Gemeentelijke daadkracht

Het is niet makkelijk een gemeente te zijn, al doen gemeenten vaak alsof ze het altijd beter weten dan het Rijk....

De gemeente – dat is bestuur dicht bij de bevolking, betrokken, met kennis van zaken.

Bestuurlijke grootspraak natuurlijk. Om een smetje te noemen: de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen is veel lager dan bij Kamerverkiezingen. Bovendien staan raadsverkiezingen, zoals in maart, meestal in het teken van landelijke kwesties. Electorale beloning of straf krijgt lokaal daardoor iets willekeurigs.

Hun afgeleide mandaat zou lokale bestuurders bescheiden moeten stemmen.

De praktijk is anders, zeker in de grotere gemeenten. Winnaars wijten hun fortuin aan eigen voortreffelijkheid. Verliezers rationaliseren hun eigen verantwoordelijkheid weg. Dat het hoofd van de gemeente nog altijd niet wordt gekozen, doet ook afbreuk aan de legitimiteit van het lokale bestuur.

Niet voor niets had de opmaat tot de Opstand der Burgers in 2002, de Leefbaar-beweging, een lokale oorsprong. Hilversum en Utrecht deden het pionierswerk, Leefbaar Rotterdam haalde de buit binnen. In hun campagnes ageerden de Leefbaren met succes tegen een technocratische bestuursstijl. Vooral waar Grote Werken in het geding waren, floreerden de Leefbaren. Grootse infrastructuurprojecten, reconstructies van stadsdelen, nieuwe stadsharten voedden de onmin.

Bestuurders bezwijken steeds weer voor die verleiding. Eenmaal op hun post, maken zij zich het perspectief eigen van de ambtelijke diensten waaraan zij nominaal leiding geven. Daar – niet bij de politieke partijen – gist het van de initiatieven en liggen grootse plannen klaar. Als generaals buigen ze zich over kaarten en maquettes en besluiten hun suffe gemeente op de kaart te zetten, een kwaliteitsimpuls te geven, gereed te maken voor de toekomst.

Maarten van Poelgeest, de nieuwe GroenLinks-wethouder ruimtelijke ordening van Amsterdam, werd in luttele maanden zo’n macho-bestuurder. Amsterdam-Noord moet op de kaart, dus dienen aan de IJ-oever torens te verrijzen, al domineren die straks de historische binnenstad. En dat IJmeer is een dode plas die om nieuwe impulsen schreeuwt. Grootse, meeslepende daadkracht.

Heel andere koek dan het feminiene geploeter op goed onderhoud en beheer waarvoor bestuurders weinig geduld hebben, maar waaraan gewone burgers sterk hechten. Die burgers gaan bovendien ervan uit dat de kosten van al dat groots altijd tegenvallen. En dat wat als maquette heel wat lijkt, in werkelijkheid een onherbergzaam tochtgat wordt.

Supervisor Pi de Bruijn van de Amsterdamse Zuidas bezwoer onlangs in een afscheidsinterview dat dat miljardenproject echt goed wordt. Maar in dezelfde ademtocht gaf hij toe dat een eerder Groot Werk, de Arena Boulevard in Zuidoost, was mislukt. Burgers zijn terecht sceptisch.

En bestuurders ten onrechte ongeduldig. Zij willen vrij baan voor hun projecten, vaart maken, beperking van bezwaarprocedures. Een hoogmoedig misverstand, zoals de Amsterdams-Rotterdamse stedenbouwkundige Adriaan Geuze betoogt. Door de jaren heen bereikte de Amsterdamse gebouwde omgeving consequent een betere kwaliteit dan de Rotterdamse, omdat een kritische, veeleisende burgerij haar bestuurders daar steeds hinderlijk weerwerk bood.

Het is het verschil tussen ‘niet lullen, maar poetsen’, het devies van de montere Rotterdamse stedenmaagd, en het ‘eerst lullen, dan poetsen’ van het Amsterdamse secreet. Helaas heeft Rotterdams Leefbaar-goeroe Marco Pastors zich met het NLMP-devies vereenzelvigd. Ter wille van grotere bestuurskracht wil Leefbaar van de deelgemeenten af. Maar zijn de verloederde Rotterdamse buurten dan beter af? Amsterdamse chicanes lijken een beter recept.

Die verloederde buurten zuig ik niet uit m’n duim. Volgens de zojuist gepubliceerde Kanskaart van Nederland telt Rotterdam de helft van de vijftig meest verloederde wijken van Nederland, tegen Amsterdam slechts vier, waarvan drie in Noord. Van Poelgeest heeft dus gelijk: daar moet iets gebeuren. Alleen liever niet op z’n Rotterdams. Overigens: die miserabele Rotterdamse score maakt nog eens duidelijk waarom Leefbaar juist in die stad piekte.

Nu we toch in de Zuidelijke Randstad zijn, ook nog even naar Dordrecht, ‘d’eerste, en de Hooftstadt van Hollant’, zoals zij in Blaeu’s Toonneel der Steden heet. Kom ik er met de trein langs, dan móet ik de Grote Kerk zien. Alleen blijft er steeds minder ‘Gezicht op Dordrecht’ over. Zwijndrecht staat in de weg en ook Dordtse bestuurders weten van wanten. De ‘Moeder en Vorstin aller steden’ bezwijkt zowat onder hun daadkracht.

Een onnozel pronktorentje aan het Statenplein – het nieuwe stadshart? – steekt nu de Grote Kerk naar de kroon. De weg van het station naar het Dordrechts Museum werd door de jaren heen een beproeving. Stedenschennis heette dat vroeger. Het museum zelf, een van de mooiste van Nederland, hield gelukkig onmodieus stand.

Ik was er pas geleden weer om de tentoonstelling te zien over Rembrandt en zijn Dordtse leerlingen. Argeloos zat ik in de verstilde tuin onder de machtige platanen. Toen kwam ik erachter dat al deze schoonheid volgend jaar op de schop gaat.

Het museum moet een ‘ervaring’ worden. De artist’s impression van de verbouwing en de uitbreiding toont een horreur: de naar de tuin verplaatste ingang. Volgend jaar kunnen we de maquette bekijken.

Waar bleef de tegenspraak, het gepeupel desnoods, dat de Jongens van Jan de Witt uit het stadhuis verdreef?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.