Gemeenten negeren wettelijke taaleis bijstand, taaltoets nauwelijks afgenomen

Taaleis voor bijstand is wassen neus

Gemeenten controleren niet of bijstandsontvangers de Nederlandse taal machtig zijn. Plannen om hun kennis bij te spijkeren worden nauwelijks gemaakt, kortingen op de uitkeringen worden vrijwel niet opgelegd.

Een vrijwilliger geeft taalles. Foto Arie Kievit

Dit concludeert het Centraal Bureau voor de Statistiek na een onderzoek in opdracht van staatssecretaris Tamara van Ark (VVD) van Sociale Zaken. Zij reageert ontstemd op de uitkomst.

De 'taaleis' die bijstandsontvangers verplicht de Nederlandse taal machtig te zijn, werd twee jaar geleden ingevoerd voor nieuwe uitkeringsgerechtigden en een half jaar later voor alle bijstandsontvangers. Als een bijstandsontvanger de taal niet machtig is en zich niet inspant die te leren, dan kan de uitkering gekort worden.

De taaleis was een wens van de VVD en vastgelegd in het regeerakkoord met de PvdA. De afspraak kwam na een akkoord van staatssecretaris Klijnsma (PvdA) van Sociale Zaken met D66, CU en SGP sterk afgezwakt in de wet.

De gebrekkige uitvoering die het CBS signaleert, ligt politiek gevoelig. In een brief aan de Tweede Kamer stelde Van Ark maandagavond dat het 'goed beheersen van de taal van zeer groot belang is om de kansen op werk te vergroten. Een groot deel van de bijstandsontvangers is de taal onvoldoende machtig'. Van Ark wil daarom de teugels aantrekken. Na de gemeenteraadsverkiezingen op 21 maart wil zij dwingende afspraken maken met de nieuw te vormen gemeentebesturen.

Het CBS constateert dat het afnemen van taaltoetsen in de praktijk 'weinig lijkt voor te komen'. Ruim 140 van de 388 gemeenten hebben nog geen enkele taaltoets afgenomen, de andere 248 in april 2017 gemiddeld vier. Bij 35 procent van de gemeenten werden ook geen taalplannen opgesteld.

Verlagingen van de uitkeringen voor wie niet aan de eis voldoen 'komen vrijwel niet voor', aldus de onder zoekers. In het eerste half jaar van 2017 zijn tachtig verminderingen opgelegd door ongeveer twintig gemeenten'.

Meteen bij de introductie van de taaleis stuitte die al op verzet van veel gemeenten. Veel wethouders vreesden de bureaucratie en waarschuwden dat ze personeel tekortkomen om de eis te controleren. Andere wethouders hebben principiële bezwaren tegen het korten op de bijstand.

Monique Kremer, bijzonder hoogleraar actief burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam, is daarom niet verbaasd over de uitkomsten van het CBS-onderzoek. 'De taaleis is niet door de gemeenten bedacht maar door het rijk opgelegd. De eis is nauwelijks te controleren en er is eigenlijk geen budget voor specifieke scholing. Taalles wordt vaak overgelaten aan vrijwilligers. Maar Nederlands leren gaat het best in combinatie met werk of vrijwilligerswerk.'

Als een bijstandsontvanger weigert Nederlands te leren, kan de uitkering eerst zes maanden lang met 20 procent worden verlaagd. Als daarna nog geen voortgang is geboekt, kan dat 40 procent worden. Als er na een jaar nog geen vorderingen zijn, kan de uitkering helemaal worden stopgezet.

Verlaging met 20 procent blijkt in de praktijk nauwelijks voor te komen, de vervolgstappen helemaal niet. Als de uitkering nu wordt gekort, is dat meestal niet alleen gebaseerd op de taaleis maar in combinatie met te weinig meewerken aan het vinden van werk.

Als de gemeente een 'leertraject' oplegt, kan dat met formele of informele scholing. Bij formele scholing wordt na afloop een diploma of certificaat uitgereikt - of niet - en is dus te controleren of de bijstandsontvanger voldoet aan de 'inspanningsverplichting' om Nederlands te leren. Deze scholing wordt door de gemeente vaak gekoppeld aan het zoeken naar werk.