termijn' komt er wellicht een nieuwe stap in de herindeling richting één gemeente Gooiland. Dat gaat zomaar nog eens twintig jaar duren. Intussen moeten de gemeenten hun samenwerkingsrelaties noodgedwongen steeds verder uitbouwen omdat ze individueel te klein zijn. Dat betekent steeds meer samenwerkingsconstructies, verlies van positie van democratisch gelegitimeerde gemeenteraden en steeds minder transparantie.

3. Gemeenteraden in positie en verantwoordelijk
Dat brengt mij vanzelf bij het volgende punt. Ik zie niets in de huidige lappendekens van samenwerkingsverbanden die het zicht op bestuurlijke verantwoordelijkheid vooral vertroebelen. De consequentie van deze redeneerlijn is tweeledig.

Ten eerste leidt dat op termijn tot opschaling waarbij gemeten naar de huidige stand van zaken een orde van grootte van 100.000 inwoners niet onlogisch lijkt. We lopen op dit punt nu al achter de feiten aan.
Ten tweede kappen we uit het oerwoud van regelgeving de Wet gemeenschappelijke regelingen. De bij gemeenschappelijke regelingen behorende gebrekkig democratisch gelegitimeerde bestuurlijke constructies zijn bij voldoende schaalgrootte van de gemeenten immers niet meer nodig. Wat zal dat in het openbaar bestuur heerlijk opruimen en veel helder maken.

Op deze manier komen gemeenteraden terug in positie. Hierbij past dan ook dat de gemeenteraden meer ruimte nemen voor hun rol als volksvertegenwoordiging en zich druk maken over het herstel van de verbinding tussen politiek en burger. De burger zit in een netwerksamenleving en in een belevingswereld die steeds verder af dreigt te raken van het overheidssysteem waarin het herkenbare onderscheid tussen bestuur, organisatie en volksvertegenwoordiging zoek is geraakt. We zullen echt op zoek moeten naar nieuwe manieren om de burger bij het openbaar bestuur te betrekken. Representatie alleen is niet meer voldoende. Het moet ook over participatie gaan. Dat besef groeit overigens al.
Maar dat is nog niet genoeg.

4. Autonomievergroting
Aanzienlijke taakherschikking van het rijk naar de provincies en de gemeenten zou gepaard moeten gaan aan uitbreiding van de autonomie. De redenering is eenvoudig: grote gemeenten kunnen meer, dan moeten die ook meer mogen.

Dat kan door schrappen van toetsende en corrigerende regelgeving die 'hogere' overheden de kans geeft om 'lagere' overheden in hun mogelijkheden te beperken. Het begrip 'hogere overheid' moet duiden op verschil in taken gepaard aan schaalniveau maar niet op correctie van lagere overheid door hogere overheid. Het is toch vreemd dat de rijksoverheid wel taken decentraliseert maar de daaraan gekoppelde financiën blijft regelen via uitkeringsconstructies zoals gemeentefonds en doeluitkeringen? Die constructies geven het rijk maar mogelijkheden tot meebesturen, wat strijdig is met de gedachte van decentraliseren. Als taken gedecentraliseerd worden van rijk naar gemeenten, hoe logisch is het dan dat het rijk blijft bepalen wat de uitvoering daarvan mag kosten? Daarom moeten we toewerken naar decentralisatie van belastingen. Wat lokaal wordt verdiend of lokaal wordt omgezet, mag van invloed zijn op wat lokaal wordt besteed. Waarom dan naast de huidige gemeentelijke belastingen als OZB en afvalstoffenheffing niet ook een deel van de inkomstenbelasting of een deel van de omzetbelasting direct gestort op de rekening van de gemeente, mét bestedingsvrijheid? Ik sluit mij aan bij eerdere pleidooien hiervoor van de voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Annemarie Jorritsma.

De Haagse politici hoeven niet bang te zijn dat lokale politici te makkelijk geld zullen gaan uitgeven als ze zelf meer belasting kunnen heffen. Het zal eerder andersom zijn.

En ja, dit leidt tot verschillen tussen gemeenten, maar dat kennen we nu ook al bij de OZB en dat krijgen we ook al meer door de decentralisaties, zoals gezegd. Ik vind dat prima. Op naar de écht gedecentraliseerde eenheidsstaat! De relatie tussen burgers en hun eigen gemeenten wordt er aanzienlijk mee verhelderd.
Daar zal ook het volgende nog aan bijdragen.

5. Versterken lokaal karakter verkiezingen
Er is een toenemende discrepantie tussen lokale en landelijke politieke systemen. De geweldige groei van lokale partijen is vooralsnog niet ten einde en het wordt tijd dat daar passende gevolgtrekkingen bij worden gemaakt. Daarom zou het sterke voorkeur verdienen de gemeenteraadsverkiezingen los te koppelen van een uniform geldende landelijke datum. Dat kan eenvoudig door gemeenten de mogelijkheid te geven zelf verkiezingen uit te schrijven bij een lokale bestuurscrisis. In de huidige situatie moet bij een bestuurscrisis een nieuw college worden gevormd uit de in samenstelling gelijkblijvende raad waarbij de mogelijke levensduur van een nieuw college wordt beperkt tot de resterende looptijd van de raadsperiode. Dat geeft colleges met een hoog tijdelijk karakter en dat is niet altijd het beste. Maar ernstiger is dat het onderliggende probleem van de bestuurscrisis niet aan de bevolking kan worden voorgelegd opdat deze zich daarover in verkiezingen kan uitspreken. En dat zou wel moeten. Gemeenten verdienen het dat hun eigen verkiezingen gaan over hun eigen thema's. Wat zou helpen is dat om te beginnen de landelijk uniforme verkiezingsdatum wordt ingeruild tegen een schema waarbij er voortdurend gemeenteraadsverkiezingen zijn zodat ze het vervuilende karakter van graadmeter voor de landelijke politiek min of meer verliezen.

6. Bestuurlijke zichtbaarheid vergroten
Bestuurlijke efficiency is een heikel thema omdat het raakt aan de principiële vraag of goed democratisch bestuur iets mag kosten. Het antwoord is ja, maar dat mag niet het zicht ontnemen op de bittere werkelijkheid waarin volksvertegenwoordigingen al dan niet in commissieverband veel en lang vergaderen, vaak zonder zelfs maar komma's te verplaatsen. De politieke verschillen zijn vaak slechts nuances, soms zelfs dat niet. Raadsvergaderingen zijn vaak herhalingen van commissievergaderingen. Inefficiënt bestuur leidt tot beslagen ramen en tot onzichtbaarheid.

Daar komt bij dat fracties nogal eens te maken krijgen met nestvlieders die de fractie verlaten en op eigen titel als volksvertegenwoordiger verdergaan. In de Tweede Kamer, maar ook in menige gemeenteraad, is sprake van steeds meer politieke versplintering. Maar wat is daarvan nog de betekenis? Het is vaak niet meer dan vasthouden aan een zetel tot aan de eerstvolgende verkiezingen.

De bestuurlijke zichtbaarheid kan worden vergroot door een combinatie van drie aanpassingen.

Ten eerste kunnen de volksvertegenwoordigingen echt kleiner in omvang worden. Voor gemeenteraden is te denken aan één raadslid per 4.000 inwoners met een maximum van 40 raadsleden. Een gemeente van meer dan 100.000 inwoners krijgt dan 25 raadsleden. Dat zijn er nu 39, en boven 200.000 inwoners zelfs 45.

Ten tweede zou moeten worden geregeld dat fractieleden die zich afsplitsen hun zetel verliezen. Je wordt via een lijst gekozen maar als je opstapt is je zetel je persoonlijk eigendom. Dat is niet transparant. De Kieswet mag op dit punt worden aangepast.

Ten derde moet de trend om méér mensen af te vaardigen naar méér vergaderingen worden omgedraaid naar minder mensen naar minder vergaderingen. Raadsleden worden veel te veel het raadhuis en het papier in gezogen. Dat heeft het gevaar in zich dat zij teveel bestuurder of soms zelfs ambtenaar aan het worden zijn. In plaats daarvan zouden ze veel systematischer moeten verkennen wat burgers vinden, verwachten en hopen. De impuls voor beleidsontwikkeling mag uit de samenleving komen en mag daar worden opgehaald.

7. En dan de burgemeester....
Over de rol en positie van de burgemeester is veel gezegd en geschreven maar tot een echte doorbraak komt het maar niet. Inmiddels haalt de praktijk de bestaande wetgeving steeds meer in. Ik zie vier zaken die tot een oplossing moeten worden gebracht.

Allereerst is er sinds de invoering van de dualisering sprake van een steeds ongemakkelijker wordende spagaat omdat de burgemeester zowel voorzitter van het college als voorzitter van de raad is. Die rollen verhouden zich niet met elkaar omdat de raad, met name in zijn controlerende functie jegens het college, weinig heeft aan een voorzitter die boegbeeld is juist van dat college. Van dit rolconflict moet de burgemeester worden verlost. Dat kan door het voorzitterschap van de raad bij de burgemeester weg te halen en de raad uit zijn midden een eigen voorzitter te laten kiezen.

Ten tweede is de huidige praktijk dat de raad feitelijk via een sollicitatieprocedure de burgemeester kiest maar formeel niet verantwoordelijk is voor diens benoeming. Dat maakt de wereld alleen maar ingewikkeld en diffuus. Niet alleen de keuze, maar ook de benoeming kan aan de raad worden overgelaten.

Ten derde is er de vraag naar het mandaat van de burgemeester.
De huidige situatie is duidelijk. De burgemeester heeft geen eigen programma. Hij wordt geacht loyaal mee te werken aan het uitvoeren van het collegeprogramma. Daarnaast heeft hij enkele wettelijke taken. Daar moet hij het mee doen. Een lokaalpolitiek mandaat heeft hij niet. Toch worden van hem wel allerlei zaken verwacht op basis van het hem toegeschreven gezag en de hem toegeschreven status die - en dat is beeldvorming - bij zijn positie als burgemeester lijken te horen. Deze statusincongruentie is een probleem dat in mijn ogen alleen opgelost kan worden door een helder mandaat dat zo dicht mogelijk aansluit bij het politieke mandaat van het college als geheel. De huidige bevoegdheden van de burgemeester zouden daarom bij het college gelegd kunnen worden, waarbij de burgemeester eerst verantwoordelijk en eerst aanspreekbaar blijft voor de uitvoering ervan. Zijn taken en bevoegdheden krijgen zo meer het karakter van een portefeuille, vergelijkbaar met de portefeuilles van de wethouders. Zijn politieke mandaat is dan gezekerd, terwijl hij tegelijk ruimte overhoudt voor de invulling van zijn rollen als voorzitter van het college en als 'burgervader'. Het geeft de burgemeester een volwaardige portefeuille en de raad de mogelijkheid de burgemeester via gebruikelijke politieke mechanismen af te reken op zijn functioneren. De kans op een burgemeester afkomstig uit de lokale politiek neemt er aanzienlijk door toe wat goed is voor het functioneren van de lokale democratie.

En als vierde punt moeten we het hebben over de duur van dat mandaat, over zijn termijn. De burgemeester wordt nu benoemd voor zes jaar. Het verdient aanbeveling zijn termijn en die van de raad gelijk te trekken. Dat mag van mij vijf jaar worden, dat brengt misschien ook iets meer rust in het gemeentebestuur.

Zo, dit waren de hoofdlijnen.

Zoals gezegd: dit zijn redeneerlijnen, het zijn geen standpunten en het is geen blauwdruk. Het is een bijdrage aan de discussie, een discussie die in mijn ogen zowel zeer wenselijk als onontkoombaar is. We moeten echt beweging krijgen in het openbaar bestuur.
De kloof tussen bestuur en bevolking bestaat écht. Drie jaar burgemeesterschap hebben mij dat geleerd. Maar die drie jaar hebben mij ook geleerd dat die kloof vergaand gedicht kán worden.
Mijn oplossingsrichtingen baseer ik op een combinatie van wat ik in de journalistiek én in het openbaar bestuur zag en leerde. Kijk met de ogen van de ander naar jezelf. Kijk naar de ander. We moeten terug naar een bestuursstelsel waarin zichtbare en herkenbare mensen als ambtsdragers op een herkenbare wijze het verschil maken in een transparant systeem waarbinnen volstrekt duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is en hoe je als burger bij die verantwoordelijke ambtsdragers aan boord komt. Dat is nu niet zo.

De overheid is te verhullend, te ondoorzichtig, te flets, te genuanceerd, bureaucratisch, te traag en te weinig effectief. We moeten naar een situatie waarin voor de burger - de kiezer - geldt dat 'what you see is what you get'. Nu is de uitkomst te vaak 'you got what you did not see'. Verrassingen dus, onaangename verrassingen en ziedaar de kloof.

Dat móet beter. Dat kán beter.

Dat brengt mij uiteindelijk bij het beantwoorden van deze laatste vraag: waarom stel ik deze zaken juist vandaag in dit gezelschap aan de orde?

Om mijn antwoord te verhelderen grijp ik eerst nog even terug op waar ik mee begon. Ik schetste het smalle pad tussen beelden en feiten in ons democratische oerwoud. Ik schetste dat journalist en bestuurder daar elkaars hand moeten vasthouden. Ik schetste dat daar de lobbyist opdoemt die een gelijk belang heeft bij een goede verhouding tussen beelden en feiten. Ik schetste dat de lobbyist een positie moet nemen met de journalist én met de bestuurder.

Daarom deze oproep, hier en nu en in dit gezelschap: doe mee!
Doe mee met een goede discussie over een beter en eigentijdser openbaar bestuur. De bestuurders moeten het uiteindelijk doen, die moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Zij zijn te stimuleren. Dat hebben ze niet alleen waarschijnlijk nodig, maar ze zijn er ook bij gebaat en ze zullen er erkentelijk voor zijn. En er is niets op tegen: wie zich met het openbaar bestuur bemoeit, bemoeit zich met zijn eigen toekomst. Dat is een recht en een plicht tegelijk.

De vernieuwing van het openbaar bestuur ligt alweer zo'n kleine tien jaar stil. In feite al sinds de nacht van Ed van Thijn en de val van Thom de Graaf in maart 2005. In het huidige regeerakkoord nauwelijks enige ambitie op dit punt te vinden. Minister Plasterk van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is niet aan zet, zo lijkt het.

Deze politieke achtergrond bepaalt ook de urgentie en de actualiteit van mijn betoog.

In de tweede helft van de huidige kabinetsperiode, vanaf nu tot 2017 zouden VVD en PvdA, met steun van in ieder geval D66, naar een nieuwe agenda voor bestuurlijke vernieuwing kunnen toewerken die ambitie uitstraalt. Vernieuwing zoals aangegeven in mijn zeven punten is van groot belang. Voor het reilen en zeilen van een modern Nederland. Om helderheid te krijgen over de vraag wie waarvoor verantwoordelijk is en om daarmee de kloof tussen burgers en politiek te dichten. Het geeft het kabinet ook de kans de valse start rond de discussie over 100.000-plus gemeenten en de vorming van één superprovincie te doen vergeten.

We moeten iets doen...
Ik roep u op: doe mee!
Zoek de discussie. Zoek de redenering. Zoek de verdieping.
Vind de verantwoordelijke bestuurders en politici. Vind de geïnteresseerde journalisten. Ga met hen in gesprek.
Tijdens een etentje. Tijdens de koffie. Bij een biertje of in de marge van een vergadering. Maak het onderwerp levend en bespreekbaar. Breng het onder de aandacht in uw eigen netwerk.

Kortom: lobby!

Pieter Broertjes is burgemeester van Hilversum en oud-hoofdredacteur van de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden