Gelovige heeft rechten, religie niet

Het internationaal recht kent geen verbod op blasfemie. Maar de roep daartoe klinkt opnieuw, nu velen in de islamitische wereld zich gekwetst voelen door de film over Mohammed.

VAN ONZE VERSLAGGEVER ROB VREEKEN

AMSTERDAM - De Turkse premier Erdogan pleitte vorige week voor maatregelen tegen 'aanvallen op godsdienst', zowel in het internationaal recht als in nationale wetten. De salafisten in Egypte kwamen dit weekeinde met een zelfde oproep.

De kans dat ze hun zin krijgen is klein. Pogingen in VN-verband om godslastering aan te pakken zijn telkens mislukt, sinds islamitische landen - Pakistan voorop - in 1999 begonnen de kwestie te agenderen in de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Landen werden opgeroepen blasfemie wettelijk te bestrijden. De achtergrond was de angst voor 'islamofobie' in het Westen.

Diverse keren werd een resolutie tegen godslastering aangenomen. De indieners kregen veelal steun van andere staten uit Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Die steun is echter afgebrokkeld. In maart 2010 maakten de moslimlanden daarom na elf jaar een eind aan hun campagne.

Maar ook al was dat niet zo: een resolutie in de (sterk gepolitiseerde) Mensenrechtenraad maakt iets nog lang niet tot internationaal recht. In internationale verdragen komt godslastering niet voor.

Het curieuze is dat nationale wetten tegen blasfemie wel degelijk bestaan. Niet alleen in landen als Pakistan, ook in een handvol Europese staten, waaronder Nederland, waar 'smadelijke godslastering' volgens artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht verboden is.

Toch is bovenstaande niet het hele verhaal. Het internationaal recht beweegt zich namelijk wel degelijk op het snijvlak van de vrijheid van meningsuiting en het beschermen van de positie van gelovigen.

Dat gebeurt in het kroonjuweel van de mensenrechten, het door vrijwel alle staten geratificeerde verdrag inzake burger- en politieke rechten (bekend als het BuPo-verdrag). Artikel 20 bevat zelfs een plicht voor staten om 'het propageren van op nationale afkomst, ras of godsdienst gebaseerde haatgevoelens die aanzetten tot discriminatie, vijandigheid of geweld' bij wet te verbieden.

Veel landen hebben dit inderdaad gedaan, ook Nederland. Artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht stelt het beledigen strafbaar van groepen mensen op grond van hun ras, godsdienst, levensovertuiging of seksuele geaardheid. In artikel 137e klinken letterlijk de woorden uit artikel 20 van het BuPo-verdrag over haatpropaganda door.

Maar daar vlak boven in het BuPo-verdrag, in artikel 19, wordt juist de vrijheid van meningsuiting gegarandeerd. Beperkingen van dat recht zijn alleen toegestaan, zo staat er rijkelijk vaag, als ze volgens de wet nodig zijn voor het handhaven van de openbare orde of de goede zeden, of voor het 'respecteren van de rechten en reputatie van anderen'.

Gespannen voet

Hoe verhouden artikel 19 en 20 zich tot elkaar, en wat betekenen ze voor het debat over het verbieden van blasfemie?

Die laatste vraag werd vorig jaar beantwoord door een gerespecteerd juridisch gezelschap, het Mensenrechtencomité van de VN (niet te verwarren met de Mensenrechtenraad). Het comité bestaat uit eminente juristen, houdt toezicht op de uitvoering van het BuPo-verdrag en doet gezaghebbende uitspraken over de interpretatie ervan.

Volgens de juristen staat strafbaarstelling van blasfemie op gespannen voet met de vrijheid van meningsuiting. Dat laatste recht gaat in principe voor, menen zij. Volgens 'General Comment No. 34' van het comité, in juli 2011 uitgebracht, staat dat 'het verbieden van uitingen van gebrek aan respect voor een godsdienst of andere overtuiging onverenigbaar is met het covenant' (bedoeld wordt het BuPo-verdrag).

Het volkenrecht - dit is essentieel - beschermt de rechten van gelovigen, niet die van godsdiensten. Godsdiensten hebben geen mensenrechten, alleen individuen hebben die.

Toch maakt General Comment 34 de spanning tussen vrijheid van meningsuiting en het beledigen van religie niet helemaal ongedaan. De stelling dat het verbieden van gebrek aan respect 'onverenigbaar is met het covenant' wordt namelijk niet gevolgd door een punt, maar door een komma. En achter de komma staat een 'behalve', te weten de haatpropaganda zoals geschetst in artikel 20 van het BuPo-verdrag. Met andere woorden: het verbieden van respectloze uitingen is niet toegestaan, behalve in het geval van het 'propageren van haatgevoelens die aanzetten tot discriminatie, vijandigheid of geweld'.

De vraag is natuurlijk: wanneer gaat 'gebrek aan respect' over in haatzaaien? Wiskundige duidelijkheid valt niet te geven.

Toch maken toon en inhoud van General Comment 34 duidelijk dat de nadruk altijd moet liggen op de vrijheid van meningsuiting. Dát is het basisbeginsel, zo wordt paragraaf na paragraaf benadrukt. Vrijheid van meningsuiting 'is een recht waarop het covenant geen uitzondering of beperking toestaat'. Alleen in incidentele en uitzonderlijke gevallen mag ervan worden afgeweken.

Zeker in het politiek discours is de drempel hoog, volgens de deskundigen. Ook wetten die 'opinies over historische feiten' verbieden zijn strijdig met het BuPo-verdrag, zo stellen ze, zonder de begrippen holocaust en genocide te noemen.

Volgens de Nederlandse hoogleraar Cees Flinterman, lid van het Mensenrechtencomité, is de clausule over haatpropaganda een direct uitvloeisel van de Holocaust. 'De nazi-ideologie lag nog vers in het geheugen. Inmiddels zijn we een stuk verder.' In die zin is de clausule verouderd, zegt hij.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden