Gekwelde dameskunst wint het van het experiment.

Het moest het jaar van de vrouwen worden, de Biënnale van Venetië, voor het eerst geleid door vrouwelijke tentoonstellingsmakers. Maar op een van de grootste kunstoverzichten ter wereld, overtuigen de performances met menstruatiebloed of een kroonluchter van tampons niet....

over et heeft natuurlijk al met al wel erg H lang geduurd. Zeker voor een evenement dat gezien wordt als de moeder aller biënnales. Elf decennia zijn er over heen gegaan, sinds de oprichting in 1895, voordat men er blijkbaar aan toe was: twee vrouwen de leiding in handen te geven van de Grand Old Lady onder de tweejaarlijkse tentoonstellingen, de Biënnale van Venetië.

Niet één dus, maar gelijk twee dames. Uit Spanje. María de Corral en Rosa Martínez. De eerste met een vlekkeloze reputatie als directrice van het Museum Reina Sofia en de Fondation La Caixa, de andere als conservatrice van dezelfde instellingen in Madrid en Barcelona. Geen lichtgewichten en zeker geen eendagsvliegen.

Het moest er dus maar eens van komen. En je kan niet anders zeggen: ze hebben zich opzienbarend gemanifesteerd. Vooral van hun vrouwelijke kant. En daarmee is de eenenvijftigste Biënnale van Venetië, zeker wat de twee thematentoonstellingen betreft, een verbazingwekkende afrekening met de stoere macho-kunst die op de voorgaande biënnales de hoofdrol speelde .

Met name Rosa Martínez schuwt haar feministische voorkeuren niet. Al direct bij binnenkomst in de Arsenale wordt de bezoeker bedolven onder het gedachtegoed dat in de jaren zeventig, vooral onder vrouwen, razend populair was. De Amerikaanse Guerrilla Girls hebben er hun affiches opgehangen, waaruit moet blijken dat het met het aandeel vrouwelijke kunstenaars op tentoonstellingen nog steeds armzalig is gesteld. Verderop heeft Joana Vasconcelos een kroonluchter opgehangen, samengesteld uit louter tampons. En halverwege de voormalige wapenopslagplaats laat Paloma Varga Weisz haar beelden zien van geknevelde en vermoorde martelaressen.

In alles lijkt met deze beelden de toon te zijn gezet. En die is verstrekkender dan een handje vol losse bijdragen. De vrouw als slachtoffer en soms als heilige. Maar bovenal als gekwelde winnares, wat ook is gebleken uit de uitreiking van de Gouden Leeuwen. De hoofdprijzen gingen dit jaar naar Regina José Galindo, die kaalgeschoren of met bebloede voeten door de straten van Guatemala City liep. Naar Annette Messanger voor haar in menstruatie-rood ondergedompelde zaal in het Franse paviljoen. En naar Barbara Kruger, een van de belangrijkste voorvechters van de Amerikaanse vrouwenkunst.

De keuze voor zoveel pamflettistisch geweld is merkwaardig. Wellicht niet in de noodzaak ervan: na de zoveelste feministische golf zou je haast vergeten dat de vrouwenstrijd niet in ieder land is gestreden. Opzienbarend is wel de hoeveelheid clichés die er wordt gebezigd. Afgaande op het geëxposeerde werk wordt de vrouwenemancipatie blijkbaar nog steeds het meest effectief gesymboliseerd met bloed, maandelijkse cycli, 'kwetsbaar' gefriemel van uienschillen op een marmeren plaat en het zachte gemurmel van Franse kinderliedjes alsof je je in een baarmoeder bevindt.

Als tegenwicht voor zoveel vrouwelijk defaitisme kan je blij zijn met de aanwezigheid van Mariko Mori. Het toonbeeld van Japanse lichtzinnigheid liet een UFO bouwen, waarin bezoekers

worden ondergedompeld in een gewichtloos bestaan. Verderop langs de Canal Grande toverde de Zwitserse Pipilotti Rist de Chiesa di San Stae om tot een feeëriek droompaleis. Het optimisme van Mori en Rist mag misschien wat naïef zijn, hun aanwezigheid is wel een welkome afwisseling op het feministische negativisme waarmee de biënnale-leiding de kijker probeert te infecteren. Ook omdat de aanstelling van het Spaanse duo juist hét bewijs zou zijn dat de vrouwenonderdrukking, althans binnen de door mannen gedomineerde kunstwereld, over zijn hoogtepunt heen is.

Maar blijkbaar is die conclusie aan De Corral en Martínez zelf voorbij gegaan. Het zegt veel over de historiserende instelling van de twee samenstellers: met een ijzeren vasthoudendheid richten ze hun blik op het verleden. Voor de toekomst-tentoonstelling van Martínez, Always a Little Further, is dat natuurlijk dodelijk. Maar hetzelfde geldt, zij het in mindere mate, voor de bijdrage van De Corral, die in het Italiaanse paviljoen op een weinig verontrustende manier de contemporaine kunstgeschiedenis onder de loep heeft genomen.

'Klassiek' is uiteindelijk het meest gunstige dat je over de opzet van beide exposities kan zeggen; 'retro' het meest toepasselijke. En afgaande op wat er in de landenpaviljoens in de Giardini is te zien, geldt dat ook voor veel van de landenpresentaties. Afschrikwekkende voorbeelden zijn er genoeg. Zoals het immer voortkabbelende oeuvre van Gilbert & George. Of de landschappen van Ed Ruscha die zijn oude werk nog eens dunnetjes heeft nageschilderd.

Retro is ook de Nederlandse bijdrage van Jeroen de Rijke en Willem de Rooij. Hun 36 minuten

durende speelfilm, Mandarin Ducks, een duidelijke breuk met het vorige werk dat het tweetal heeft gemaakt. Niet dat ze daarmee een stap voorwaarts hebben gezet – eerder twee stappen terug. Het vrienden-en familiedrama, opgenomen in een interieur dat een replica lijkt van het Rietveldpaviljoen, houdt het midden tussen een persiflage van Absolutely Fabulous en een serieuze verwijzing naar de films van Ingmar Bergman. Toch kunnen de soms prachtige opnames niet verbloemen dat De Rijke De Rooij zich verslikt hebben om de juiste verhouding te vinden tussen film, theater, mime tv, verblind als ze zijn geraakt in hun streven om kunst te maken. Kunst die wellicht niemand begrijpt, maar iedereen wel als zodanig herkent.

En daarin staat het Nederlandse tweetal niet alleen. Meer dan in voorgaande edities wordt deze biënnale gekenmerkt door een overeenkomstige opvatting van wat kunst is, hoe het uit ziet en welke technieken daarvoor worden gebruikt. Opvallend daarvoor is de mondiale interesse voor film en video. Overal zoemen donkere zalen, achter zware gordijnen, de projectoren en beamers. Ze spugen beelden uit die in geen enkele bioscoop worden vertoond. Omdat ze te langdradig zijn, onduidelijk opgenomen of juist heel gestileerd. Stijlkenmerken die net zoveel met financiën hebben te maken als met een verschil in artistieke opvattingen.

Wat in het rijke Westen al snel leidt tot dure producties (door het inhuren van professionele acteurs en cameramensen), levert in Azië Zuid-Amerika reportages op die in ruwe vorm via een goedkope monitor worden afgespeeld. Natuurlijk zijn die verschillen evident. We s t e r s kunstenaars slepen, in vergelijking met hun collega'suit hetoosten enzuiden, eenkarren-vracht aan kennis met zich mee. En een rijketraditie. En zoiets laatzich herkennen in eenmeeruitgebalanceerde cameravoering,subtie-lere belichting en een beter draaiboek.Toch heefthet gebruik van film-en videoca-mera's inzekere zingezorgd voorde democra-tisering vande beeldende kunst. Ookte koopvoor de meest armlastige, proletarische kunste-naar. Iedereen is tegenwoordigbij machte ver-slag te doenvan zijn leefomgeving. Inde meestbasale vorm. De resultaten ervan zijn in Venetiëoverduidelijk tezien. De expositiestonen eenoverdaad aan lange opnames die, al dan niet ge-monteerd, tot trage films leiden waarin geenverhaal of plot te bekennen is.De verklaring voor deze toenemende artistie-keeensgezindheid ligtin dewens eigentijdstezijn.Om totde broederschapvande grotewe-reldkunst tewillen horen. Weinigenhebben demoed om anders te zijn, met als risico buiten deboot tevallen enmet onverkoopbaarwerk teblijven zitten. De hang om serieus te worden ge-

Die instelling is ook aan de organisatie van de biënnale te herleiden. De vorige editie toonde werk van meer dan zeshonderd kunstenaars, verdeeld over zo'n tachtig exposities. Nu zijn er 419 kunstenaars en 105 tentoonstellingen. De hoeveelheden zijn dit jaar dus anders verdeeld, met meer aandacht en ruimte voor de individuele kunstenaar. Terwijl de aspiraties dezelfde zijn. Want 'Venetië' anno 2005 wil nog steeds een overzicht geven wat er in de kunst op wereldniveau gebeurt.

Daaraan hebben ook de landen gehoor aan gegeven. Wat de paviljoens betreft zijn met uitzondering van Afrika (dat slechts met Marokko en Egypte selecteerde) alle continenten ruimschoots aanwezig. Het aantal is tot 73 gestegen, met nieuwkomers als Albanië, Afghanistan, Wit-Rusland en Kazachstan. En natuurlijk China, dat op een groots opgezette persconferentie met veel aplomb werd gepresenteerd. Want ook de organisatie beseft wat het belang van de sluimerende cultuurmacht China is.

Die uitdijende hoeveelheid landenpaviljoens, verdeeld over de stad, bezorgt de bezoekers veel logistieke problemen. Maar het heeft ook een voordeel. De schaalvergroting biedt weerstand tegen het al maar toenemende idee dat de kunst een in zichzelf besloten bolwerk is. Met een zelfregulerende smaakopvatting, waar iedereen zich in kan vinden. Want tegelijkertijd krijgt de bezoeker in een paar dagen tijd een overzicht van wat er in alle uithoeken van de wereld wordt geproduceerd – in een onversneden vorm. Presentaties die zijn samengesteld door onafhankelijke tentoonstellingsmakers, uit de eigen voorraad aan kunstenaars, in een zelf gekozen omgeving. Een demografische verscheidenheid aan kunstopvattingen, die de Westerse smaakpapillen behoorlijk op de proef stellen.

Zo is er de loodzware tsunami-symboliek in het Indonesische paviljoen, het organische houtsnijwerk van de Australiër Ricky Swallow, het immense Ku Klux Klan-masker van de Albaniër Sislej Xhafa of de folkloristische portretten van Mykola Babak uit Oekraïnië – werk van lokale helden die uit de buitengewesten hun bijdragen hebben geleverd. Wat meestal artistiek rampzalig, maar sociologisch gezien wel weer aardig is. Want wat deze biënnale ook duidelijk maakt, is dat een wereldwijde consensus over wat mooi en lelijk is, hoge en lage kunst, nog steeds een utopie blijkt te zijn. Ondanks het streven van de kunstenaars en curatoren naar een overkoepelende esthetiek, een algemene filmstijl of een feministische thematiek. Daarvoor zijn er te veel beelden van vreemde landschappen en onbekende gebouwen, van inheemse gebruiken en exotische gewoonten, koddige kleding en expressieve gezichten. De biënnale blijft vooralsnog een vlootschouw van gammele roeibootjes, dure jachten, grote zeilschepen en ranke gondels die allemaal een verschillende richting op varen. Je zou haast zeggen: gelukkig maar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden