Reportage

'Gelukkig zijn er Turken die ons soms pasta of suiker geven'

Het Turkse Gaziantep kreeg meer Syrische vluchtelingen binnen dan heel Europa vorig jaar. Dat leidt tot een parallelle samenleving, waarin oude verhoudingen herleven. Een verslag van 'opvang in de regio'.

Beeld Cigdem Yuksel

Het is 12 uur, schafttijd. Pizzeria Picasso stroomt vol Syrische arbeiders uit de omringende schoenenfabriekjes. Voor de balie verdringen zich jongetjes met een boodschappenbriefje waarop de bestelling voor hun hele werkplaats staat genoteerd.

Yazan (13), een jochie met grote blauwe ogen, is een van de vele Syriërs hier die zijn dagen slijt in een naaiatelier. Hij moet voor zijn collega's pizza, friet, broodjes shoarma en 'de cola van anderhalve lira' meenemen.

Hassan houdt achter de toonbank een witte plastic tas omhoog. 'Werkplaats Assia, bestelling klaar!', roept hij in het Arabisch.

Door de zaak klinken strijdkreten van rebellenleiders. Ze komen uit de telefoon van restauranteigenaar Ibrahim Mustafa Mousa. Hij heeft een app die alles registreert wat er voorbijkomt op het communicatiesysteem van de oppositiegroep die hij steunt. Zodoende luistert de hele pizzeria live mee met de oorlog. 'Er komt hier een gevechtsvliegtuig over!', klinkt het door de speaker. Even later: 'Iraanse en Afghaanse milities overlopen in Zuid-Aleppo! Dat wordt de begrafenis van de sjiieten!'

Je zou je zomaar in een buitenwijk van Aleppo kunnen wanen, hier tussen de Arabische klanken en oorlogswatchers. Maar dit is Turkije. De Oost-Turkse stad Gaziantep is de grootste stad nabij de Syrische grens en voor veel vluchtelingen de eerste halte.

Eigenaar Mousa opende deze zaak samen met zijn broers. Ze komen uit Jarablus, een Syrisch grensstadje. De lokale specialiteit daar is een dunne pizza met gehakt, geserveerd met verse muntblaadjes, groene pepers en limoen. Absoluut niet te vergelijken met Turkse pizza, zegt Mousa. 'De kruiden zijn typisch Jarablus.' Vorige maand rolden bij een klant de tranen over de wangen toen Mousa hem de pizza voorzette. 'Zo geëmotioneerd was die man dat hij de smaken van thuis proefde.'

Er is een enorme markt voor deze heimweepizzeria. Gaziantep, een stad met oorspronkelijk 1,5 miljoen inwoners, telt een half miljoen Syrische vluchtelingen. Ter vergelijking: vorig jaar kwamen er 362 duizend Syriërs naar de EU. Er wonen hier dus meer Syriërs in een stad die net wat groter is dan Amsterdam, dan dat zich in 2015 over heel Europa verspreidden.

Turkije, het land met de meeste vluchtelingen

Ruim 3 miljoen Syrische vluchtelingen verblijven in Turkije, volgens de laatste schatting van het Turkse ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarnaast zijn er zo'n 140 duizend migranten met een andere nationaliteit. Volgens EU-hulporganisatie Echo is Turkije daarmee wereldwijd het land met de meeste vluchtelingen. 90 procent van de migranten in Turkije woont buiten de vluchtelingenkampen. De zoektocht naar (zwart) werk drijft hen naar de grote steden, zoals Istanbul, Ankara, Izmir en Gaziantep. Syriërs komen bijna niet aan een werkvergunning in Turkije. Ook hebben honderdduizenden Syrische kinderen geen toegang tot onderwijs, waardoor kinderarbeid op grote schaal voorkomt. De couppoging in juli lijkt aan de situatie van Syriërs in Turkije niet veel te hebben veranderd. Er zijn nog geen signalen dat het groeiende Turkse nationalisme heeft geleid tot een vijandiger houding tegenover vluchtelingen.

Maar Turkije is geen verzorgingsstaat. Niet voor Turken en niet voor vluchtelingen. 'Opvang in de regio', waar Europese politici zo op hameren, betekent in de praktijk vooral dat de ruim 3 miljoen Syriërs in Turkije het zelf moeten rooien. Zonder steun van de overheid, maar met elkaar.

In Gaziantep is daardoor een parallelle samenleving ontstaan voor Syriërs, door Syriërs. Kinderen krijgen les in het Arabisch van docenten uit hun thuisland, oorlogsweduwen worden opgevangen in een appartementencomplex dat is gefinancierd door een Syrische zakenman en Syrische kinderen en mannen werken in fabrieken van landgenoten.

Sociale ladder

Zo kan het dat vlak bij Pizzeria Picasso de drie neven Ghello twee schoenenfabriekjes runnen met deels dezelfde werknemers als die zij al hadden toen ze nog handelden vanuit Hellok, een wijk in Aleppo. 'Hellok stond bekend om zijn schoenen, driekwart van de inwoners werkte in de schoenenindustrie', zegt Mustafa Ghello (42). 'Hier in Gaziantep zitten we ook weer allemaal bij elkaar.'

Het openen van een fabriek in Turkije is een kwestie van een pand huren en apparatuur aanschaffen, zegt eigenaar Mustafa boven het lawaai van de 3D-printer, waar schoenzolen uit rollen. 'We staan niet ingeschreven in het handelsregister, dan zou je na de belasting niks overhouden.'

Zijn neef Mayell vertelt hoe hun gezinnen voor de oorlog leefden 'als koningen' - de royale buik die over zijn riem heen puilt, getuigt er nog van. 'Mensen waren jaloers op ons. We hadden auto's, werkplaatsen, meerdere huizen. Mijn twee echtgenotes hadden ieder een eigen appartement. Nu wonen we met zijn allen, acht kinderen en twee vrouwen, samen op één etage. Ja, daar krijg je soms ruzies van.'

Het opvallende aan de parallelle Syrische samenleving in Gaziantep is dat iedereen veel is kwijtgeraakt, maar dat de onderlinge welvaartsverhouding hetzelfde lijkt gebleven. Wie het in Syrië goed had, zoals deze ondernemersfamilie Ghello, staat in Turkije nog steeds bovenaan de ladder. Maar de ladder als geheel is diep weggezakt in de modder.

De Ghellos kunnen het zich veroorloven hun kinderen naar school te sturen en auto te rijden - Ibrahim scheurt na het gesprek weg in een gedeukte stationwagon. Ze hebben nog wat spaargeld. Maar zij zijn de uitzondering, realiseert Ibrahim Ghello zich. 'Wij horen bij de 30 procent die redelijk rondkomt. Maar van de honderd Syriërs in Turkije, zitten er zeventig financieel aan de grond.'

Drukte in de Syrische pizzeria Picasso in Gaziantep.Beeld Cigdem Yuksel

Hij voelt het als zijn verantwoordelijkheid om zijn landgenoten die het minder hebben, in elk geval aan het werk te houden. 'Als die jongens hier niet werkten, zouden hun gezinnen niet overleven.'

Het verschil met voor de oorlog is dat zijn werknemers nu ook hun kinderen meenemen. Mohammed Jomjami, die in Syrië ook al voor de Ghellos werkte, vertelt dat hij nu zijn zoontjes van 7 en 10 meebrengt naar het atelier. 'Mijn vrouw en dochtertjes moeten allemaal werken, anders redden we het niet.'

Jomjami troost zich met de gedachte dat het erger had gekund: als zijn kinderen hadden moeten werken voor een onbekende. 'Ibrahim is familie van mij, dus ik weet dat mijn kinderen hier niet worden uitgebuit. Hij schiet ook weleens de huur voor.'

Jomjami heeft gelijk, het kan nog treuriger. Ergens aan de onderste sport van de maatschappelijke ladder bungelen Latife, Hussein en hun negen kinderen tussen de 2 en 15 jaar oud. Ze scharrelen de vuilnisbakken van Gaziantep af op zoek naar flesjes en snackbakjes. Het afvalverwerkingsbedrijf betaalt hun 25 eurocent per kilo plastic.

De beste vindplek is rondom het moderne winkelcentrum. Zoontje Abdel Hamid (11) schuimt daar met een vuilniszak op zijn rug de straten af, als hij staande wordt gehouden door de politie. De agent trekt aan zijn arm, het jongetje moet mee naar het bureau. Abdel Hamid begint te huilen. Na tussenkomst van omstanders laat de agent hem gaan.

's Avonds opent vader Hussein in een lange bruine jurk de deur van het tweekamerappartement waar de elfkoppige familie woont. Op het kale beton liggen twee vale matrasjes die de familie wegplukte bij het afval.

Drie gezinsleden zijn kwijt, vertelt Hussein: zijn vrouw Latife en twee kinderen. 'Als er iemand 's avonds niet thuiskomt weten we dat die op het politiebureau zit. Dat kan een dag duren, soms twee, dan laten ze je weer gaan. Het gebeurt ons bijna elke week.'

Een duidelijke aanklacht is er volgens Hussein niet. De politie lijkt hen vooral te zien als vervuiling van het straatbeeld. 'Het is natuurlijk niet om aan te zien, mensen die het vuilnis overhoop halen.'

Husein Hamid thuis met zijn familie.Beeld Cigdem Yuksel

Littekens

De familie verdient met plastic rapen dagelijks 10 tot 15 euro. Met een huur van 170 euro per maand blijft er dan niet altijd genoeg over om eten te kopen voor negen kinderen. 'Gelukkig zijn er Turken die ons soms pasta geven of suiker', zegt Hussein.

Ook zijn verhaal laat zien dat de maatschappelijke verhoudingen van voor de oorlog blijven bestaan. Wie in Syrië voor een dubbeltje werd geboren, wordt in Turkije zeker geen kwartje. Hussein werkte vroeger als schaapsherder. Hij paste op kuddes van anderen, geld voor eigen dieren had hij niet.

Anderhalf jaar geleden werd zijn huisje op het platteland van Aleppo geraakt door een vatenbom van Assads regime. Imaan, de 12-jarige dochter, kruipt nog wat dieper weg in haar hoekje als haar vader dit verhaal vertelt. Haar gezicht is bij het bombardement deels verminkt geraakt. Een dikke lok haar over haar voorhoofd moet de ernstigste littekens verhullen.

Even na tienen komt moeder Latife binnen met haar zoontje van 5, wiens hele gezicht bij de bomaanslag is verminkt. 'Die klotepolitie, dit is verdomme toch geen leven', giert ze, tranen over haar wangen. 'Ze zetten mijn zoons gewoon tussen de criminelen, dat kan toch niet?' Haar kinderen houden gespannen hun adem in.

Het is niet dat er helemaal geen hulp is. Maar zoals dat in Syrië ook gebruikelijk was, komt de uitgestoken hand vaker van een gefortuneerde landgenoot dan van een overheidsinstitutie.

In het zuiden van Gaziantep huist in een modern flatgebouw een opvang voor Syrische oorlogsweduwen met kinderen. De 44 vrouwen en 144 kinderen wonen hier gratis in een eigen flat en krijgen per gezinslid 50 euro boodschappengeld per maand. Er is psychologische hulp en onderwijs. Het geld om dit mogelijk te maken, komt van een Syrische zakenman die in Egypte fortuin heeft gemaakt in de textielhandel, zegt directeur Huda El Amhar (49).

Vuur

Hoewel de flat vol zit met oorlogsweduwen die van top tot teen in het zwart zijn gehuld, is de stemming hier optimistischer dan gemiddeld in Gazianteps 'klein-Syrië'. Meer dan elders is de blik hier gericht op de toekomst.

Bij de ingang van de lift wijst El Amhar op een vitrine met speelgoedauto's en poppen. 'Elke maand mogen de kinderen met de meeste punten hier iets uitzoeken. Die punten verdienen ze bijvoorbeeld als ze goed hebben geholpen, of hoge cijfers scoren op school.'

'Het huis van de martelaarskinderen', zoals El Amhar deze opvang noemt, biedt veel meer dan bed, bad en brood. 'We selecteren daarom de kansrijke vrouwen, die het potentieel hebben om zichzelf te ontwikkelen.'

Alle kinderen gaan naar school en ook hun moeders krijgen les. Sommigen bezoeken de plaatselijke universiteit. 'Er zijn zelfs al twee vrouwen hertrouwd met een Syrische man', vertelt El Amhar trots. Een nieuw huwelijk is voor een vrouw de beste verzekering voor een stabiele toekomst, in de conservatieve Syrische gemeenschap.

Weduwe Zaineb Skoda (30) loopt de lange gang door, naar het appartement op de vierde etage waar ze woont met haar kinderen van 9, 7 en 6 jaar oud. Op haar keukenkastjes staan 2-litercolaflessen vol olijven. Boven de televisie hangt een portretje van haar overleden echtgenoot.

'Er is nu eindelijk iets meer rust in ons leven', zegt Skoda, terwijl ze speelt met haar glamoureuze zwarte zonnebril. 'Mijn kinderen kunnen eindelijk weer in veiligheid naar school. Zelf volg ik een kappersopleiding en leer ik Turks.'

Ibrahim Ghello in zijn schoenenfabriek.Beeld Cigdem Yuksel

Maar op onvoorspelbare momenten speelt de angst op. 'Als er een vliegtuig overkomt, worden mijn kinderen bang. 'Mama', vragen ze dan, 'gaat die bommen gooien?''

Helemaal ongefundeerd is die vrees niet. Sommige Syriërs denken dat de oorlog zal overslaan naar Turkije. De Turkse grensstad Kilis ligt al een tijd onder vuur van IS en in het voorjaar landden voor het eerst twee raketten nabij Gaziantep.

'Als je het vuur bij de buren niet blust, komen de vlammen geheid ook jouw kant op', doceert Ibrahim Mustafa Mousa van Pizzeria Picasso.

Mousa leidde in zijn woonplaats Jarablus de opstand tegen Assad. Met lede ogen zag hij aan hoe zijn oppositiegroep uiteenviel nadat IS zijn intrede had gedaan in Jarablus en sommige van zijn medestrijders overliepen naar de terroristische organisatie.

Met de massale vlucht naar Turkije zijn bestaande Syrische gemeenschapsverbanden naar Gaziantep geïmporteerd. Maar het onderlinge wantrouwen en de sektarische twisten zijn ook niet blijven steken achter de grens. De restauranteigenaar wijst op een eenzaam etende jongeman. 'Hij komt altijd alleen, ik vertrouw het niet. Volgens mij is het een spion van Assad.'

Mousa toont foto's van een barbecue in een parkje. Het oogt als een gezellige picknick met vrienden. In werkelijkheid is het een strategisch overleg van de Syrische oppositie over een mogelijk offensief, legt Mousa uit.

Zijn broer schept een loeihete pizza uit de oven. Zelf noteert Mousa kalmpjes de bestelling van de volgende klant met heimwee naar Syrische specialiteiten. Maar weinig is wat het op het eerste oog lijkt, in Gaziantep. Binnenkort staan deze broers weer met een kalasjnikov om hun nek aan het front, om te strijden voor hun vaderland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden