Gelukkig ongelukkig

De Zwitserse schrijver Robert Walser werd bewonderd door collega's als Kafka en Hermann Hesse. Ook de Britse filmmakers Stephen en Timothy Quay zijn door hem gefascineerd. Wat maakte Walser zo bijzonder?

'Ik ben geboren toen en toen, ben grootgebracht daar en daar, ging gewoon naar school, mijn werk is dat en dat, ik heet zo en zo, en ik denk niet veel.' Zo had Robert Walser zich aan u kunnen voorstellen, want hij vond zichzelf een onbeduidend mens, en bovendien, met deze regels begint zijn prozastukje Basta, uit 1917, over de echte brave mensen die het blauw en groen voor de ogen wordt als ze diep moeten nadenken. 'Een goede burger eet zijn eten en daarmee basta'.


Als ik Walser was, zou ik het nu meteen voorlezen, omdat het zo rebels en ritmisch is, bijna als een rap; maar omdat ik Walser niet ben, moet ik u in plaats daarvan vertellen dat hij geboren is toen en toen op 15 april 1878, daar en daar in Biel, Zwitserland, en dat hij op zijn 14de niet meer gewoon naar school kon vanwege het geldgebrek in het acht kinderen tellende gezin, zodat hij in de leer ging bij een bank, kantoorbediende en derhalve schoonschrijver werd, ervan droomde toneelspeler te worden, maar schrijver werd die zich met duizend-en-één baantjes in leven hield - en dat elke vorm van burgerlijkheid hem vreemd was.


Op zijn 27ste, in 1905, ging Robert zijn broer Karl achterna, die in Berlijn al een succesvol schilder was. Hij hoopte zich er als schrijver te kunnen vestigen, en kwam inderdaad via zijn broer met de modernste artistieke kringen in aanraking.


Maar daar, in Berlijn, gaat Walser, ontgoocheld over het literatenwereldje in de grote stad, en misschien ook wel bang om beroemd te worden, een opleiding volgen aan een bediendenschool; gediplomeerd en wel gaat hij als bediende in betrekking bij graaf Konrad von Hochberg, op het slot Dambrau in Opper-Silezië. Het werk bestaat uit kamers opruimen, zilver poetsen, lampen aansteken - wat hem het gevoel gaf Aladdin te zijn - de haardvuren brandend houden, tapijten kloppen en het diner opdienen, als 'Monsieur Robert', in rok.


Na een half jaar verlaat hij het kasteel met een goed getuigschrift, waarin speciaal zijn kundigheid in het zilverpoetsen wordt geprezen. Heel veel later, in 1925, zet hij dan ook als titel boven een van zijn mikrogrammen: 'Meine Vergangenheit blitzt im allgemeinen wie ein sauber geputztes Silberbesteck.'


Als bediende op het kasteel heeft hij een rol gespeeld als een ware acteur, achter het masker van oprechte dienstvaardigheid is hij incognito gebleven. Zijn uitgever mag hem alleen post sturen zonder afzender op de envelop. Het baantje moet hem veel bevrediging hebben gegeven, als een spel, een oefening in distantie, in betrekkelijkheid. Autonoom kun je zijn als je jezelf klein maakt, onbeduidend en als het ware onzienlijk, onzichtbaar bent.


In het ouderlijk huis, waar de kinderen meer talent hadden dan de ouders geld, had de rijkdom hoe dan ook al in het speels kunstzinnige gelegen, waar 'rijkdom' een heel andere betekenis heeft: die van de betovering, van de macht om de wereld in haar surreële gedaante te beleven en alle dromen wáár te laten zijn als in een toneelstuk, wáár, bij de gratie van het spel, het doen alsof.


In zijn latere prozastukken, die allemaal onderdeel zijn van wat Walser zijn 'versnipperde ik-boek' noemt, wordt zijn eigen stem steeds meer een ode aan de armoede; aan de natuur, die op zijn eindeloze wandeltochten in hem binnendringt zozeer dat hijzelf erin verdwijnt; aan de afstand die de liefde schept. De natuur wordt de verpersoonlijking van liefde en lust. Het onmetelijke kan in hem samenkomen, als hij maar het kleinste, het onbeduidendste weet te zijn. Zijn dienstbaarheid is er dan ook niet op gericht het anderen naar de zin te maken, dat zou een te klein geluk, een te intiem genot zijn. Integendeel, hij zegt ergens dat hij zich het liefst dienstbaar betoont als dat helemaal niet van hem wordt verwacht. Er moet distantie blijven, een afgrond zelfs, tussen zijn verering en wat de ander voor hem voelt. 'Niemand heeft het recht zich tegenover mij te gedragen alsof hij mij kent,' schrijft hij.


Er is een preek van Meister Eckhart (geschreven rond het jaar 1314) met als titel Zalig zijn de armen van geest. Als Jakob von Gunten, in het gelijknamige boek dat Walser na zijn bediendentijd op Slot Dambrau in Berlijn schreef, zich als leerling meldt bij het Benjamenta-instituut, om 'iets heel kleins en ondergeschikts te worden, vol geduld en gehoorzaamheid,' krijgen we allengs de indruk dat de zaligheid van de armen van geest in dit instituut krachtdadig wordt onderwezen. Men wordt er geknecht, men leert er in knechtschap leven. De als een engel zo mooie juffrouw Lisa Benjamenta geeft er les, haar barse broer is directeur. Men wordt er opgeleid tot een mooie, kogelronde nul.


Die zaligheid van de armen van geest, dat boven-alles-zijn vanuit de totale leegte, zien we in de Quay Brothers-film Institute Benjamenta verbeeld wanneer juffrouw Lisa en Jakob eindelijk samen door de grote nul heengaan, die op het schoolbord staat gekrijt - als Alice door de spiegel gaan ze erdoorheen, op weg naar de inwendige lustvertrekken.


Daar blijkt de alziende God een goudvis in een oogvormige kom. Lisa zien we op een zeker moment hangen als bijna-gekruisigde terwijl Jakob tussen haar benen vergeefs de genade zoekt. Aan het slot van de film blijken de korrels visvoer in de viskom als sterren of sneeuw uit de hemel te vallen. En dat alles komt voort uit de monotone discipline, het cultiveren van stompzinnige, rituele gebaren, het reinigen van elke dag gereinigde vloeren, het uit het hoofd leren van de voorschriften ('Weinig, doch grondig.') en van het boek Wat beoogt Benjamenta's jongensschool?


Jakob is ten slotte zo Eckhartiaans vernietst, dat hij zich zelfs de liefde van mijnheer Benjamenta kan laten welgevallen en met hem de wereld, de woestijn in kan gaan, niet omdat hij het wil maar omdat het wordt gewild. Als laatste gedachte schrijft hij: 'Maar nu weg met de pen. Weg nu met het gedachtenleven. Ik ga met mijnheer Benjamenta de woestijn in. Wil toch zien of er in de wildernis niet óók te leven, te ademen, te zijn valt, oprecht het goede te willen en te doen, en 's nachts te slapen en te dromen [...] Nu adieu dan, Benjamenta-instituut' (vertaling Jeroen Brouwers, 1981). In de film zien we dan een Beckettiaans duo door de sneeuw baggeren, een soort slapstick-finale bij een expressionistisch drama.


In 1909, als Walser terugkeert naar Zwitserland, zal hij daar heel veel wandelen, arm zijn en veel schrijven, kleine stukjes waarin veel gedroomd en gelanterfanterd wordt, en soms venijnig uitgehaald naar de wereld van de belangrijke dingen. Maar de vrolijkheid van Jakob von Gunten, die ook door Kafka zeer werd bewonderd, komt niet weerom, de vitaliteit wordt veeleer een overleven. Wat er in de plaats komt voor Jakob von Guntens heldere onschuld is een bezwerend proza dat observerend, fantaserend en alles-in-zich-opnemend is. De schrijver heeft zich als het ware uitgeleverd aan zijn poreuze staat van waarnemer, van de wandelaar die alles door zich heen laat stromen en zelf verdwijnt. In die weerloosheid voelt hij zich geborgen.


In het stukje De hansworst schrijft hij: 'Hij is en blijft een kind, een domkop, die het belangrijke niet van het onbelangrijke, het achtenswaardige niet van het waardeloze weet te onderscheiden. Of zou hij uiteindelijk verstandiger zijn dan hij zelf vermoedt, zou hij meer slimheid en geest hebben dan hij bij machte is te verantwoorden?' En elders: 'Arbeid mag dan mooi zijn, en nuttig, maar hoe veel, hoe heel veel mooier is het om niets te doen, de dag te verdromen en te verluieren.'


Het is dus gevaarlijk om Walser te lezen. Je raakt er al je ambities en kippendrift bij kwijt, je voelt je verleid de kleinheid en de onmetelijkheid die je zelf als kind ook hebt gevoeld, weer in te gaan. 'Een hemelsblauwe golf is over mij heen gekomen en heeft mij onder haar vloeibare, liefdevolle lichaam begraven.' Oceanischer kan het niet. Maar Walser lezen brengt, net als het lezen van Proust, ook een andere manier van schrijven dan waaraan we zijn gewend, tot leven: die van het uitdrukking geven niet aan een ik dat een verhaal heeft, maar aan iets wat ín dat ik leeft, het zintuig van de ontvankelijkheid.


Er is altijd een wrijving tussen schrijven en gelezen worden. Walser vertelt in een brief uit 1927 hoe hij tien jaar voordien een verschrikkelijke, gruwelijke haat tegen de pen had gekregen, hij beschrijft een soort schrijfkramp - door te gaan bleistifteln, te 'potlooien', is het schrijven voor hem weer spelen, schetsen en zwetsen geworden, tot zijn vreugde. In de mikrogrammen, de tot het uiterste verkleinde schriftuur, breekt hij door naar de onmetelijkheid. Want in het onontcijferbare, het minuscule, is het onbeduidende dat hem zo dierbaar was de vorm zelf geworden en is de vrijheid grenzeloos. Het kleinste stukje papier wordt nu immers reusachtig groot, in verhouding. Walsers taal wordt dan ook losbandig, enorm beweeglijk en associatief; in de afzondering van deze voor andere ogen ontoegankelijke wereld maakt hij omzwervingen buiten alle gebaande paden.


Totdat hij is uitgewandeld. De laatste 23 jaar van zijn leven heeft Walser, niet meer schrijvend, vrijwel zwijgend en alleen nog sprekend als hij met zijn bewonderaar en schrijver Carl Seelig de bergen inging, doorgebracht in het gesticht Herisau. De diagnose was schizofrenie. De stemmen die hij in zijn hoofd hoorde, hebben wellicht zijn schrijverij voortgezet, op nog radicaler ongrijpbare wijze dan de mikrogrammen.


Seeligs beschrijving van het bestaan in Herisau doet denken aan Jakob von Guntens dagen in het Benjamenta-instituut: zakjes plakken, erwten en bonen sorteren, vloeren dweilen, de slaapzaal opruimen. Een sobere regelmaat waarin ieder gehoorzaam zijn rol vervult. Hij was er misschien niet ongelukkig, want over de Duitse dichter Hölderlin, die nog veel langer, 36 jaar, als geesteszieke in bewaakte afzondering leefde, heeft Walser opgemerkt: 'In een stil hoekje te kunnen wegdromen zonder voortdurend aan eisen te moeten voldoen, is absoluut geen kwelling, al denken de mensen van wel.'


Zelf vind ik een van zijn aardigste uitspraken, ergens in de mikrogrammen: 'Ik ben mijn leven lang heel ongelukkig geweest en daardoor heel gelukkig.' Het is een raadsel en tegelijk de oplossing.


Walser hield zielsveel van sneeuw. Hij stierf op een wandeling in de sneeuw, op Eerste Kerstdag 1956, hij was 78. Daarmee maakte hij het stukje Sneeuwen uit 1917, waarin hij al zo prachtig vooruit lijkt te lopen op zijn eigen dood, onsterfelijk.


Universum


Dit is een verkorte versie van een essay over Robert Walser (zie foto) van de gelauwerde dichter, essayist en vertaler Anneke Brassinga. Zij droeg Walser en het witte doek onlangs voor in het Eye Filmmuseum in Amsterdam, ter gelegenheid van de tentoonstelling en het filmprogramma The Quay Brothers Universum. De Britse tweelingbroers Stephen en Timothy Quay (1947) maakten namelijk meerdere films die zijn geïnspireerd op het werk van Robert Walser. De tentoonstelling is nog te zien tot en met 9/3. Brassinga's integrale tekst is te vinden op eyefilm.nl/quay


Bij uitgeverij Parrèsia verscheen eind vorig jaar De vrouw op het balkon en andere prozastukjes van Robert Walser, vertaald door Machteld Bokhove.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden