Geldsector is gebaat bij een permanente crisis

FINANCIËLE CRISIS Als de financiële sector niet wordt gereguleerd, blijven we geld overhevelen naar financiële instellingen.

Met iedere Europese top verwachten we weer een definitieve oplossing van de 'eurocrisis'. Maar iedere oplossing die de Europese leiders aandragen wordt binnen een paar dagen weer afgeschoten door de financiële markten. En zelfs al zouden de eurolanden een oplossing weten te vinden, dan is dit nog niet het einde van het veel grotere probleem van de cyclus van economische en financiële crises dat al veel verder teruggaat dan de kredietcrisis van 2007.


Integendeel, het lijkt erop dat we toewerken naar een permanente economische crisis. Om dit te begrijpen, moeten we onze aandacht richten op het verschijnsel dat wel 'financialisering' wordt genoemd.


Sinds de jaren tachtig leven we in het tijdperk van 'financialisering': de explosieve groei van financiële instellingen, instrumenten en markten. Deze drie verschijnselen zijn tot op zekere hoogte overlappend en gerelateerd, maar als we ze analyseren als één fenomeen, zoals zo vaak gebeurt, ontneemt dit ons het zicht op de verschillende effecten ervan. Door in te zoomen op de financialisering van de wereldeconomie, kunnen we de specifieke destabiliserende effecten van deze ontwikkeling scherper in beeld krijgen.


Na de grote crisis van de jaren twintig en dertig werden financiële instellingen scherp gereguleerd. Dit werd in de jaren tachtig weer losgelaten. Het gevolg daarvan was de sterke uitbreiding van financiële instrumenten zoals hedging en derivatenhandel, en de toegenomen 'marktpenetratie' door financiële organisaties in niet-financiële markten. Samen veroorzaakten deze ontwikkelingen de spectaculaire groei van de financiële sector die we de laatste decennia hebben gezien.


De gevolgen van de enorme groei in optie- en derivatenhandel sinds de jaren tachtig waren groot. Waar voorheen winst werd gemaakt met bijvoorbeeld de handel in graan of het verstrekken van hypotheken, wordt winst nu voornamelijk gerealiseerd door op de potentiële winsten van deze activiteiten te speculeren. De specifieke eisen van de primaire markt worden daarmee ondergeschikt aan het genereren van winst in de secundaire (gederiveerde) markt, wat onwenselijke gevolgen heeft. Veelbesproken is het voorbeeld van de Amerikaanse hypothekenmarkt, waar niet meer gekeken werd naar de mogelijkheid op de lange termijn winst te maken met de hypotheken zelf, zolang er winst te behalen viel met het doorverkopen van deze hypotheekcontracten.


Een soortgelijke ontwikkeling vond plaats bij ondernemingen. Tot de jaren tachtig werden groei en innovatie geacht te gedijen als financiele belanghebbenden (banken en investeerders) een verbintenis voor de lange termijn aangingen met een onderneming. Vanaf de jaren tachtig veranderde die visie. Verhandelbare belangen in bedrijven werden steeds meer gezien als potentiële winstmakers. Dit leidde tot een steeds grotere druk op bedrijven tot winstvorming op de korte termijn.


Dit ging in eerste instantie ten koste van andere belanghebbenden in deze ondernemingen, bijvoorbeeld werknemers en klanten. Op de langere termijn ging het ook ten koste van de bedrijven zelf. Als directe winstgroei niet haalbaar was moesten andere maatregelen worden genomen om de waarde van de aandelen te laten groeien. Meer dividend uitbetalen bijvoorbeeld, of het terugkopen van aandelen, wat bedrijven konden doen met geld geleend in de financiële sector, uiteraard tegen marktrente.


Door deze veranderingen hevelen bedrijven steeds meer geld over aan banken en investeerders. Onderzoek door de Amerikaanse econoom James Crotty laat zien dat grote Amerikaanse bedrijven tot en met de jaren zeventig gemiddeld minder dan 30 procent van hun cashflow overdroegen aan investeerders en banken. Vanaf de jaren tachtig is dat gegroeid tot meer dan 50 procent.


Het spreekt vanzelf dat dit heeft geleid tot een versterking van de financiële sector ten opzichte van de 'onderliggende' economie. De financiële sector groeide de afgelopen drie decennia vier keer sneller dan de 'echte' economie. Het veelgehoorde argument is dat groei van deze sector goed is voor de hele economie, wat deels waar is. Maar in eerste instantie is de groei van deze sector vooral goed voor de investeerders en banken zelf. Naast een beperkte bijdrage aan de groei, heeft het vooral negatieve gevolgen voor de echte economie.


Eén van die gevolgen ondervinden we momenteel aan den lijve. Het is de opkomst van een cyclus van crises die veel verder teruggaat dan de kredietcrisis van 2007. In eerste instantie beperkten deze crises zich tot perifere landen of regio's, bijvoorbeeld Mexico in 1994, Zuid-Oost Azië in 1997, Rusland in 1998 en Argentinië in 2001. Met het instorten van de huizenmarkt in de VS hebben ze de westerse economieën bereikt.


Deze cyclus van economische crises valt niet geheel toe te schrijven aan de 'financialisering', maar is er wel degelijk een duidelijk verband tussen deze twee ontwikkelingen. Terwijl crises negatieve gevolgen hebben voor de meeste economische sectoren en werknemers, hebben zij positieve gevolgen voor de financiële sector. Dat bleek al duidelijk uit onderzoek vóór de kredietcrisis, maar is nu voor iedereen evident. De winsten van de grote internationale investeringsbanken zijn alweer als vanouds en de bonussen van bankmedewerkers zijn hoger dan vóór 2007.


Voor investeerders is het crisisklimaat ook uitermate gunstig. De Amerikaanse investeerder Wilbur Ross financierde deze week de koop van de bank Northern Rock van de Britse overheid. Op deze verkoop maakte de Britse overheid (de Britse belastingbetalers dus) ruim 400 miljoen verlies. Voor Ross en andere investeerders is dit goed nieuws. Zij staan klaar om ondergewaardeerde en in de problemen geraakte bedrijven op te kopen. In een recent artikel in de Financial Times zegt Ross dat er door de slechte Europese economische vooruitzichten nog meer 'koopjes te halen zijn'.


Met dergelijke grote gevestigde belangen is het nog maar de vraag of we nog wel afkomen van de huidige crisis. De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben beschreef het verschijnsel dat we toegroeien naar een 'permanente noodtoestand', waarin de normale rechtsgang wordt opgeschort. Een voorbeeld is de 'war on terror' die de geheime overplaatsing van verdachte terroristen naar Guantánamo tot gevolg had. Deze oorlog speelt politieke belangengroepen in de kaart.


In de economie stevenen we af op een vergelijkbaar verschijnsel. De permanente crisis is goed voor financiële instellingen en investeerders, en biedt de conservatieve regeringen, die nu in bijna alle Europese landen aan de macht zijn, de vrije hand hun ideologisch gewenste bezuinigen door te voeren. Een 'oplossing' van de huidige crisis valt voorlopig dus niet te verwachten. En als er al een 'staakt-het-vuren' komt, dan zal het niet lang duren voordat een nieuwe crisis ons overspoelt.


Zolang er niet serieus werk wordt gemaakt van herregulering van de financiële sector, blijven we gevangen in een permanente staat van crisis die leidt tot een voortgaande overheveling van geld aan een relatief kleine groep financiële instellingen en investeerders.


RAYMOND VAN DE WIEL is promovendus aan het London Consortium van de University of London.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden