Gemankeerd leven wordt omgesmeed tot heldendicht

Met het verschijnen van 'Het Hof van Barmhartigheid' en 'Onder het plaveisel het moeras' vindt een literair megaproject - althans voorlopig - zijn beslag....

BEGIN 1984 trof ik op een van de toiletten van de Openbare Bibliotheek aan de Prinsengracht in Amsterdam handgeschreven scabreuze citaten aan uit De tandeloze tijd, een romancyclus van de voor mij onbekende A.F.Th. van der Heijden.

Achteraf bleek dat de velletjes persoonlijk door de auteur en zijn vrienden waren aangebracht. Kennelijk timmerde een jonge schrijver op zijn manier aan de weg.

Al spoedig werd me duidelijk dat het hier geen beginnend auteur betrof. Van der Heijden debuteerde al eerder als 'Patrizio Canaponi', zogenaamd een schrijver van Nederlands-Italiaanse afkomst.

De nu verschenen delen van Van der Heijdens opus magnum onthullen de achtergrond van dit geheimzinnige gedoe.

In de middag van 4 oktober 1976 verhuizen de ouders van Albert Egberts, een van de hoofdpersonen in De tandeloze tijd, hun zoon van Nijmegen naar Amsterdam.

Albert heeft die ochtend aan de Katholieke Universiteit zijn kandidaats filosofie behaald, maar hij wil esthetica studeren, en daarvoor is de Universiteit van Amsterdam toch beter geschikt dan haar Nijmeegse tegenhanger.

Bovendien: Alberts leven vraagt om een nieuwe impuls en samen met zijn vrienden Flix en Thjum heeft de jonge Egberts vastgesteld dat om ècht iets van je leven te maken je toch maar het beste in de hoofdstad kunt wonen.

Tot dan toe leidde de zoon van een Brabantse lakspuiter een weinig enerverend bestaan. Albert heeft een drankzuchtige vader die in de weekenden zijn gezin terroriseert en een zichzelf wegcijferende moeder die in haar jeugd meer dan eens kreeg te horen hoe ongewenst ze wel was. Als oudste lijdt Albert onder de voortdurende dreiging thuis. Hij is bereid zijn leven op te offeren, als daarmee verder onheil voor moeder en de kinderen kan worden afgewend.

Nu het hoogst haalbare, nooit geboren te zijn, voor hem is verkeken, wordt zijn voornaamste inzet onaangetast door het leven te rollen. 'Ik wilde tot de wereld ingaan, maar mocht er niet door aangetast of aangevreten worden. De tijd moest liefst tandeloos aan me voorbij trekken. En als het dan echt niet anders kon, moest er maar op me gesabbeld worden als op een zuurtje, zodat ik pijnloos en onmerkbaar langzaam minder en minder werd. . . om tenslotte tachtig, negentig jaar oud onwetend uit elkaar te vallen.'

Nee, dat met die jeugd komt nooit meer goed. Alberts leven is door zijn ouders duurzaam getekend. Een gegeven dat prachtig wordt geïllustreerd in De gevarendriehoek.

Thuis in Geldrop tuurt Albert naar het aquarium, waarin tot voor kort twee vissen zwommen. Die vissen hadden elk hun eigen ruimte, want vader Egberts had midden in de bak een schot geplaatst.

Eén van de vissen is gestorven en de man heeft daarna het schot maar weer verwijderd. Maar zie: de overblijvende vis heeft zich de opgelegde beperkingen zó eigen gemaakt dat hij tot het midden van het aquarium zwemt en dan automatisch rechtsomkeert maakt. De door de man veroorzaakte belemmerde beweging is inmiddels in het beest geprogrammeerd.

Albert geeft zijn vriend Thjum gelijk: 'de jeugd is het onherroepelijk geamputeerde deel van ons leven, waaraan de herinnering ons blijft plagen als pijn of jeuk in een afgezet been'.

Ondanks manmoedige pogingen door gebruik van drugs en een moordaanslag op een neo-fascist er wat vaart in te brengen, komt het ook nooit meer goed met dit gemankeerde leven. In de winter van 1977 vinden we Albert Egberts op Sicilië, waarnaar hij vanuit Napels is gevlucht in een poging af te kicken, zo lezen we in Onder het plaveisel het moeras.

Bij de Dom van Catania treft hij een oude man, die voorwendt aandachtig de voorgevel van het gebouw te bestuderen, maar wiens blik telkens afdwaalt naar het kruis van een Amerikaans toeriste die zich op de trappen van de Dom heeft gevlijd en haar rok beetje bij beetje opschort.

Met een schok herkent Albert in de bejaarde voyeur zichzelf als oude man. Een door angsten bevangen jongen, die halfslachtig probeert zijn leven nog wat glans te geven, maar eindigt als voyeur; zie daar Alberts weinig opzienbarende bestaan.

Zó weinig opzienbarend, dat A.F.Th. van der Heijden in een nostalgische terugblik op Imro's eerste grote reis, waarin hij gewag maakt van overeenkomsten tussen dit geliefde jeugdboek en De tandeloze tijd, Tako, het jongetje dat het meest weg heeft van de kleine Albert Egberts, zelfs volledig over het hoofd zag. Het nu verschenen Onder het plaveisel het moeras draagt kennelijk niet voor niets het aan Sartre ontleende motto 'Ik leidde een tandeloos leven'!

Albert Egberts profiteert van de betere onderwijskansen voor arbeiderskinderen, eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Als eerste van de familie Egberts mag hij naar de universiteit: 'Leren voor doctorandus, godsjongens nog aan toe'.

Maar de Nijmeegse jaren gaan teloor in lediggang. Veel vriendinnen, veel drank met Thjum, het verwende zoontje van August Schwantje, de directeur van een vleeswarenconcern in Oss. En eindeloos geouwehoer, dat af en toe resulteert in een op de maat van hun leven gesneden filosofische vondst.

Zou het bijvoorbeeld niet mogelijk zijn het leven te verlengen door het breder te maken? Door in gedachten dingen te verbinden met allerlei andere gebeurtenissen die zich op hetzelfde moment elders afspelen, leidt je in elk geval geestelijk een rijk bestaan. En je hoeft er niet eens voor van je plek af te komen, zoiets kan zelfs vanuit het café!

EN DE STUDIE? Ja, hoe moet je als zoon van een arbeider nu studeren in een tijd waarbij de leiders van de studentenbeweging, allemaal knapen van gegoede komaf, het hoogste woord voeren en de klassenstrijd preken, en je zo alsmaar afhouden van dat waarvoor jij het Brabantse hebt verlaten: iets te weten komen over de ziel, datgene in de mens dat dieper zit dan de portemonnee.

Bovendien heeft Albert al moeite genoeg om van zijn impotentie af te komen. Maar goed, wie weet gaat het in Amsterdam allemaal beter. Eigenlijk zou Egberts junior willen schrijven. In de zomer na zijn eindexamen is hij begonnen aan een grote roman: Bejaardentehuis op het dak van de wereld, die hij vervolgens weer heeft laten liggen.

Eenmaal in de hoofdstad wordt alles anders. Onderweg in het Dafje van zijn ouders mijmert Albert al vast over zijn literaire missie. 'Ik zou de dingen, de alledaagse zaken van hun nuchtere vlies van krimpfolie verlossen. . . ik zou het ketelsteen van vanzelfsprekendheid dat aan ze vastgebakken was geraakt wegbikken. De werkelijkheid (. . .) zou ik tot op het oorspronkelijke mysterie met mijn vingernagels schoonkrabben' (Het Hof van Barmhartigheid).

Alberts eerste Amsterdamse adres is een kamer in een studentenhuis aan de Grote Wittenburgerstraat. Zijn ouders zijn nog maar net vertrokken als hij in de keuken de jonge auteur Patrick Gossaert ontmoet. Patrick schrijft onder de naam Patrizio Canaponi. Hij heeft wel wat literaire plannen, maar de juiste toon voor de grote roman heeft hij nog niet gevonden.

Albert en Patrick sluiten ter plekke een deal. Albert levert de stof en Patrick hanteert 'de gouden zeef', dat wil zeggen: hij gaat op zoek naar de juiste toon om kleur te geven aan dat wat Albert heeft te melden. Het duurt nog enige tijd voor Gossaert 'de absolute vertelinstantie' heeft gevonden.

Pas nadat zijn debuut Een gondel in de Herengracht en de korte roman De draaideur zijn verschenen en Patrick de Anton Wachterprijs heeft ontvangen, weet hij Albert te melden dat in zijn grote roman Knapensluimer de verteller zal bestaan uit niet minder dan een koor van vertellers.

HET IDEE voor een polyfone roman is geboren. Het gefabuleer en gemystificeer met de data van de jonge Egberts kan nu een aanvang nemen. En zo wordt een gemankeerd leven alsnog omgesmeed tot heldendicht.

Niet moeilijk om te veronderstellen dat in deze passages, waarin een romanpersonage op zoek is naar een auteur met de juiste verteltoon, Adri van der Heijden onthult hoe hij in zijn oeuvre omgaat met de gegevens uit zijn leven. Zoals Albert Egberts Patrick Gossaert inschakelt om het alledaagse verdriet woorden te geven, en deze daarin pas slaagt na wat stijlexperimenten onder de naam Patrizio Canaponi, staat Adri van der Heijden A.F.Th. van der Heijden toe vrijmoedig uit zijn verleden te putten en vervolgens met behulp van 'de gouden zeef' ongebreideld te fabuleren.

In de woorden van Van der Heijden in een interview in het tijdschrift Knack: 'Ik heb de sluizen van mijn eigen leven wijd open gezet, al het materiaal dat mijn eigen leven heeft opgebracht mocht desnoods gebruikt worden, als het maar paste binnen de logica van de roman. Ik heb af en toe een geschiedenis die waar begint moeten ombuigen via de fantasie, omdat het anders niet binnen het verhaal paste. De tandeloze tijd is toch in de eerste plaats een produkt van de verbeeldingskracht.'

Ook Adri van der Heijden volbracht de nodige stijloefeningen alvorens als A.F.Th. van der Heijden een eigen stem te vinden. Onder andere als Patrizio Canaponi (en als 'Albert Egberts', maar dat terzijde).

Lange tijd dacht hij zelfs dat een schrijver niet alleen verschillende romanpersonages, maar ook verschillende auteurs moest kunnen opvoeren. Dat gehannes met die 'Nederlands-Italiaanse afkomst' had achteraf gezien dus ook een duidelijk literaire functie. Het stelde de auteur in staat wat afstand te nemen van het kortaffe Brabantse dialect en sierlijk te gaan schrijven.

Ondertussen resulteert het verbond tussen de verteller en de man met de gouden zeef bij Van der Heijden in schitterende, belangwekkende literatuur. Zo wordt in Advocaat van de hanen in de figuur van Ernst Quispel de ontwikkeling geschetst van veel intellectuelen die in de hectische jaren zestig en zeventig hun universitaire opleiding ontvingen.

Quispel, zoon uit een vooraanstaand advocatengeslacht, treedt na zijn afstuderen in dienst van de maatschap van zijn vader, maar neemt na een paar jaar ontslag omdat hij zich niet meer kan verenigen met de commerciële opzet van de onderneming.

Vervolgens belandt hij in een advocatencollectief dat een wetswinkel drijft in de Amsterdamse Pijp. Enkele jaren later kiest hij toch weer eieren voor zijn geld en werkt hij voortvarend aan de opbouw van een eigen praktijk.

Om vervolgens blasé te worden van 'de houten ham', al de voorgespiegelde genietingen die een bestaan in goede doen in Amsterdam-Zuid met zich brengt. Het is niet voor niks dat Quispel zich af en toe 'een vakantie in het niets' gunt, door het flink op een zuipen te zetten.

In Het Hof van Barmhartigheid, dat onder andere handelt over 'de dubbelmoord in Lummel' (de roemruchte Bemmelse moordzaak), laat Van der Heijden ons zien hoe achterklap, wraakzuchtige politiefunctionarissen en wanhopige twijfel van een verdachte kunnen leiden tot een veroordeling.

GROTE menselijke drama's, getekend tegen het decor van het naoorlogse Nederland, dat met terugwerkende kracht tot leven komt. Ook wat dat aangaat schildert Van der Heijden met een bont palet.

Zo stijgt uit de Brabantse verhalen in Vallende ouders en De gevarendriehoek de geur van vers brood uit de bakkerskar weer op. In het 'strontstrietje' in Hulst waar Albert zijn jeugd doorbrengt komt elke dag met paard en wagen de bakker aangereden. Op de schappen in de kar heeft hij zijn broden opgeslagen. De man heeft te korte armpjes om tot achter in de kar te reiken.

'De kleine man nam van een schap een lange lat, waarmee hij diep in het binnenste van de kar reikte. Door het uiteinde van de lat, wist Albert, zat een spijker, die in het gewenste brood werd geslagen. Zo haalde de bakker het met zijn korte armpje naar zich toe. Hij had er in de loop der jaren grote handigheid in gekregen. Na een klein maar krachtig haaltje aan het vastgespietste brood haakte hij onmiddellijk af, zodat het vrij over de gladde planken op hem af kwam glijden. Je kon het horen: een roffelend geluid, veroorzaakt door de kruimelgleuven tussen de planken. Gedurende die ene seconde dat het naar hem op weg was, stapte de bakker van de treeplank en ving het naar buiten vliegende brood met één hand op. De kruimels hingen in zijn haar.

'Albert en Maritte maakten altijd een hoop heisa wanneer ze een boterham met doorboorde korst op hun bord kregen. Ze weigerden pertinent het beschadigde brood te eten. ''Ik wil geen bammetje met een gaatje. . .'', gilde het zusje dan. Het 'gaatje' waaromheen de glanzende buitenlaag van het baksel was versplinterd, vertegenwoordigde voor de kinderen iets onbenoembaars: chaos, dreiging, wormstekigheid. . .'

De meesterverteller laat geen enkel facet van de naoorlogse Nederlandse geschiedenis onbesproken. We maken kennis met 'onze jongens' die eind jaren veertig bij terugkeer uit Indië een brief krijgen overhandigd waarin de Prins-gemaal belooft zich persoonlijk in te spannen, mochten zij ooit in problemen geraken. Ook met de werkers van de Wederopbouw die kansen zien in hun bedrijf hogerop te komen, en daarop al vast een voorschot nemen door van de ene dag op de andere onder hun overall een witte boord en een stropdas te gaan dragen.

Geen van hen is te beroerd zich bij 'Het Instituut met de Vriendelijke Leraren' al vast schriftelijk bij te scholen. Zo ook Alberts vader die in een opstel over zijn dagelijkse doen weet mee te delen dat hij, als hij 's avonds thuiskomt, eerst van zijn ontbijt geniet, en prompt door zijn Vriendelijke Leraar op de kop wordt getikt met 'Ontbijten, mijnheer, doet men 's morgens.'

We zien de eerste televisie in de straat verschijnen; alle kinderen uit de buurt verzameld voor de buis, een rij laarsjes in de gang.

Het totaal verregende optreden van Pink Floyd in het Amsterdamse Bos passeert de revue. Ook de externe democratisering van het onderwijs krijgt aandacht. Voortaan mogen ook studenten van eenvoudige komaf zich vergapen aan de corpsstudenten: rijkeluisjongens gekleed in blauwe blazer en grijze broek, die alleen maar in verenigingsverband kunnen gedijen, pils hijsen uit een glazen laars en pissen in de brievenbussen van hardwerkende mensen.

DE ROERSELEN van de studentenbeweging worden uitvoerig getekend; hetzelfde geldt voor het gexperimenteer met seks. De kraakbeweging, de opkomende vreemdelingenhaat, de hectische troonswisseling op 30 april 1980. . . niets blijft onbesproken.

De tandeloze tijd vormt een schitterende cultuurgeschiedenis waarin de geur, de klank en de kleur van voorbije jaren opnieuw tot leven komen.

Jan Brands is socioloog. Hij schreef met Anthony Mertens het deze week verschenen Groepsportret. Wie is wie in De tandeloze tijd van A.F.Th? (Uitgeverij Querido).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden