Gemaakt voor de massa, bezocht door de massa

Muziekdrama's waar de koningin haar mooiste mantel voor aantrekt, werden honderd jaar geleden losjes gefloten door de eerste de beste visboer in de steegjes van Napels. Wat nu voor elitair doorgaat, kan heel goed volks zijn begonnen.

Een van de jammere kanten van kunst is dat het zich zo moeilijk laat becijferen. In de film Dead Poets Society (Peter Weir, 1989) laat de charismatische literatuurdocent John Keating een leerling het voorwoord lezen uit een boek over poëzie. 'Waarachtig grote gedichten voldoen aan metrum en rijm.'


'Metrum + rijm = waarachtig goed', krast de docent op het bord en roept dan: 'excrement', de hoog-Engelse variant van bullshit. De studenten worden aangemoedigd deze onzinnige kwaliteitsberekeningen voor poëzie uit het boek te scheuren en al gauw vliegen de papierproppen door het lokaal. Kunst laat zich slecht berekenen, en al bijna net zo slecht benoemen.


Neem elitaire kunst en volkskunst. Hoe die te definiëren. Aan de hand van begrijpelijkheid? Ondoenlijk. Leg maar eens uit wat er begrijpelijk is aan muziek. En waarom Sjostakovitsj begrijpelijker zou zijn wanneer André Rieu die op het Vrijthof laat klinken dan wanneer Dejan Lazic of Michail Jurowski zich er in kleine zaaltjes aan wagen. Maar bij Rieu neuriet wel iedereen het mee. Ligt het dan aan het aantal mensen dat het kent? Als het er weinig zijn, is het elitair, als het er veel zijn, is het volks? Dat komt al dichter in de buurt. Neuriet iedereen een deuntje mee, dan kan je toch minstens van een draagvlak spreken. Zing 'raindrops on roses' tegen duizend mensen en het gros zal er 'and whiskers on kittens' achteraan neuriën; de Sound of Music staat gegrift in het geheugen van een schrikbarend aantal mensen.


High versus low, elitair versus volks. Er is nogal wat om te doen. Als kunst niet voor iedereen is, waarom zou er dan geld voor worden vrijgemaakt?


Een moeilijke kwestie. Want wat er in de kunst precies onder de begrippen 'volks' en 'elitair' valt, verandert in de loop van de tijd nogal eens. Wat vroeger voor de elite was, is soms nu voor iedereen. Zoals chocola en stemrecht. Het was bijvoorbeeld tot begin 17de eeuw in Holland aan vorsten voorbehouden zich in het geheel - ten voeten uit - te laten portretteren. Maar toen kwamen de nieuwe, machtige burgers in de Republiek, en die lapten die regel aan hun chique laarzen. Met 'vorstelijke' grote portretten van zichzelf lieten ze zien wie het nu voor het zeggen had. Ruim twee eeuwen later betraden de boerenmeisjes en ballerina's de schilderijen, in alle ernst, en leek de schilderkunst even bevrijd van conventies.


Sociale mobiliteit en kunst zijn nauw verwant; wie de maatschappelijke ladder beklimt, beklinkt dat met cultuur. Laat zijn gezicht zien in de Stopera, legt argeloos een Philip Roth op tafel als er bezoek komt. Cultuur kan je maatschappelijke positie optillen.


Hedgefondsbaas Steven Cohen bekrachtigde zijn economisch kapitaal met trofeekunst van Willem de Kooning, Picasso en Damien Hirst, soms per stuk voor meer dan honderd miljoen dollar aangekocht. Ronald Lauder (dochter van Estée) verwierf voor 135 miljoen dollar een schilderij van Gustav Klimt. De Amerikaan onderstreepte er zijn Oostenrijkse komaf mee, compleet met een museum op 5th Avenue in New York waarin het schilderij centraal hangt. En maakte en passant de Oostenrijkse cultuur weer chic.


Maar dat het ook andersom werkt, valt minder vaak op. Sommige kunst die nu wordt gezien als ingewikkeld, kunst die sjiek de friemel met grote budgetten voor een klein ingewijd publiek wordt opgevoerd, was ooit juist voor iedereen. Stukken die nu hoogdravend en hermetisch lijken, werden vroeger voor het André van Duin-publiek van toen opgevoerd. Muziekdrama's waar de koningin haar mooiste mantel voor aantrekt, werden honderd jaar geleden losjes gefloten door de eerste de beste visboer in de steegjes van Napels. Boeken die nu zo worden uitgeplozen dat er studenten op één alinea op promoveren, waren voer voor de massa, geschreven in dialect.


Kunst voor de massa. Gemaakt voor de massa, bezocht door de massa. De kathedraal van Chartres bijvoorbeeld, gebouwd tussen 1194 en 1220. Nu een trekpleister voor wie zich serieus in bouwkunst en christelijke geschiedenis verdiept. Destijds een schoolvoorbeeld van gesubsidieerde volkskunst: de bouw kon slechts door belastingverhoging gerealiseerd worden, en het hele dorp Chartres hielp mee om de stenen de heuvel op te sjouwen - inclusief de bakker en de koopman. De 176 originele gebrandschilderde ramen die er nu nog te zien zijn, de beeldhouwkunst en de architectonische vormen - ze waren voor het volk gemaakt en werden door het volk gewaardeerd.


Hetzelfde geldt voor andere bedevaartsoorden: de kathedraal van Assisi, waarin Giotto, aanjager van de Renaissance, het leven van Christus en Franciscus als een ontroerend stripverhaal geschilderd heeft. Juist als uitleg en handreiking aan de eenvoudige kerkganger. De mozaïeken in Ravenna en Monreale - flonkerende stripverhalen. Andere typische volkskunst: voorstellingen die oorspronkelijk buiten werden opgevoerd en waar het volk gratis, of voor een 'schellinkje' van kon genieten - een term die nog steeds voor de laagste rang in schouwburgen gebruikt wordt.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden