Geleidelijke afbraak van een omheining - tot op zekere hoogte

NAARMATE MEN ZICH in Nederland bewust werd van de catastrofe die zich in de oorlogsjaren had voltrokken, groeide de belangstelling voor de joodse cultuur en geschiedenis....

Aan deze nog altijd wassende stroom van boeken en artikelen is dan nu een overzichtswerk toegevoegd, Geschiedenis van de joden in Nederland, samengesteld door de Leidse emeritus-hoogleraar Ivo Schöffer en zijn Amsterdamse collega's Hans Blom en Renate Fuks-Mansfeld, op initiatief van de Commissie voor de Geschiedenis en Cultuur van de Joden in Nederland van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Gedrieën kregen zij in 1989 de opdracht een overzichtswerk samen te stellen dat ook voor een ruimer publiek toegankelijk zou zijn.

De wijze waarop deze bundel tot stand is gekomen, vertoont opmerkelijke overeenkomsten met de ontstaansgeschiedenis van andere publikaties, documentaires en tentoonstellingen. Het semi-officiële karakter van veel projecten en de ongekend brede politieke en financiële steun daarvoor doen soms het vermoeden rijzen dat de interesse voor de geschiedenis van de joden in de eerste plaats een uitvloeisel is van een collectief schuldgevoel, van een natie die iets goed te maken heeft.

Hoewel deze opvatting zeker een kern van waarheid bezit, miskent ze door haar oppervlakkigheid de diepere dimensies van de belangstelling voor de joodse cultuur en geschiedenis. De monumenten, films en geschiedwerken vormen immers ook een uitdrukking van de wens de doden te eren en een plaats in de geschiedenis te geven. Zij maken deel uit van een niet-aflatend gevecht tegen de nazistische politiek, die zelfs de herinnering aan het Europese jodendom trachtte te vernietigen. Op dit punt doet zich echter een onoverkomelijk probleem voor. De geschiedschrijver, die terug wil halen wat de nazi's probeerden te doen vervagen, kan zichzelf niet bevrijden van de schaduw van Auschwitz. De shoah heeft onze blik op het verleden voorgoed vertroebeld. Recht te doen aan de 'eigenheid' en 'volheid' van dat verleden - daarin ligt de moeilijkste opgave waarvoor een geschiedenis van de joden in vroegere eeuwen de historicus stelt.

De auteurs en samenstellers van de Geschiedenis van de joden in Nederland lijken zich terdege bewust te zijn geweest van deze moeilijkheden. De artikelen over vroegere eeuwen getuigen van een gevoel voor historische nuances en zinspelen niet, zoals zo vaak gebeurt, voortdurend vooruit naar de rampen die nog zouden komen. De laatste twee bijdragen, over de Tweede Wereldoorlog en de naoorlogse periode, ademen daarentegen een gepaste betrokkenheid.

Nog belangrijker dan deze stilistische kenmerken is evenwel het perspectief van waaruit de meeste bijdragen zijn geschreven. In tegenstelling tot veel oudere studies is het de auteurs niet in de eerste plaats te doen om de geschiedenis van de verhouding tussen joden en niet-joden, al dan niet in het licht van de - bijna mythische - traditie van verdraagzaamheid, of om de bijdrage van de joden aan de Nederlandse cultuur. Centraal staan de ontwikkelingen in de joodse gemeen

schap(pen) zelf - een benadering die recht doet aan het verleden en bovendien een breder vergelijkend perspectief opent. Hoe vruchtbaar deze aanpak kan zijn, blijkt wanneer de lezer is aangeland bij het enigszins rommelige, maar intrigerende hoofdstuk van Yosef Kaplan over de vestiging en ontwikkeling van de joodse gemeenschappen in de zeventiende en vroege achttiende eeuw. Kaplan, hoogleraar in de middeleeuwse en moderne joodse geschiedenis aan de Hebrew University in Jeruzalem, laat zien hoe de bonte verzameling van joodse immigranten pas in de loop van de Gouden Eeuw enige samenhang kreeg. Amsterdam vervulde daarbij de rol van lichtend voorbeeld voor de gemeenschappen in de rest van het land.

Om zicht te krijgen op de verhoudingen biedt het gebruikelijke onderscheid tussen de sefardim, de joden uit Spanje en Portugal, en de overwegend Jiddisch sprekende asjkenazim uit Midden- en Oost-Europa nauwelijks houvast. De verschillen in godsdienst en levensstijl, die nauw samenhingen met het land van herkomst, het tijdstip en de plaats van vestiging, de spreektaal en sociale positie, waren zo groot dat zelfs de term 'joods' hier problematisch is.

Voor veel immigranten betekende de vestiging in de Republiek een confrontatie met hun jood-zijn. De afgedwongen bekeringen in Spanje en Portugal hadden hen afgesneden van de traditie en hen van hun joodse identiteit beroofd. Van een natuurlijke, homogene gemeenschap was voorlopig geen sprake. Er was maar één moment in de geschiedenis van de Republiek waarop de zeven- tot achtduizend joden, of ze nu Spaans, Portugees, Jiddisch of Nederlands spraken, zich zonder onderscheid als gemeenschap manifesteerden. In 1665, toen vanuit het Oosten de opgewonden berichten binnenkwamen over de kroning van Sjabtai Zwi tot messiaans koning, ontstond er een brede beweging, die alle joden van Amsterdam in de ban van het messianisme wist te brengen. Zij konden daaraan - in de woorden van Kaplan - dank zij de heersende tolerantie ook vrijelijk uiting geven.

De uitvoerige behandeling van de interne ontwikkeling van de joodse gemeenschappen stelt Kaplan ook in staat een helder licht te doen schijnen op de interne cultuurverschillen en de bijzondere positie van de sefardische gemeenschap in Amsterdam. Dank zij hun commerciële netwerken en hun actieve deelname aan de Spaanse en Portugese cultuur - als schrijvers, drukkers en denkers - verwierven de sefardim een unieke plaats in de joodse wereld.

De asjkenazim, die betrekkelijk arm waren en bovendien te kampen hadden met vrijwel onoverbrugbare cultuurverschillen, bleven hierbij aanvankelijk ver achter. In aantal werden de sefardim weldra overtroffen, maar sociaal en cultureel gezien ontwikkelden de asjkenazim zich veel trager. De autonomie van de lokale joodse gemeenten - kenmerkend voor de Republiek - en de betrekkelijk hoge graad van ontkerkelijking konden evenwel niet verhinderen dat ook deze gemeenschappen zich steeds nadrukkelijker konden manifesteren.

De aanpak die in de bijdrage van Kaplan is gevolgd, wordt in de rest van het boek vrij consequent doorgezet. Fuks-Mansfeld, bijvoorbeeld, laat in haar heldere hoofdstukken over de achttiende en negentiende eeuw zien dat het verdwijnen van de traditionele verschillen en de modernisering van de joodse cultuur hand in hand gingen met een verregaande integratie van de joden in de samenleving.

Voor een deel waren deze veranderingen opgelegd. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats voor de juridische gelijkstelling van de joden na de vestiging van de Bataafse Republiek in 1796 - een maatregel waartegen de conservatieve bestuurders van de lokale gemeenschappen zich overigens met kracht tegen verzetten. De eenheid in de religieuze organisaties en de verdwijning van het Jiddisch uit het onderwijs waren eveneens een uitvloeisel van het optreden van een krachtige nationale overheid.

Toch mogen deze veranderingen volgens Fuks-Mansfeld niet uitsluitend worden gezien als het resultaat van invloeden van buiten. In de joodse gemeenschappen zelf hadden zich al voor de omverwerping van Republiek opmerkelijke verschuivingen voorgedaan, in het gebruik van de Nederlandse taal bijvoorbeeld, en in de dagelijkse omgang met niet-joden of de betrokkenheid bij kwesties die buiten de eigen kring lagen.

Het proces van inpassing, assimilatie en acculturatie, dat in Nederland zoveel gelijkmatiger verliep dan elders, zou zich in de negentiende en twintigste eeuw versterkt voortzetten. Stukje bij beetje werd de traditionele omheining waarbinnen de grote meerderheid van de joden tot in de Franse tijd had geleefd, afgebroken. Of men nu keek naar het sociale leven, de economie, de politiek of de cultuur - op alle terreinen was er sprake van een ver gaande integratie en assimilatie, aldus Hans Blom en de Nederlands-Israëlische historicus en museumconservator Joel Cahen in hun bijdrage over deze periode.

Deze aanpassing en inpassing kenden echter ook hun grenzen: de joden bleven als minderheidsgroep herkenbaar. Deze herkenbaarheid was voor een deel het gevolg van het stigma dat de joden door de buitenwereld, al dan niet vanuit anti-joodse en antisemitische motieven, werd opgedrukt. In veel gevallen was zij echter evenzeer een uitvloeisel van een eigen keuze: de overgrote meerderheid van de joden bleek niet bereid haar joodse identiteit op te geven.

Dat gold niet alleen voor de niet-religieuze socialisten en liberalen, maar zelfs voor de communisten, zoals J.P. Kruijt, de grondlegger van de theorie van de verzuiling, in zijn studie over de onkerkelijkheid in Nederland van 1933 al constateerde. Kruijt, een overtuigde sociaal-democraat, vond dat geen negatieve ontwikkeling: een herkenbare joodse groep zou zelfs een verrijking van de toch al zo pluriforme Nederlandse samenleving vormen, schreef hij in 1939. De oorlog zou deze idylle wreed verstoren.

Hoewel niet alle auteurs erin zijn geslaagd een goed evenwicht te vinden tussen analyse en beschrijving, sluiten de afzonderlijke bijdragen wat aanpak en onderwerp betreft goed bij elkaar aan. De bundel verschaft daarmee een helder inzicht in de ontwikkelingen op langere termijn, zonder dat de 'levende geschiedenis' daarbij verloren gaat. Er is veel plaats ingeruimd voor het sociale en religieuze leven, voor de cultuur en de economie. Zelfs de geschiedenis van de grote joodse gemeenschappen in Suriname en Curaçao komt uitvoerig aan de orde.

Helaas zijn de illustraties in vergelijking met de teksten nogal flets uitgevallen, weinig levend, museaal in de negatieve betekenis van het woord. En wanneer het toch gaat over tekortkomingen: een zakenregister en een korte verklarende woordenlijst hadden in dit werk niet misstaan. Ronduit overtuigend daarentegen is de uitvoerige beredeneerde literatuurlijst. Ook daarmee doet deze Geschiedenis van de joden in Nederland haar status als overzichtswerk eer aan.

Frank van Vree

J.C.H. Blom, R.G. Fuks-Mansfeld & I. Schöffer: Geschiedenis van de joden in Nederland.

Balans; ¿ 69,50 (na 1 juni 1996 ¿ 85,-).

ISBN 90 5018 296 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden