Geld is ook sociaal, politiek en emotie

Viel er nog wat te lachen deze dagen? Jawel, maar dan moest ik me wenden tot de filosofie. Daar valt altijd nog iets te beleven als de rest van de wereld je verveelt, en ditmaal was het Jacques Derrida die me uit mijn lethargie haalde....

Derrida: ik las hem niet, ik keek naar hem. Dat was verstandig, want Derrida is ontegenzeglijk een leuke man geweest, een van de meest sexy filosofen van de 20ste eeuw. Onderuit hangend op de bank keek ik naar een fragment uit de documentaire Derrida, en ik bedacht dat de filosoof een aanwinst zou zijn geweest voor de Franse film; als charmeur deed hij niet onder voor Marcello Mastroianni.

‘Stel dat je de keus had gehad’, vroeg de interviewer, ‘welke filosoof had je dan graag als moeder gehad?’ Derrida grijnsde. ‘Een interessante vraag.’ Hij zweeg een tijdje, en toen was hij eruit. Een filosoof had nooit zijn moeder kunnen zijn, want een filosoof was altijd een masculiene figuur geweest; dat was nu precies het probleem dat hij zelf te lijf was gegaan met zijn deconstructivisme. Alleen een filosoof die na hem kwam, zou daarom zijn moeder kunnen zijn. ‘Mijn kleindochter dus.’ Hij begon duidelijk lol te krijgen in de gedachte. ‘Een denkende moeder – une mère pensante –, zo iemand zou ik graag willen baren.’

Niet alle vragen die Derrida tijdens zijn carrière kreeg, waren even inspirerend; in het fragment waarom ik zo moest lachen, stuitte hij op een interviewer die hem verzocht alles te zeggen wat hij maar te zeggen had over over wat? ‘De la?’, vroeg Derrida. ‘L’amour.’ ‘L’amour ou la mort?’ ‘L’amour.’ ‘L’amour?’ ‘L’amour!’ ‘Non! Je n’ai rien à dire de l’amour – ik heb niks te zeggen over de liefde. Stel me op zijn minst een vraag!’

De episode maakte wel duidelijk dat het niet aan de filosofen ligt als ze cryptisch overkomen. Het ligt toch echt aan de lezers. Terwijl het Derrida ging om de onmogelijke zoektocht naar de precieze betekenis van begrippen, zagen zijn slechtste lezers hem als de oerbron van oeverloze taalwoekering. Gooi er een dubbeltje in, dan spuit ie; gooi er een woord als liefde in en je bent verzekerd van twee uur hoorcollege over niets. Maar zo werkte het dus niet. ‘Nee, ami’, zuchtte de filosoof, ‘echt, zo kun je geen vragen stellen.’

L’amour, la mort, zuchtte ik met Derrida mee. De filosofie heeft helaas een sterke aantrekkingskracht op mensen die met zulke grote begrippen smijten alsof het Monopoly-geld is. En niet alleen de filosofie. Mij begon het de laatste weken op te vallen hoe in de nieuwscommentaren het begrip ‘economie’ te pas en te onpas werd gebruikt. En niemand die duidelijk maakte wat dat woord dan wel betekende.

Nu eens was het economische belang een goed ding, dan weer was het de bron van alle kwaad. De ene keer zeiden de commentatoren dat de veiligheid in het vliegverkeer natuurlijk nooit mag worden opgeofferd aan economische belangen. De andere keer zeiden de commentatoren dat godzijdank de kiezers nu niet meer kijken naar veiligheid maar naar hun economische belangen. Toe nou, riep ik als getergde nieuwsconsument vanaf de bank, make up your mind.

Daarna werd de verwarring over het begrip ‘economisch belang’ met de dag groter. Nu eens betekende het dat de rijken hun zakken vulden, dan weer dat de schoonmakers in Amsterdam hun koopkracht probeerden te behouden. Je kreeg behoefte aan een uitleg over de samenhang tussen alle betekenissen van dat ene woord dat gedurende de week als een toverbal verkleurde.

Maar wie moest die uitleg dan geven? Derrida natuurlijk. Terwijl Griekenland financieel wankelde en Duitsland terugdacht aan de geruststellende symboliek van de Deutsche Mark, was ik zelf al wel zo ver gekomen, dat ik economische argumenten niet op voorhand als schandelijk van de hand wilde wijzen. Het welzijn van mensen is ermee gemoeid, dacht ik, geld heeft vooral ook politieke, emotionele en sociale betekenissen. Het vertrouwen tussen de mensen berust voor het grootste deel op geld.

Het was een typisch Derridiaans onderwerp, deze ruime opvatting over economie, waarin de waarde van geld niet alleen afhangt van de mogelijkheid om het in te ruilen tegen dingen, maar ook van een hele wolk aan associaties: de verwachting van schaarste in de toekomst, het geloof in de stabiliteit van het politieke stelsel, het menselijk gedrag van werknemers en het verstrijken van de tijd. Tegelijk schreef Derrida over slijtage als een kenmerk van economische processen: er gaat altijd iets verloren met de tijd.

En daarmee, zei Derrida, lijkt economie heel sterk op taal: ook woorden slijten in het gebruik, en ook woorden hebben meer betekenissen dan alleen dat ene ding waarnaar ze lijken te verwijzen: mensen produceren in het gebruik een overvloed aan betekenis die niet meer valt terug te brengen tot één duidelijk aanwijsbaar begrip.

Doelloos op de bank hangend, omdat niemand mijn hulp inriep bij het redden van Griekenland en de Europese munt, kwam ik tot de conclusie dat het begrip economie al even moeilijk te vatten is als de economie zelf – en ik begreep dat dat goed was. Overvallen door de grote Europese gedachte sprak ik daarom zacht de woorden van de Duitse dichter Goethe voor me uit. Schon gut!, zei Goethe, het is goed, je hebt immers altijd nog je woorden, als begrippen je ontbreken.

‘Denn eben wo Begriffe fehlen, / Da stellt ein Wort zur rechten Zeit sich ein. / Mit Worten läßt sich trefflich streiten, / Mit Worten ein System bereiten, / An Worte läßt sich trefflich glauben, / Von einem Wort läßt sich kein Jota rauben.’

Leuke jongens, die dode schrijvers en filosofen, ik zou ze best als kleinkinderen willen hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden